Выбрать главу

Hij vond baas Gil inderdaad in de boekenkamer, waar hij Steen speelde met Loial. Een dikke, bruingestreepte kat zat op de tafel, de voetjes onder zich, en keek naar hun handen die over het bord met de kruisende lijnen bewogen.

De Ogier plaatste een andere steen. Ondanks zijn dikke vingers was het gebaar heel verfijnd. Hoofdschuddend gebruikte baas Gil de binnenkomst van Rhand als smoes om zich van de tafel af te wenden. Loial won bijna altijd met Steen, ‘Ik begon me al zorgen te maken waar je bleef, kerel. Dacht dat je misschien last had gekregen van enkele witte verraders of die bedelaar tegen het lijf was gelopen, zoiets.’

Heel even bleef Rhand hem met open mond aankijken. Hij was die lompenman totaal vergeten. ‘Die heb ik wel gezien,’ zei hij eindelijk, ‘maar dat was niks. Ik heb ook de koningin gezien, en Elaida, en dat waren de echte moeilijkheden.’

Baas Gil lachte snuivend. ‘De koningin, hè? Nee maar. We hadden net nog Garet Brin in de gelagkamer en die was aan het armpje drukken met de kapiteinheer van de Kinderen, maar een koningin, nou, dat is weer eens wat anders.’

‘Bloed en as,’ gromde Rhand, ‘vandaag denkt iedereen dat ik sta te liegen.’ Hij gooide zijn mantel over de rug van een stoel, trok de zijden sjaal van zijn hoofd en liet zich op een andere stoel neerploffen. Hij was te opgewonden om zich te ontspannen. Hij zat stijf op het puntje van zijn stoel en veegde met zijn mouw zijn gezicht droog. ‘Ik heb de bedelaar gezien en hij zag mij en ik dacht... Dat is onbelangrijk. Ik ben op een muur geklommen die rond een tuin stond, vanwaar ik het grote plein voor het paleis kon zien, waar Logain zou langskomen. En toen viel ik eraf, aan de binnenkant.’

‘Ik begin bijna te geloven dat je geen grapje maakt,’ zei de herbergier langzaam.

‘Ta’veren,’ mompelde Loial.

‘O, zo was het écht,’ zei Rhand. ‘Licht sta me bij, zo en niet anders.’

Baas Gils laatdunkendheid smolt weg toen hij verder vertelde en ging over in ontsteltenis. De herbergier begon zich meer en meer naar hem toe te buigen tot hij net als Rhand op het puntje van zijn stoel zat. Loial luisterde onaangedaan mee, hoewel hij regelmatig langs zijn brede neus streek en de toefjes op zijn oren kleine schokjes vertoonden.

Rhand vertelde alles wat er was gebeurd, alles behalve wat Elaida hem had toegefluisterd. En wat Gawein aan de paleispoort had gezegd. Over het eerste wilde hij niet verder denken en het andere had helemaal nergens mee te maken. Ik ben de zoon van Tham Altor, zelfs al ben ik niet in Tweewater geboren. Dat ben ik! Ik heb het bloed van Tweewater in me en Tham is mijn vader.

Opeens besefte hij dat hij niets meer zei en in zijn eigen gedachten verdiept was, en dat ze hem zaten aan te kijken. Een paniekerig moment vroeg hij zich af of hij niet te veel had verteld.

‘Nou, voor jou is het wachten op je vrienden afgelopen. Je zult de stad uit moeten, en snel ook. Op zijn hoogst binnen twee dagen. Kun je Mart in die tijd overeind krijgen of zal ik moeder Grub laten halen?’

Rhand keek hem verbijsterd aan. ‘Twee dagen?’

‘Elaida is de raadgeefster van koningin Morgase en volgt in rang meteen op kapitein-generaal Garet Brin zelf. Misschien staat ze er wel boven. Als zij de koninginnegarde naar jou laat zoeken... Heer Garet zal haar niet tegenhouden, tenzij ze hun andere plichten in de weg staat. Nou, de soldaten kunnen in twee dagen elke herberg in Caemlin hebben nagezocht. Maar als we pech hebben, kunnen ze hier door puur toeval al in het eerste uur van de eerste dag binnenstappen. Misschien hebben we wat tijd als ze bij De Kroon en Leeuw beginnen, maar niet om te treuzelen.’

Rhand knikte langzaam. ‘Als ik Mart niet uit bed krijg, mag u moeder Grub erbij halen. Ik heb nog wat geld over. Misschien net genoeg.’

‘Ik regel dat met moeder Grub,’ zei de herbergier bruusk. ‘En ik neem aan dat ik jullie wel een paar paarden kan lenen. Als jullie proberen naar Tar Valon te lopen, dan zul je de rest van je zolen versleten hebben voor je halverwege bent.’

‘U bent een goede vriend,’ zei Rhand. ‘Het lijkt erop dat we u alleen maar ellende hebben bezorgd, maar nog steeds wilt u ons helpen. Een goede vriend.’

Baas Gil keek verlegen. Hij haalde zijn schouders op, schraapte zijn keel en keek omlaag, waardoor zijn ogen op het bord met de stenen vielen. Hij wendde zijn ogen snel af. Loial was zeker aan de winnende hand. ‘Tja, nou, Thom is altijd een goede vriend van me geweest. Als hij jullie wilde helpen, dan kan ik ook wel iets doen.’

‘Ik zou graag met je mee willen gaan, Rhand,’ zei Loial opeens, ’Ik dacht dat we het daarover al hadden gehad, Loial.’ Hij aarzelde – baas Gil kende nog steeds niet de volle omvang van het gevaar – en voegde eraan toe: ‘Jij weet wat Mart en mij te wachten staat, wat ons achtervolgt.’

‘Duistervrienden,’ antwoordde de Ogier met een onbewogen gerommel, ‘en de Aes Sedai en het Licht weet wat nog meer. Of de Duistere. Jij gaat naar Tar Valon en daar is een zeer mooie gaarde, waarover ik heb gehoord dat de Aes Sedai hem goed bijhouden. In ieder geval is er meer te zien in de wereld dan de gaarden. Jij bent echt ta’veren, Rhand. Het Patroon weeft zich om jou en jij staat in het hart ervan.’

Deze man staat in het hart ervan. Rhand voelde zich koud worden.

‘Ik sta nergens, in geen enkel hart,’ zei hij ruw.

Baas Gil knipperde met zijn ogen en zelfs Loial leek van zijn boosheid te schrikken. De herbergier en de Ogier keken naar elkaar en toen weer naar de tafel. Rhand dwong zichzelf tot rust te komen en haalde enkele malen diep adem. Wonderlijk genoeg vond hij de leegte die hem de laatste tijd zo vaak was ontgaan, en kalmte. Zij hadden zijn boosheid niet verdiend.

‘Je mag mee, Loial,’ zei hij. ‘Ik weet niet waarom je dat wilt, maar ik ben je dankbaar dat je me gezelschap wilt houden. Je... je weet hoe Mart is.’

‘Ik weet het,’ zei Loial. ‘Ik kan nog steeds niet de straat op zonder dat een woeste menigte achter me aankomt en me voor “Trollok” uitscheldt. Maar Mart gebruikt alleen maar woorden. Hij heeft niet geprobeerd mij te doden.’

‘Natuurlijk niet,’ zei Rhand. ‘Mart? Nooit!’ Zo ver zou hij niet gaan. Mart niet.

Er werd geklopt en Gilda, een van de dienstmeisjes, stak haar hoofd om de deur. Haar mond stond strak en haar ogen bezorgd. ‘Baas Gil, kom snel, alstublieft. Er zijn Witrnantels in de gelagkamer.’

Baas Gil sprong met een vloek op, zodat de kat van de tafel sprong en met een stijve staart, beledigd, de kamer uitglipte, ‘ik kom eraan. Ga gauw zeggen dat ik eraan kom en blijf verder uit hun buurt. Hoor je me, meisje? Bemoei je er niet mee.’ Gilda knikte heftig en verdween. ‘Jij kunt maar beter hier blijven,’ zei hij tegen Loial.

De Ogier snoof, een geluid of lakens werden gescheurd, ik heb geen enkel verlangen de Kinderen van het Licht nog eens te ontmoeten.’

Baas Gils oog viel op het Steenbord en zijn humeur leek te verbeteren. ‘Het ziet ernaar uit dat we het spel later opnieuw op moeten zetten.’

‘Geen nood.’ Loial reikte naar een van de planken en pakte een boek in zijn handen verzonk de linnen band in het niet. ‘We kunnen verder spelen met dezelfde stand. U bent aan de beurt.’

Baas Gil maakte een grimas. ‘Als het ‘t ene niet is, dan wel iets anders,’ mopperde hij toen hij zich de kamer uit haastte.

Rhand volgde hem, maar trager. Hij had even weinig zin als Loial om betrokken te raken bij de Kinderen. Deze man staat in het hart ervan. Hij bleef bij de deur naar de gelagkamer staan, waar hij kon zien wat er gebeurde, maar ver genoeg op de gang om hopelijk niet gezien te worden.

Er hing een doodse stilte in het vertrek. Vijf Witmantels stonden midden in de ruimte en werden opzichtig genegeerd door de mensen aan de tafels. Een had de zilveren bliksem van een officier onder de zonnekrans op zijn mantel. Langwin hing tegen de muur bij de voordeur en maakte heel aandachtig zijn nagels schoon met een splinter. Vier andere bewakers die Gil had ingehuurd, stonden verspreid langs dezelfde muur en negeerden de Witmantels aandachtig. Als de Kinderen van het Licht iets opviel, dan lieten ze dat niet merken. Alleen de officier toonde zijn gevoelens door ongeduldig zijn met staal beklede handschoenen tegen zijn handpalm aan te slaan terwijl hij op de herbergier stond te wachten.