Baas Gil liep snel het vertrek door, met een behoedzame nietszeggende blik op zijn gezicht. ‘Het Licht verlichte jullie,’ zei hij met een zorgvuldige buiging, niet te diep, maar ook weer niet zo oppervlakkig dat het beledigend zou kunnen zijn, ‘en onze goede koningin Morgase. Waarmee mag ik...’
‘Ik heb geen tijd voor je geklets, waard,’ snauwde de officier, ‘ik ben vandaag al in twintig uitspanningen geweest en elk was een nog ergere varkensstal dan de vorige, en ik zal er nog twintig zien voor de zon daalt. Ik ben op zoek naar Duistervrienden, een jongen uit Tweewater...’
Baas Gils gezicht werd met ieder woord roder. Hij stond te grommen als een ver onweer en ten slotte bliksemde hij het verhaal van de Witmantel neer. ‘Er zijn geen Duistervrienden in mijn zaak! Iedere man hier is een goede koninginneklant.’
‘Ja, en we weten allemaal waar Morgase voor staat.’ De officier verdraaide de naam van de koningin tot een sneer, ‘met haar heks van Tar Valon, nietwaar?’
Luid klonk het geschraap van stoelpoten. Plotseling was elke man in het vertrek op de been. Ze stonden stil als beelden, maar allen keken grimmig naar de Witmantels. De officier leek het niet te zien, maar de vier achter hem keken ongerust om zich heen.
‘Het zal gemakkelijker voor je zijn, waard,’ zei de man, ‘als je meewerkt. De tijden zijn heel slecht voor mensen die Duistervrienden onderdak verlenen. Ik denk niet dat een uitspanning met een Drakentand op de deur nog veel klandizie krijgt. Zou problemen krijgen met vuur, met zoiets op je deur.’
‘Je maakt nu dat je wegkomt,’ zei baas Gil kalm, ‘of ik laat de garde erbij halen om wat er van jullie over is naar de belt te kruien.’
Langwins zwaard zoefde uit zijn schede en in de hele kamer klonk het grove gerasp van staal langs leer, terwijl er zwaarden en dolken verschenen. Dienstmeiden haastten zich het vertrek uit.
De officier keek ongelovig en verachtelijk rond. ‘De Drakentand...’
‘Helpt je nog maar vijf tellen,’ maakte baas Gil de zin voor hem af. Hij stak een gebalde vuist op en strekte zijn wijsvinger. ‘Eén.’
‘Je lijkt wel gek, waard, de Kinderen van het Licht zo te bedreigen.’
‘Witmantels stellen de wet in Caemlin niet. Twee.’
‘Je denkt toch zeker niet dat het hiermee is afgelopen?’
‘Drie.’
‘We komen terug,’ snauwde de Witmantel en liet toen snel zijn mannen keren. Hij probeerde net te doen of ze ordelijk en alleen omdat hij dat wilde de herberg verlieten. Zijn mannen werkten niet erg mee door gretig op de deur af te stappen. Ze holden wel niet, maar maakten er ook geen geheim van dat ze naar buiten wilden.
Langwin stond dwars voor de deur met zijn zwaard en liet ze alleen door omdat baas Gil heftige gebaren maakte. Toen de Witmantels buiten stonden, liet de herbergier zich zwaar op een stoel vallen. Hij wreef met zijn hand over zijn voorhoofd en staarde ernaar, alsof hij verbaasd was dat die niet onder het zweet zat. In het hele vertrek gingen de mensen weer zitten, lachend om wat ze net hadden klaargespeeld. Sommigen liepen naar baas Gil toe en gaven hem een klap op zijn schouder.
Toen hij Rhand zag, werkte de herbergier zich omhoog en liep naar hem toe. ‘Wie zou er ooit hebben gedacht dat er een held in me stak?’ vroeg hij verbaasd. ‘Het Licht verlichte me.’ Opeens vermande hij zich en zijn stem klonk weer vrijwel als vanouds. ‘Je zult uit het zicht moeten blijven tot ik je de stad uit kan helpen.’ Hij keek behoedzaam de gelagkamer in en duwde Rhand verder de gang in. ‘Dat stel komt zeker terug, of anders een paar spionnen die zich met rood zullen tooien. Na die kleine opvoering van mij betwijfel ik of ze zich nog erg om jou zullen bekommeren, maar ze zullen net doen alsof je nog hier bent.’
‘Het is belachelijk,’ protesteerde Rhand luid. Na een gebaar van de herbergier praatte hij zachter. ‘De Witmantels hebben geen enkele reden om mij te zoeken.’
‘Het gaat nu niet om een reden, kerel, maar ze zoeken jou en Mart, dat is wel heel zeker. Wat heb je allemaal uitgespookt? Elaida én de Witmantels.’
Rhand hief zijn handen om hem tegen te spreken en liet ze toen weer zakken. Het was onverklaarbaar, maar hij had de Witmantel ook gehoord. ‘En hoe staat het met u? De Witmantels zullen u nog veel last bezorgen, ook als ze ons niet vinden.’
‘Maak je daarover maar geen zorgen, kerel. De koninginnegarde handhaaft hier nog steeds de wet, ook al laten ze die witte verraders vrij rondlopen. Wat ’s nachts betreft... nou, Langwin en zijn vrienden zullen weinig slaap krijgen, maar ik zou bijna medelijden krijgen met degene die een teken op mijn deur wil zetten.
Gilda voegde zich bij hen en maakte een kleine kniebuiging voor baas Gil. ‘Baas, er is... er is een vrouwe. In de keuken.’ Het klonk of ze die twee dingen samen een schandaal vond. ‘Ze vraagt naar meester Rhand, baas, en meester Mart. Met naam en toenaam.’
Rhand en de herbergier keken elkaar verwonderd aan.
‘Kerel,’ zei baas Gil, ‘als het je echt gelukt is vrouwe Elayne van het paleis naar mijn herberg te halen, komen we allemaal op een rijtje voor de beul te staan.’ Gilda slaakte een gilletje toen ze de naam van de erfdochter hoorde en keek Rhand met grote ogen aan. ‘Ga aan je werk, meisje,’ zei de herbergier scherp, ‘en houd je mond over wat je hebt gehoord. Daar heeft niemand wat mee te maken.’ Gilda knikte weer en schoot weg, de gang in, maar keek vaak om naar Rhand.
‘Binnen vijf minuten,’ zuchtte baas Gil, ‘zal ze de andere meiden verrellen dat je een vermomde prins bent. Als de nacht valt, is het overal in de Nieuwe Stad bekend.’
‘Baas Gil,’ zei Rhand, ‘ik heb Mart nooit genoemd bij Elayne. Dat kan niet de...’ Opeens verscheen er een brede glimlach op zijn gezicht en rende hij naar de keuken toe.
‘Wacht!’ riep de herbergier hem achterna. ‘Wacht tot je weet wie...! Wacht, idioot!’
Rhand gooide de deur naar de keuken open en daar stonden ze. Moiraine keek hem zonder enige verbazing kalm aan. Nynaeve en Egwene snelden lachend op hem af en sloegen hun armen om hem heen, terwijl Perijn zich bij hen aansloot. Alledrie klopten ze hem op zijn schouders, alsof ze zich ervan wilden overtuigen dat hij het echt was. In de deuropening naar de binnen plaats stond Lan met een laars tegen de deurpost, zijn aandacht verdelend tussen de keuken en het erf buiten.
Rhand probeerde tegelijk de twee vrouwen te omhelzen en Perijn een hand te geven; het werd een verwarde verstrengeling van armen en gelach, die bemoeilijkt werd door Nynaeve, die probeerde aan zijn gezicht te voelen of hij koorts had. Ze leken afgemat van de reis. Perijn had blauwe plekken op zijn gezicht en hij hield zijn ogen op de grond gericht, wat hij nooit eerder had gedaan, maar ze waren in leven en weer bij elkaar. Zijn keel leek zo dichtgeknepen dat hij amper kon praten. ‘Ik was bang dat ik jullie nooit meer zou zien,’ slaagde hij er eindelijk in te zeggen, ‘ik was bang dat jullie allemaal...’
‘Ik wist dat je nog leefde,’ zei Egwene tegen zijn borst, ‘ik wist het. Altijd.’
‘Ik niet,’ zei Nynaeve. Haar stem klonk heel even scherp, maar was het volgende ogenblik weer zacht en ze keek glimlachend naar hem op. ‘Je ziet er goed uit, Rhand. Zeker niet al te goed gevoed, maar het Licht zij dank – wel goed.’
‘Eh...’ zei baas Gil achter hem, ‘ik mag aannemen dat je deze mensen dus inderdaad kent. Zijn dit de vrienden die je zocht?’
Rhand knikte. ‘Ja, mijn vrienden.’ Hij stelde iedereen aan de herbergier voor; het voelde nog steeds vreemd om de echte namen van Lan en Moiraine te noemen. Ze keken hem allebei scherp aan toen hij het deed.