Выбрать главу

In zijn hele leven had hij maar twee vrouwen gezien die zo waren gekleed: Moiraine en de Duistervriend die Mart en hem had willen vermoorden. Hij durfde niet eens te gissen wie met zulke kleren in een boom zou klimmen, maar hij wist zeker dat ze een belangrijk persoon moest zijn. De manier waarop ze hem trouwens aankeek, versterkte die indruk. Ze leek helemaal niet verontrust dat een vreemde haar tuin was ingetuimeld. Ze had dat zelfverzekerde dat hem aan Nynaeve of Moiraine deed denken.

Hij zat te dubben of hij zichzelf nou wel of niet in de problemen had gebracht en of zij wel of niet iemand was die de koninginnegarde erbij kon halen, zelfs op een dag dat die zich met vele andere zaken moest bezighouden. Daarom duurde het even voor hij haar prachtige kleren en luchtige houding vergat en naar het meisje zelf keek. Ze was mogelijk twee of drie jaar jonger dan hij, lang voor een meisje en knap. Haar gezicht was een volmaakte ovaal in een krans van roodgouden lokken, haar lippen vol en rood, haar ogen blauwer dan hij kon geloven. Ze was heel anders dan Egwene, in lengte, gezicht en lichaam, maar zeker even knap. Hij voelde zich een beetje schuldig, maar bedacht dat een ontkenning van wat zijn ogen zagen, Egwene niet veiliger of sneller naar Caemlin zou brengen.

Vanuit de boom klonk een schrapend geluid en stukjes schors vielen neer, gevolgd door een jongen die met een licht sprongetje achter haar neerkwam. Hij was een hoofd groter dan zij en iets ouder, maar zijn haar en gezicht verrieden dat ze verwant waren. Zijn jas en mantel waren rood, wit en goud, met borduursel en brokaat, en voor een man zelfs nog verfijnder dan haar kledij. Dat maakte Rhands bezorgdheid alleen maar groter. Alleen op een feestdag zou een gewone man zich in zoiets steken, en nooit met zoveel grandeur. Dit was geen park voor het volk. Misschien hadden de gardisten het te druk om zich met indringers bezig te houden.

De jongen bekeek Rhand over de schouder van het meisje en betastte de dolk bij zijn middel. Het leek eerder iets van een zenuwachtige gewoonte dan de gedachte dat hij hem zou gebruiken. Maar niet helemaal. De jongen straalde dezelfde zelfverzekerdheid uit als het meisje en ze keken hem allebei aan alsof hij een raadsel was dat moest worden opgelost. Hij had het vreemde gevoel dat in ieder geval het meisje hem van top tot teen nauwkeurig opnam, van de toestand van zijn laarzen tot de kwaliteit van zijn mantel.

‘Als moeder dit verneemt, krijgt dit muisje een staartje, Elayne,’ zei de jongen opeens. ‘Ze heeft ons gezegd in onze kamers te blijven, maar jij moest zo nodig iets van Logain zien. Zie je nu wat het ons heeft opgeleverd?’

‘Stil, Gawein.’ Ze was duidelijk de jongste van de twee, maar ze zei het op een manier alsof ze het de normaalste zaak van de wereld vond dat hij gehoorzaamde. Aan zijn gezicht te zien wilde hij nog van alles zeggen, maar tot Rhands verrassing hield hij zijn mond. ‘Is alles goed met je?’ vroeg ze onverwachts.

Het duurde even voor Rhand besefte dat ze het tegen hem had. Toen hij dat begreep, probeerde hij op te staan. ‘Ik ben in orde. Ik ben alleen...’ Hij stamelde en zijn benen werden slap. Hij kwam met een klap weer op zijn achterste terecht. Zijn hoofd tolde. ‘Ik klim gewoon weer terug over de muur,’ mompelde hij. Hij probeerde opnieuw op te staan, maar ze legde haar hand op zijn schouder en hield hem tegen. Hij was zo duizelig dat ze nauwelijks hoefde te drukken om hem op de grond te houden.

‘Je bent gewond!’ Elegant knielde ze naast hem neer. Haar vingers scheidden zachtjes de bebloede haren op de linkerkant van zijn hoofd.

‘Toen je viel, moet je een tak hebben geraakt. Je hebt geluk dat je verder niets hebt gebroken. Ik denk niet dat ik ooit iemand zo handig heb zien klimmen, maar vallen doe je minder goed.’

‘Je krijgt bloed op je handen,’ zei hij en hij trok zijn hoofd weg.

Ze trok zijn hoofd ferm terug, zodat ze erbij kon. ‘Stil.’ Ze zei het niet scherp, maar weer klonk die toon in haar stem, alsof ze verwachtte gehoorzaamd te worden. ‘Het ziet er niet zó erg uit, het Licht zij dank.’ Uit de binnenzakken van haar mantel begon ze allerlei soorten flesjes en opgevouwen pakjes papier te halen, en uiteindelijk een handvol dik verband.

Hij keek in stomme verbazing naar de uitstalling. Zoiets zou hij hebben verwacht bij een Wijsheid, niet bij een meisje in deze kleren. Hij zag dat ze bloed aan haar vingers had, maar het scheen haar niet te deren.

‘Geef me je waterfles, Gawein,’ zei ze. ‘Ik moet dit uitwassen.’ De jongen die ze Gawein noemde, haakte een leren fles van zijn riem en gaf die aan haar, waarna hij kalm bij Rhands voeten ging zitten en zijn armen om zijn knieën sloeg. Elayne ging vakkundig verder met wat ze aan het doen was. Hij kromp niet ineen toen het koude water stak bij het uitwassen van de snee in zijn hoofd, maar ze hield met één hand zijn kruin vast, alsof ze dacht dat hij zijn hoofd weg zou trekken, wat ze niet zou toestaan. De zalf die ze er daarna op deed uit een van haar kleine kruikjes, verzachtte de pijn bijna net zo goed als een van Nynaeves kruidenzalfjes zou hebben gedaan.

Gawein keek hem met een geruststellende glimlach aan, alsof ook hij verwachtte dat Rhand zou wegschuiven en mogelijk zelfs vluchten.

‘Ze vindt altijd zwerfkatten en vogels met gebroken vleugels. Jij bent de eerste mens waaraan ze kan werken’ Hij aarzelde en voegde eraan toe: ‘Wees niet beledigd, ik zeg niet dat jij een zwerver bent’ Het was geen verontschuldiging, slechts het vaststellen van een feit.

‘Ik voel me niet beledigd’ zei Rhand stijf. Deze twee deden net of hij een schichtig paard was.

‘Ze weet wat ze doet’ zei Gawein. ‘Ze heeft de beste leraren gehad. Dus wees niet bang, je bent in goede handen.’

Elayne drukte wat verband tegen zijn slaap en trok een zijden sjaal uit haar ceintuur, blauw, goud en roomkleurig. Voor ieder meisje uit Emondsveld zou het een schat zijn die gekoesterd werd voor feestdagen. Elayne begon hem vaardig rond zijn hoofd te wikkelen om het verband op zijn plaats te houden.

‘Die kun je niet gebruiken!’ protesteerde hij.

Ze werkte door. ‘Ik heb gezegd dat je je stil moest houden’ zei ze rustig.

Rhand keek Gawein aan. ‘Verwacht ze altijd dat iedereen maar doet wat zij zegt?’

Er gleed een trek van verbazing over Gaweins gezicht en het leek of hij het wilde uitproesten. ‘Meestal wel. En meestal doen ze het.’

‘Houd dit vast’ zei Elayne. ‘Houd je hand hier, terwijl ik dit vast…..’

Toen ze zijn handen zag, slaakte ze een kreet van schrik. ‘Dat is niet bij het vallen gebeurd. Je had daar ook niet moeten klimmen.’ Ze legde vlug een knoop in de sjaal, draaide zijn handen om en mopperde in zichzelf dat er nog maar zo weinig water was. Door het wassen begonnen de schrammen te steken, maar ze raakte ze verrassend zacht aan. ‘Houd ze deze keer eens stil.’

Weer kwam het flesje met zalf tevoorschijn. Ze smeerde hem dun uit over de sneden, heel aandachtig, en het deed amper pijn. Zijn handen begonnen koel aan te voelen, alsof ze de geschaafde huid wegstreelde.

‘Meestal doen ze precies wat zij zegt,’ ging Gawein over haar hoofd verder, vol genegenheid glimlachend. ‘De meeste mensen. Moeder natuurlijk niet. Elaida ook niet. En Lini. Lini was haar kindermeisje. Je kunt geen bevelen geven aan iemand die je over de knie heeft gelegd voor het pikken van vijgen toen je nog klein was. En niet meer zo klein.’ Elayne hief haar hoofd lang genoeg om hem dreigend aan te kijken. Hij schraapte zijn keel en keek zorgvuldig nietszeggend toen hij snel verder vertelde. ‘En Garet, natuurlijk. Niemand geeft Garet bevelen.’