Выбрать главу

Die laatste paar woorden hadden op iedereen in het vertrek de uitwerking alsof ze de Duistere had aangekondigd. Achter Rhand kraakte leer en kraste metaal, laarzen schuifelden over de marmeren plavuizen. Vanuit zijn ooghoeken zag hij hoe Tallanvor en een andere soldaat van hem wegschoven om ruimte te winnen, de hand op hun zwaard, klaar om het te trekken, en aan hun gezichten te zien, gereed om te sterven. Met twee snelle stappen stond Garet Brin voor de verhoging, tussen Rhand en de koningin. Zelfs Gawein stelde zich voor Elayne op, een bezorgde blik in zijn ogen en een hand op zijn dolk. Elayne zelf keek hem aan alsof ze hem nu pas voor het eerst zag. Morgase vertrok geen spier van haar gezicht, maar haar handen klemden zich vaster om de vergulde armleuningen van haar troon.

Alleen Elaida liet minder merken dan de koningin. De Aes Sedai liet niet blijken dat ze iets ongewoons had gezegd. Ze nam haar hand van het zwaard, waardoor de gespannenheid van de soldaten alleen maar toenam. Haar ogen bleven op hem gericht, onverstoorbaar en berekenend.

‘Maar,’ zei Morgase en haar stem klonk vlak, ‘hij is toch zeker te jong om een reigerzwaard te hebben verdiend? Hij kan niet ouder zijn dan Gawein.’

‘Het behoort hem toe,’ zei Garet Brin.

De koningin keek hem verbaasd aan. ‘Hoe is dat mogelijk?’

‘Ik weet het niet, Morgase,’ zei Brin langzaam. ‘Hij is te jong, maar toch hoort het bij hem en hij bij het wapen. Kijk naar zijn ogen. Kijk hoe hij staat, hoe het zwaard bij hem past en hij bij het zwaard. Hij is te jong, maar het zwaard is het zijne.’

Toen de kapitein-generaal zweeg, zei Elaida: ‘Hoe ben je aan dit wapen gekomen, Rhand Altor uit Tweewater?’ Ze zei het op een toon die de juistheid van zijn naam net zo betwijfelde als de streek waar hij vandaan kwam.

‘Mijn vader heeft het me gegeven,’ zei Rhand. ‘Het was van hem. Hij dacht dat ik een zwaard nodig zou hebben in de wereld.’

‘Hoor, nóg een schaapherder uit Tweewater, met een reigerzwaard.’ Elaida’s glimlach maakte zijn mond droog. ‘Wanneer ben je in Caemlin aangekomen?’

Hij had er genoeg van deze vrouw de waarheid te vertellen. Ze maakte hem net zo bang als een Duistervriend. Het werd tijd dat hij zich weer verborg. ‘Vandaag,’ zei hij. ‘Vanmorgen.’ ‘Net op tijd,’ mompelde ze. ‘Waar verblijf je? Zeg niet dat je nog nergens een kamer hebt gevonden. Je ziet er wat slordig uit, maar je hebt de kans gehad je op te frissen. Waar?’

‘De Kroon en Leeuw.’ Hij herinnerde zich dat ze voorbij De Kroon en Leeuw kwamen toen ze De Koninginnezegen zochten. De herberg lag aan de andere kant van de Nieuwe Stad, ver van baas Gils herberg vandaan. ‘Daar heb ik een bed. Op zolder.’ Hij had het gevoel dat ze wist dat hij loog, maar ze knikte slechts.

‘Wat een toeval,’ zei ze. ‘Vandaag wordt de ontaarde Caemlin binnengebracht. Binnen twee dagen zal hij naar Tar Valon worden gebracht en met hem zal de erfdochter voor haar verdere opvoeding meereizen. En net op dit kruispunt verschijnt er een man in de paleistuin die beweert een trouw onderdaan te zijn uit Tweewater...’

‘Ik kóm uit Tweewater.’ Ze keken hem allemaal aan, maar iedereen negeerde hem. Behalve Tallanvor en de schildwachten; die lieten hun ogen geen moment van hem afdwalen.

‘….met een verhaal dat berekend is om Elayne te boeien en hij draagt een reigerzwaard. Hij draagt geen armband of pluim om zijn trouw te verkondigen, maar wikkelt de reiger zorgvuldig in tegen onderzoekende ogen. Wat voor toeval is dit, Morgase?’

De koningin gebaarde de kapitein-generaal opzij te stappen en toen hij dat deed, keek ze Rhand met een bezorgde blik aan. Ze bleef echter met Elaida praten. ‘Hoe noem jij hem? Duistervriend? Een volgeling van Logain?’

‘De Duistere roert zich in Shayol Ghul,’ antwoordde de Aes Sedai. ‘De Schaduw ligt over het Patroon en de toekomst wankelt op de punt van een naald. Deze is gevaarlijk.’

Opeens bewoog Elayne, ze wierp zich op haar knieën voor de troon. ‘Moeder, ik smeek u hem geen kwaad te doen. Hij zou meteen zijn weggegaan als ik hem niet had tegengehouden. Hij wilde weggaan. Door mij bleef hij. Ik kan niet geloven dat hij een Duistervriend is.’

Morgase maakte een sussend gebaar naar haar dochter, maar ze bleef Rhand aankijken, is dit een Voorspelling, Elaida? Lees je nu het Patroon? Je zegt dat het je overvalt als je dat het minst verwacht en dat het even plotseling verdwijnt als het is gekomen. Als dit een Voorspelling is, Elaida, gebied ik je de waarheid duidelijk te uiten, zonder je gebruikelijke gewoonte haar in zoveel raadsels te hullen dat niemand meer weet of je ja of nee hebt gezegd. Spreek. Wat zie je?’

‘Dit voorspel ik,’ antwoordde Elaida, ‘en ik zweer bij het Licht dat ik het niet duidelijker kan zeggen. Vanaf deze dag marcheert Andor naar pijn en verdeeldheid. De Schaduw moet nog tot het zwartst verduisteren en ik kan niet zien of het Licht daarna zal volgen. Waar de wereld één traan heeft geplengd, zal ze nu duizenden storten. Dit is wat ik voorspel.’

Een doodse stilte hing in het vertrek, slechts verbroken door Morgase, die diep zuchtte alsof het haar laatste adem was.

Elaida bleef in Rhands ogen kijken. Weer sprak ze, bewoog amper haar lippen, zodat hij haar nog net kon horen, al stond ze op een armlengte van hem af. ‘Ook dit voorspel ik. Pijn en verdeeldheid komen over de gehele wereld en deze man staat in het hart ervan. Ik gehoorzaam de koningin,’ fluisterde ze, ‘en zeg het duidelijk.’

Rhand had een gevoel dat zijn voeten zich in het marmer hadden geworteld. De kou en hardheid van de stenen vloer kropen zijn benen binnen en stuurden een rilling langs zijn rug. Niemand anders kon het hebben gehoord. Maar ze bleef hem aankijken, en hij had het gehoord.

‘Ik ben een schaapherder,’ zei hij voor het gehele vertrek. ‘Uit Tweewater. Een schaapherder.’

‘Het Rad weeft wat het Rad wil,’ zei Elaida hardop, en hij kon niet zeggen of er een spoortje spot in haar stem lag of niet.

‘Heer Garet,’ zei Morgase. ‘Ik heb de raad van mijn kapitein-generaal nodig.’

De vierkante man schudde zijn hoofd. ‘Elaida Sedai zegt dat de knaap gevaarlijk is, mijn koningin, en als zij meer kon vertellen, dan zou ik zeggen: laat de beul komen. Maar alles wat zij zegt, is wat ieder van ons met eigen ogen kan zien. Er is geen boer in het land die niet zegt dat alles erger zal worden, zonder enige Voorspelling. Zelf geloof ik dat de jongen hier door louter toeval is beland, hoewel het voor hem een kwalijk toeval is. Om veilig te zijn, mijn koningin, zeg ik; gooi hem in een kerker, tot vrouwe Elayne en heer Gawein ruimschoots op weg zijn, en laat hem dan gaan. Tenzij, Aes Sedai, u betreffende hem meer te voorspellen hebt?’

‘Ik heb alles gezegd wat ik in het Patroon heb gelezen, kapitein-generaal,’ zei Elaida. Ze schonk Rhand een snelle, harde glimlach die nauwelijks haar lippen bewoog en bespotte zijn onvermogen te zeggen dat ze niet de waarheid sprak. ‘Een paar weken gevangenschap zullen hem geen kwaad doen en het geeft mij de kans meer te leren.’ Honger vulde haar ogen, maakte dat hij nog harder rilde. ‘Mogelijk komt er nog een Voorspelling.’

Een hele tijd dacht Morgase na, de kin op haar vuist en een elleboog op de leuning van haar troon. Rhand wilde zich bewegen onder haar gefronste blik, maar de ogen van Elaida zorgden ervoor dat hij stokstijf bleef staan. Ten slotte sprak de koningin.

‘Achterdocht smoort Caemlin, misschien geheel Andor. Vrees en zwarte achterdocht. Vrouwen maken hun buren uit voor Duistervrienden. Mannen krassen de Drakenrand op deuren van mensen die ze al jarenlang kennen. Ik zal daar niet aan meedoen.’

‘Morgase...’ begon Elaida, maar de koningin onderbrak haar.

‘Ik zal daar niet aan deelnemen. Toen ik de troon besteeg, zwoer ik voor allen, hoog en laag, het recht te handhaven en dat zal ik doen, zelfs als ik de laatste in Andor ben die zich gerechtigheid herinnert.

Rhand Altor, zweer je bij het Licht dat je vader, een schaapherder in Tweewater, jou dit reigerzwaard heeft geschonken?’

Rhand bewoog zijn mondspieren voor wat speeksel, zodat hij iets kon zeggen, ‘Ik zweer het.’ Opeens herinnerde hij zich tegen wie hij het had en hij voegde er haastig aan toe: ‘Mijn koningin.’ Heer Garet trok zijn dikke wenkbrauwen op, maar Morgase leek er niet om te geven.