‘Het is groen,’ fluisterde hij. ‘Groen.’ De soldaten mompelden in zichzelf. Tallanvor wierp een scherpe blik over zijn schouder en ze zwegen weer.
‘Elaida’s werk,’ zei Gawein afwezig.
‘Het is verkeerd,’ zei Elayne. ‘Ze vroeg me of ik een boerderij wilde uitkiezen waar ze hetzelfde voor kon doen, terwijl daar overal omheen de oogst nog steeds niet opkomt, maar het is verkeerd dat wij bloemen hebben als er mensen zijn die niet eens voldoende te eten hebben.’ Ze haaide diep adem en putte moed. ‘Bedenk wie je bent,’ zei ze bruusk tegen Rhand. ‘Spreek duidelijk als je iets wordt gevraagd en wees verder stil. Doe wat ik doe. Alles komt best in orde.’
Rhand wou dat hij haar vertrouwen kon delen. Het zou hebben geholpen als Gawein het ook had getoond. Toen Tallanvor hen het paleis in leidde, keek hij om naar de tuin, naar al dat groen vol bloesems en bloemen, kleuren voor een koningin, gecreëerd door een Aes Sedai. Hij zwom in diep water en er was geen oever te zien.
Paleisknechten vulden de zalen; ze droegen rode tunieken met witte kragen en mouwranden, de Witte Leeuw op de linkerborst van hun tuniek. Ze haastten zich rond, bezig met taken die hem niet duidelijk waren. Toen de soldaten langs stampten, met Elayne, Gawein en Rhand in hun midden, bleven ze stokstijf en met open mond staan kijken.
Te midden van al die drukte wandelde een grijsgestreepte kater zorgeloos door de gang, tussen de verblufte dienaren in. Opeens vond Rhand de kat vreemd. Hij was lang genoeg in Baerlon en Caemlin geweest om te weten dat zelfs in het kleinste winkeltje in alle hoeken katten zaten. Sinds hij het paleis had betreden, was dit de eerste kat die hij zag.
‘Hebben jullie geen ratten?’ vroeg hij ongelovig. Iéder huis had ratten.
‘Elaida heeft een hekel aan ratten,’ mompelde Gawein vaagjes. Met diepe rimpels keek hij bezorgd naar het eind van de gang, alsof hij de komende ontmoeting met de koningin al voor zich zag. ‘We hebben nooit ratten.’
‘Wees stil, allebei.’ Elaynes stem klonk scherp, maar even afwezig als die van haar broer, ik probeer na te denken.’
Rhand bleef over zijn schouder naar de kat kijken tot de soldaten hem rond een hoek voerden, waardoor hij de kater niet meer kon zien. Hij zou zich beter hebben gevoeld als er veel katten waren; het zou fijn geweest zijn als er tenminste iéts gewoon was in dit paleis, al waren het maar ratten.
De weg die Tallanvor volgde, liep door zoveel gangen dat Rhand elk gevoel van richting verloor. Ten slotte bleef de jonge officier voor grote dubbele deuren van donker diepglanzend hout staan, niet zo indrukwekkend als sommige deuren die ze voorbij waren gelopen, maar wel vol leeuwen in prachtig uitgewerkt houtsnijwerk. Aan weerszijden stonden dienaren in rood livrei.
‘Gelukkig niet de Grote Zaal’ lachte Gawein beverig, ‘ik heb nog nooit gehoord dat moeder hier een onthoofding heeft bevolen.’ Het klonk of hij dacht dat het best de eerste keer kon worden.
Tallanvor wilde Rhands zwaard pakken, maar Elayne schoof tussen hen in. ‘Hij is mijn gast en naar gewoonte en wet mogen gasten van de koninklijke familie hun wapens dragen, zelfs in aanwezigheid van de koningin. Of wil je misschien mijn woord betwijfelen dat hij mijn gast is?’
Tallanvor aarzelde, keek haar strak aan en knikte toen. ‘Heel goed, mijn vrouwe.’ Ze glimlachte naar Rhand toen Tallanvor een stap terug deed, maar haar glimlach verdween snel. ‘Eerste gelid, volg,’ beval Tallanvor. ‘Kondig vrouwe Elayne en heer Gawein bij Hare Majesteit aan,’ zei hij tegen de deurwachters. Tevens gardeluitenant Tallanvor, op bevel van Hare Majesteit, met de indringer onder bewaking.’
Elayne keek afkeurend naar Tallanvor, maar de deuren zwaaiden al open. Een sonore stem kondigde aan wie er binnenkwamen.
Een en al statie schoof Elayne naar binnen; ze bedierf haar koninklijke binnenkomst nauwelijks door Rhand te gebaren vlak achterhaar te blijven. Gawein rechtte zijn schouders en schreed ook naar binnen, een afgemeten stap achter haar. Rhand volgde onzeker aan haar andere kant, gelijk oplopend met Gawein. Tallanvor volgde Rhand op de hielen en tien soldaten liepen met hem mee. De deuren sloten zich zachtjes achter hen.
Opeens maakte Elayne een diepe kniks, boog gelijktijdig haar bovenlichaam en bleef in die houding staan, waarbij ze haar rok wijduit hield. Rhand schrok op en bootste toen haastig Gawein en de andere mannen na, onhandig schuifelend tot het goed was. Zijn rechterknie op de grond, het hoofd gebogen, het lichaam vooroverbuigend om met de knokkels van zijn rechterhand op de marmeren vloer te steunen, zijn linkerhand op de bovenkant van zijn gevest. Gawein, die geen zwaard droeg, legde zijn hand op zijn dolk, op dezelfde manier.
Rhand wenste zichzelf net geluk dat het hem was gelukt, toen hij Tallanvor opmerkte, die hem vanachter zijn omlaaggebogen vizier geërgerd opnam. Werd ik verondersteld iets anders te doen? Hij was opeens boos dat Tallanvor maar verwachtte dat hij wist wat hij moest doen zonder dat het hem was verteld. En kwaad dat hij bang was geweest voor de gardisten. Hij had niets gedaan om bang te hoeven zijn. Hij wist dat zijn angst niet Tallanvors schuld was, maar hij was toch kwaad op hem.
Iedereen bleef geknield op de vloer, als ijsbeelden die op de lentedooi wachtten. Hij wist niet waarop ze wachtten, maar hij greep de kans aan om te kijken waar hij was binnengebracht. Hij hield zijn hoofd scheef, net genoeg om alles in zich op te nemen. Tallanvors blik werd nog afkeurender, maar hij negeerde hem.
Het vierkante vertrek was ongeveer even groot als de gelagkamer van De Koninginnezegen. Op de muren waren jachttaferelen gebeeldhouwd in stralend witte steen. Ertussen hingen wandkleden met lieflijke taferelen van kleurige bloemen en schitterende felgekleurde honingvogels, behalve de twee aan de andere kant van het vertrek, waar de Witte Leeuw van Andor meer dan manshoog op scharlaken velden was afgebeeld. Die twee wandkleden flankeerden een verhoging en daarop stond een besneden en vergulde troon, waar de koningin op zetelde.
Een stevige, vierkante man stond blootshoofds aan de rechterhand van de koningin, gekleed in het rood van de koninginnegarde, met vier gouden knopen op de schouder van zijn mantel en gouden banden op het wit van zijn mouwomslagen. Aan zijn slapen waren brede grijze strepen te zien, maar hij zag er even sterk en onwrikbaar uit als een rots. Dat moest Garet Brin, de kapitein-generaal zijn. Aan de andere kant en achter de troon zat een vrouw in donkergroene zijde op een lage kruk, die iets aan het breien was van donkere, bijna zwarte wol. Door het breiwerk dacht Rhand eerst dat ze oud was, maar bij de tweede blik kon hij haar leeftijd helemaal niet meer inschatten. Jong, oud, hij wist het niet. Haar aandacht leek geheel gericht op haar naalden en wol, net alsof er binnen handbereik geen koningin zat. Het was een knappe vrouw, uiterlijk onbewogen, maar toch was er iets griezeligs aan die volledig op het breiwerk gerichte aandacht. Het was doodstil in het vertrek, afgezien van het getik van haar breinaalden.
Hij probeerde alles te zien, maar zijn ogen keerden telkens terug naar de vrouw met de glanzende krans van fijn gestileerde rozen op haar voorhoofd, de Rozenkroon van Andor. Een lange rode stola, waarover de Leeuw van Andor langs de hele lengte marcheerde, hing over haar geplooide gewaad van rode en witte zijde. Toen ze de arm van de kapitein-generaal met haar linkerhand aanraakte, glinsterde er een ring in de vorm van het Grote Serpent die zijn eigen staart opat. Toch was het niet de weelde van haar kleren of juwelen, zelfs niet de kroon die Rhands ogen telkens en telkens aantrok: het was de vrouw die dit alles droeg.