De herbergier begroette iedereen met een open lach, maar was behoorlijk onder de indruk dat hij een zwaardhand ontmoette, en helemaal een Aes Sedai. Haar keek hij echt met open mond aan. Het was één ding te weten dat een Aes Sedai de jongens had geholpen, maar iets geheel anders om haar in je eigen keuken te zien. Toen maakte hij echter een diepe buiging. ‘U bent welkom in De Koninginnezegen, Moiraine Sedai, en u bent mijn gast. Hoewel ik aanneem dat u in het paleis wilt blijven, bij Elaida Sedai en de Aes Sedai die met de valse Draak zijn meegekomen.’ Hij maakte nog een diepe buiging en keek Rhand snel en bezorgd aan. Het was allemaal heel best dat hij nooit kwaad sprak van een Aes Sedai, maar dat wilde nog niet zeggen dat hij er een in zijn herberg wilde hebben.
Rhand knikte hem bemoedigend toe en probeerde hem zwijgend duidelijk te maken dat het allemaal in orde was. Moiraine was geen Elaida, die achter iedere blik, onder ieder woord een dreigement verborg. Weet je dat zeker? Zelfs nu, weet je het zeker?
‘Ik geloof dat ik hier zal blijven,’ zei Moiraine, ‘voor die korte tijd dat ik in Caemlin ben. En u moet me toestaan ervoor te betalen.’
Een lapjeskat wandelde vanuit de gang naar binnen en begon kopjes te geven tegen de enkels van de herbergier. De lapjeskat was net begonnen of een wollige grijze poes sprong onder de tafel vandaan, kromde haar rug en begon te blazen. De lapjeskat dook dreigend grommend ineen en de grijze schoot langs Lan het erf op.
Baas Gil begon zich te verontschuldigen voor de katten en protesteerde tegelijkertijd dat ze hem vereerde als ze zijn gast wilde zijn, en wist ze zeker dat ze niet liever naar het paleis wilde, want daar kon hij best inkomen, maar hij hoopte dat zij zijn mooiste kamer als geschenk wilde aanvaarden. Het was allemaal wat verwarrend, maar Moiraine leek er absoluut geen aandacht aan te schenken. In plaats daarvan bukte ze zich en begon de oranje-witte kat te aaien, waarna die prompt baas Gils enkels verruilde voor de hare.
‘Ik heb nu al vier verschillende katten gezien,’ zei ze. ‘Hebt u last van muizen? Ratten?’
‘Ratten, Moiraine Sedai.’ De herbergier zuchtte. ‘Een verschrikkelijk probleem. Niet dat ik mijn zaak niet proper houd, begrijp me goed. Het komt door al die mensen. De hele stad zit vol mensen en ratten.
Maar mijn katten weten daar wel raad mee. Ik beloof u dat u geen last van ze zult hebben.’
Rhands ogen kruisten even die van Perijn, die meteen daarna weer naar de vloer keek. Er was iets vreemds aan Perijns ogen. En hij was zo stil; Perijn praatte nooit vlot, maar nu zei hij helemaal niets. ‘Het kan door al die mensen komen,’ zei hij.
‘Als u me toestaat, baas Gil,’ zei Moiraine, alsof ze het de gewoonste zaak ter wereld vond. ‘Het is heel simpel om ratten uit deze straat te houden. Als we geluk hebben, zullen de ratten niet eens weten dat ze worden weggehouden.’
Baas Gil keek haar bij dat laatste fronsend aan, maar boog en nam het aanbod aan. ‘Als u zeker weet dat u niet liever in het paleis bent, Aes Sedai.’
‘Waar is Mart?’ vroeg Nynaeve opeens. ‘Zij zei dat hij ook hier was.’
‘Boven,’ zei Rhand. ‘Hij... hij voelt zich niet lekker.’
Nynaeves hoofd schoot omhoog. ‘Is hij ziek? Dan laat ik de ratten aan haar over en houd ik me met hem bezig. Breng me nu naar hem toe, Rhand.’
‘Jullie gaan allemaal naar boven,’ zei Moiraine. ‘Ik kom zo bij jullie. We maken het hier in baas Gils keuken veel te vol en het zou het beste zijn, als we allemaal ergens een tijdje bij elkaar kunnen zijn.’ In haar woorden klonk een boodschap door. Laat je niet zien. We moeten ons nog steeds schuilhouden.
‘Kom mee’ zei Rhand. ‘We nemen de achtertrap.’
De Emondsvelders volgden hem naar boven en lieten de Aes Sedai en de zwaardhand in de keuken achter, met baas Gil. Rhand kon er maar niet over uit dat ze weer bij elkaar waren. Bijna alsof ze thuis waren. Hij bleef maar grinniken.
Dezelfde vrolijke opluchting scheen de anderen te beïnvloeden. Ze liepen zacht in zichzelf te lachen en bleven maar in zijn armen knijpen. Perijn leek wat bedrukt en hij hield zijn hoofd omlaag, maar hij begon te praten toen ze de trap opliepen.
‘Moiraine zei dat ze jou en Mart kon vinden, en ze heeft het gedaan. Toen we de stad inreden, zaten we maar rond te kijken – nou ja, wij dan, Lan natuurlijk niet – naar al die mensen, die huizen, alles.’ Zijn dikke krullen zwierden rond toen hij ongelovig zijn hoofd schudde.
‘Het is allemaal zo groot. En zoveel mensen. Sommigen bleven naar ons staren en schreeuwden “Rood of wit?” alsof dat iets betekende.’
Egwene raakte Rhands zwaard aan en tikte tegen de rode wikkels.
‘Wat betekent dat?’
‘Niets,’ zei hij. ‘Niets belangrijks. We gaan toch gauw naar Tar Valon, weet je nog?’
Egwene keek hem even aan, maar ze haalde haar hand van het zwaard af en ging verder waar Perijn was opgehouden. ‘Moiraine keek nauwelijks meer rond dan Lan. Ze voerde ons zo vaak door die straten heen en weer, als een hond die een geur volgt, dat ik dacht dat jullie hier niet zouden zijn. En toen, opeens, sloeg ze een straat in en vervolgens merkten we dat we de paarden aan de stalknechten overgaven en de keuken instapten. Ze vroeg niet eens of jullie daar waren. Ze zei gewoon tegen een vrouw die deeg stond te mengen dat ze Rhand Altor en Mart Cauton moest zeggen dat iemand hen wilde spreken. En daar was je opeens,’ ze grinnikte, ‘als een bal die uit het niets in de hand van een speelman opspringt.’
‘Waar is de speelman?’ vroeg Perijn, ‘is hij niet hier?’
Rhands maag kromp ineen en het prettige gevoel dat zijn vrienden eindelijk hier waren, zakte weg. ‘Thorn is dood. Ik denk dat hij dood is. Er was een Schim...’ Hij kon niet verdergaan. Nynaeve schudde haar hoofd en mompelde binnensmonds.
De stilte rond hen werd sterker, verstikte de lachjes, dempte de vreugde tot ze boven waren.
‘Mart is... je kunt hem niet ziek noemen,’ zei hij toen. ‘Het is... Kijk zelf maar.’ Hij gooide de deur open van de kamer die hij met Mart deelde. ‘Kijk eens wie hier zijn, Mart!’
Mart lag nog steeds helemaal opgekruld, precies zoals toen Rhand de stad was ingegaan. Hij hief zijn hoofd en staarde hen aan. ‘Hoe weet je dat zij het echt zijn en niet mensen die erop lijken,’ zei hij schor. Zijn gezicht was rood en opgezet, de huid strak en glad van het zweet. ‘Hoe weet ik dat jullie zijn op wie jullie lijken?’
‘Niet ziek?’ Nynaeve keek Rhand minachtend aan, stampte langs hem heen en liet haar tas al van haar schouder zakken.
‘Iedereen verandert,’ raspte Mart. ‘Hoe kan ik zeker zijn? Perijn? Ben jij het? Je bent veranderd, weet je dat?’ Zijn lach klonk meer als gekuch. ‘O ja, je bent veranderd’
Tot Rhands verbazing liet Perijn zich op de rand van het andere bed zakken, hield zijn hoofd in zijn handen en staarde naar de vloer. Marts schelle gelach leek hem neer te sabelen.
Nynaeve knielde naast Mart neer, legde een hand op zijn gezicht en duwde zijn hoofddoek omhoog. Hij rukte zijn hoofd opzij, met een verachtende blik. Zijn ogen waren glazig van de koorts. ‘Je bent gloeiend heet,’ zei ze, ‘maar met zo’n koorts zou je niet zoveel mogen zweten.’ Ze kon de bezorgdheid niet uit haar stem bannen. ‘Rhand en Perijn, haal wat schone doeken en zoveel koud water als je kunt dragen. Ik ga eerst zorgen dat je afkoelt, Mart, en dan..’
‘Knappe Nynaeve,’ spoog Mart. ‘Een Wijsheid wordt niet geacht zichzelf als een vrouw te zien, is het wel? Niet als een knappe vrouw. Maar jij wel, hè? Nu. Je moet er nu steeds weer aan denken dat je een knappe vrouw bent, en dat maakt je bang. Iedereen verandert.’
Nynaeves gezicht werd bij zijn woorden steeds bleker. Of het boosheid was of iets anders, kon Rhand niet zeggen. Mart lachte sluw en zijn koortsige ogen gleden naar Egwene toe. ‘Knappe Egwene,’ kraakte zijn stem. ‘Net zo knap als Nynaeve. En jullie delen nu dezelfde dingen, is het niet? Andere dromen. Waar droom jij nu van?’ Egwene deed een stap terug van het bed.