Выбрать главу

‘Je hebt alleen de tuinmuur beklommen voor een blik op de valse Draak?’

‘Ja, mijn koningin.’

‘Beoog je de troon van Andor te schaden, of mijn dochter, of mijn zoon?’ Haar toon maakte duidelijk dat de laatste twee dingen hem nog minder vergeven zouden worden dan het eerste.

‘Ik beoog niemand te schaden, mijn koningin. Het minst van al u en de uwen.’

‘Dan zal ik je recht doen, Rhand Altor,’ zei ze. ‘Ten eerste, omdat ik een voordeel heb op Elaida en Garet, doordat ik de spraak van Tweewater heb gehoord toen ik jong was. Je hebt niet het uiterlijk, maar als een vage herinnering mij kan dienen, heb je de spraak van Tweewater. Ten tweede, niemand met jouw haar en ogen zal volhouden een schaapherder uit Tweewater te zijn, tenzij dat waar is. Dat jouw vader jou een reigerzwaard heeft gegeven, is te ongerijmd voor een leugen. En ten derde, de stem die me influistert dat de beste leugen vaak te belachelijk is om als leugen te worden aangemerkt... die stem is geen bewijs. Ik zal de wetten handhaven die ik heb gesteld. Ik geef je je vrijheid, Rhand Altor, maar ik stel voor dat je er in de toekomst op let waar je binnendringt. Als je wederom op het paleisgebied wordt aangetroffen, zal het je minder gemakkelijk vergaan.’

‘Dank u, mijn koningin,’ zei hij hees. Hij kon het ongenoegen van Elaida als hitte op zijn gezicht voelen.

‘Tallanvor,’ zei Morgase. ‘Begeleid deze... begeleid mijn dochters gast uit het paleis en betoon hem alle hoffelijkheid. De anderen mogen eveneens gaan. Nee, Elaida, jij blijft. En heer Garet, u eveneens, graag. Ik moet beslissen wat er aan die Witmantels in de stad moet worden gedaan.’

Tallanvor en de gardisten haalden met tegenzin hun handen van hun zwaarden, maar hielden zich klaar ze meteen weer te trekken. Toch liet Rhand zich graag omringen door de soldaten en was hij blij Tallanvor te volgen. Elaida luisterde slechts half naar wat de koningin zei; hij kon haar ogen op zijn rug voelen. Wat zou er zijn gebeurd als Morgase de Aes Sedai niet bij zich had gehouden? Bij deze gedachte wenste hij dat de soldaten sneller zouden lopen.

Tot zijn verbazing zeiden Elayne en Gawein buiten in de hal iets tegen elkaar en gingen toen naast hem lopen. Ook Tallanvor was verrast. De jonge luitenant keek van hen naar de dichtvallende deuren.

‘Mijn moeder,’ zei Elayne, heeft bevolen dat hij uit het paleis moet worden begeleid, Tallanvor. In alle hoffelijkheid. Waar wacht je op?’

Tallanvor keek grimmig naar de deuren waarachter de koningin overleg voerde met haar raadgevers. ‘Nergens op, mijn vrouwe,’ zei bij zuur en hij gaf het escorte het enigszins overbodige bevel verder te lopen.

De wonderen van het paleis gleden ongezien langs Rhand heen. Hij was in de war; allerlei gedachten tolden door zijn hoofd. Je hebt niet het uiterlijk. Deze man staat in het hart ervan.

Het escorte bleef staan. Hij knipperde met zijn ogen en zag geschrokken dat hij op het grote hof voor het paleis stond, bij de grote vergulde poorten die glansden in de zon. Die poorten zouden niet voor één man worden geopend, zeker niet voor een indringer, ook al had de erfdochter het gastrecht voor hem opgeëist.

Zwijgend ontgrendelde Tallanvor een uitvalspoort, een klein deurtje in een van de grote poorten.

‘Het is de gewoonte,’ zei Elayne, ‘om gasten tot aan de poorten uitgeleide te doen, maar niet om ze te zien gaan. Het is het genoegen van het gezelschap van de gast dat herinnerd dient te worden, niet de droefenis van het afscheid.’

‘Dank u, mijn vrouwe,’ zei Rhand. Hij raakte de sjaal aan die om zijn hoofd gebonden was. ‘Voor alles. Het is in Tweewater de gewoonte dat een gast een geschenkje meeneemt. Ik ben bang dat ik u niets kan aanbieden.’ Hij voegde er droogjes aan toe: ‘Al heb ik u blijkbaar iets geleerd over de mensen van Tweewater.’

‘Als ik tegen moeder had gezegd dat ik je knap vind, zou ze je zeker in een kerker hebben laten gooien.’ Elayne gaf hem een stralende glimlach. ‘Vaarwel, Rhand Altor.’

Met open mond zag hij haar teruglopen, een jongere uitgave van de schoonheid en waardigheid van Morgase.

‘Probeer bij haar niet met woorden te spelen,’ lachte Gawein. ‘Ze zal het altijd winnen.’

Rhand knikte afwezig. Knap? Licht, de erfdochter van de troon van Andor! Hij schudde zijn hoofd om zijn gedachten te ordenen. Gawein leek ergens op te wachten. Rhand keek hem even aan.

‘Mijn heer, toen ik u zei dat ik uit Tweewater kwam, was u verrast. En alle anderen, uw moeder, heer Garet, Elaida Sedai,’ hij voelde een huivering langs zijn rug gaan. ‘Geen van hen...’ Hij kon de zin niet afmaken, hij was er niet eens zeker van waarom hij erover was begonnen. Ik ben de zoon van Tham Altor, zelfs al ben ik niet in Tweewater geboren.

Gawein knikte alsof hij hierop had gewacht. Toch aarzelde hij nog. Rhand opende zijn mond om zijn onuitgesproken vraag terug te nemen, toen Gawein zei: ‘Wikkel een sjoefa om je hoofd, Rhand, en je zou het evenbeeld zijn van een Aielman. Vreemd, aangezien moeder schijnt te denken dat je klinkt als een man van Tweewater. Ik wilde dat we elkaar beter hadden leren kennen, Rhand Altor. Vaarwel.’

Een Aielman.

Rhand staarde naar Gaweins verdwijnende rug, tot een ongeduldig kuchje van Tallanvor hem eraan herinnerde waar hij was. Hij dook door het poortje dat op een haar na zijn hielen miste toen Tallanvor het achter hem dichtsmeet. De grendels aan de binnenkant werden luidruchtig dichtgeschoven.

Het langwerpige plein voor het paleis was nu leeg. Alle soldaten waren weg, alle menigten, alle trompetten en trommels waren in stilte verdwenen. Niets was er achtergebleven, behalve het afval dat over de stenen werd weggeblazen en enkele mensen die zich aan hun eigen zaken wijdden nu de opwinding was verdwenen. Hij kon niet zien of ze het wit of het rood droegen. Aielman.

Geschrokken besefte hij dat hij vlak voor de paleispoorten stond, precies waar Elaida hem gemakkelijk kon vinden als ze klaar was bij de koningin. Hij trok zijn mantel om zich heen en zette het op een sukkeldrafje. Op het plein en in de straten van de Binnenstad keek hij vaak om, maar niemand volgde hem en de bochtige wegen belemmerden zijn zicht. Maar Elaida’s ogen herinnerde hij zich maar al te goed en hij verbeeldde zich dat ze hem zochten. Tegen de tijd dat hij de poorten van de Nieuwe Stad bereikte, rende hij.

41

Oude vrienden en nieuwe gevaren

Terug bij De Koninginnezegel liet Rhand zich hijgend tegen de deurpost zakken. Hij had het hele stuk gerend en had er niet om gemaald of iemand het rood had gezien of achter hem was aangegaan omdat hij holde. Hij dacht dat zelfs een Schim hem niet had kunnen pakken. Langwin zat op een bankje naast de deur met een lapjeskat in zijn armen toen hij kwam aanrennen. De man stond op om te kijken of er ergens achter Rhand moeilijkheden waren, maar bleef kalm achter de oortjes van de kat krabbelen. Toen hij niets zag, ging hij weer zitten, voorzichtig, oppassend dat het dier niet schrok. ‘Stommelingen probeerden een tijdje terug enkele katten te stelen,’ zei hij. Hij bekeek zijn knokkels even voor hij verderging met de kat aaien. ‘Katten kosten veel vandaag de dag.’

De twee mannen met het wit stonden nog aan de overkant. Rhand zag dat de ene een blauw oog en een dikke kaak had. Die man keek chagrijnig en streek knorrig en gretig langs zijn zwaardgevest, terwijl hij naar de herberg bleef kijken.

‘Waar is baas Gil?’ vroeg Rhand.

‘Boekenkamer,’ antwoordde Langwin. De kat begon te spinnen en hij grijnsde. ‘Een kat blijft nooit lang van streek, zelfs niet als iemand hem in een zak heeft willen stoppen.’

Rhand haastte zich naar binnen, door de gelagkamer, nu net als anders vol mannen met rood die bij hun bier zaten te kletsen. Over de valse Draak, en of de Witmantels nog herrie zouden schoppen als hij naar het noorden werd gebracht. Niemand maakte het uit wat er met Logain zou gebeuren, maar ze wisten allemaal dat de erfdochter en heer Gawein in de groep zouden meereizen. Geen enkele bezoeker zou dulden dat ze tijdens die reis gevaar zouden lopen.