Выбрать главу

‘Voor zolang het duurt, zijn we veilig voor de ogen van de Duistere,’ kondigde Moiraine aan toen ze de kamer binnenstapte met Lan op haar hielen. Haar ogen vielen op Mart toen ze door de deuropening stapte. Ze siste alsof ze een hete kachel had aangeraakt. ‘Ga bij hem vandaan!’

Nynaeve bewoog niet, maar richtte zich op om de Aes Sedai verrast aan te gapen. Met twee stappen greep Moiraine de Wijsheid bij haar schouders en sleepte haar als een zak graan van het bed weg. Nynaeve stribbelde tegen en wilde wat zeggen, maar Moiraine liet haar pas los toen ze een eind van het bed af was. De Wijsheid bleef tegen haar mopperen toen ze opstond en kwaad haar kleren afsloeg, maar Moiraine negeerde haar volledig. De Aes Sedai stond naar Mart te kijken en had nergens anders oog voor; ze hield hem in het oog alsof hij een gifslang was.

‘Jullie allemaal, blijf uit zijn buurt,’ zei ze. ‘En wees stil.’

Mart staarde haar even fel aan. Hij ontblootte zijn tanden in een stille, opengesperde snauw en kromp zelfs nog meer in elkaar, maar hij bleef naar haar kijken. Langzaam legde ze een hand op hem, heel licht, op een knie die hij tegen zijn borst hield geklemd. Hij schokte toen ze hem aanraakte, een siddering van afkeer die zijn hele lichaam verkrampte. Opeens schoot zijn hand te voorschijn en hakte hij met de robijndolk naar haar gezicht.

Het ene moment stond Lan nog bij de deur, het volgende moment stond hij naast het bed, alsof hij de tussenliggende ruimte had overgeslagen. Hij had Marts pols gegrepen en hield de houw tegen alsof die steen had getroffen. Toch bleef Mart nog steeds als een bal liggen. Alleen de hand met de dolk probeerde te bewegen, worstelend tegen de onbeweeglijke greep van de zwaardhand. Marts ogen lieten Moiraine niet los, ze brandden van haat.

Moiraine had zich evenmin bewogen. Ze trok zich niet terug voor het wapen, dat slechts een paar duim van haar gezicht af was, zoals ze evenmin was weggedoken toen hij het wapen had getrokken. ‘Hoe is hij hieraan gekomen?’ vroeg ze met een stalen stem. ‘Ik heb gevraagd of Mordeth jullie iets had gegeven. Ik heb het gevraagd en ik heb je gewaarschuwd en jullie zeiden dat hij het niet had gedaan.’

‘Hij heeft niets...’ zei Rhand. ‘Hij... Mart heeft het uit de schatkamer meegenomen.’ Moiraine keek hem aan, haar ogen leken net zo fel te branden als die van Mart. Hij deed bijna een stap achteruit voor ze zich weer naar het bed wendde, ik wist het niet totdat we elkaar kwijtraakten. Ik had geen idee. Ik wist het niet.’

‘Je wist het niet.’ Moiraine bekeek Mart. Hij lag doodstil, met zijn knieën opgetrokken tegen zijn borst. Op zijn gezicht lag een stille grauw en zijn hand vocht nog steeds tegen Lan om haar met de dolk neer te steken. ‘Je mag het Licht danken dat jullie met dit ding nog zo ver zijn gekomen. Ik voelde het kwaad toen ik hem zag, voelde de bezoedeling van Mashadar, maar een Schim zou het spannen ver kunnen voelen. Zelfs al zou hij niet precies weten waar het was, hij zou weten dat het dichtbij was en Mashadar zou zijn geest aantrekken, terwijl zijn botten nog weten dat ditzelfde kwaad een leger heeft verzwolgen – Gruwheren, Myrddraal, Trolloks, allemaal. Sommige Duistervrienden kunnen de dolk waarschijnlijk ook voelen. Zij die waarlijk hun ziel hebben weggeschonken. Zij zouden verbaasd zijn het te voelen, alsof de lucht om hen heen jeukte. Ze zouden gedwongen zijn ernaar te zoeken. Mashadar zou hen aantrekken zoals een magneet ijzervijlsel aantrekt.’

‘Er waren Duistervrienden,’ zei Rhand, ‘meer dan eens, maar we konden ontsnappen. En een Schim, de nacht voor we in Caemlin aankwamen, maar hij heeft ons nooit gezien.’ Hij kuchte even. ‘Er gaan geruchten van vreemde dingen in de nacht, buiten de stad. Het zouden Trolloks kunnen zijn.’

‘O, het zijn Trolloks, schaapherder,’ zei Lan droog. ‘En waar Trolloks zijn, zijn Schimmen.’ Pezen stonden kabeldik op de rug van zijn hand door de inspanning om Marts pols vast te houden, maar in zijn stem was dat niet te horen. ‘Ze hebben getracht zich schuil te houden, maar ik heb al twee dagen duidelijke tekens gezien. En ik heb boeren en dorpelingen horen mopperen over dingen in de nacht. De Myrddraal zijn er op de een of andere manier in geslaagd onverhoeds in Emondsveld toe te slaan, maar iedere dag komen ze dichter bij degenen die soldaten op ze af kunnen sturen. Desondanks zullen ze nu niet stoppen, schaapherder.’

‘Maar we zijn in Caemlin,’ zei Egwene. ‘Ze kunnen niet bij ons komen, zolang...’

‘O nee?’ onderbrak de zwaardhand haar. ‘De Schimmen verzamelen zich op het platteland. Dat is duidelijk te zien als je weet waar je op moet letten. Er zijn al meer Trolloks dan ze nodig hebben om elke toegangsweg naar de stad te bewaken, minstens een tiental vuisten. Daar kan maar één reden voor zijn: wanneer de Schimmen genoeg Trolloks hebben, zullen ze om jullie de stad binnenvallen. Daardoor zal mogelijk de halve strijdmacht uit het zuiden naar de Grenslanden trekken, maar het bewijst dat ze bereid zijn dat risico te nemen. Jullie drieën zijn te vaak ontsnapt. Het ziet ernaar uit dat jullie een nieuwe Trollok-oorlog naar Caemlin hebben gebracht, schaapherder.’

Egwene snikte verstikt en Perijn schudde zijn hoofd, alsof hij het wilde ontkennen. Rhand voelde zich misselijk van binnen als hij aan Trolloks dacht in de straten van Caemlin. Al die mensen die elkaar in de stad al naar het leven stonden en niet beseften dat het echte gevaar buiten de stadswallen wachtte. Wat zouden ze doen als er opeens Schimmen en Trolloks in de straten stonden en hen doodden? Hij kon zich de brandende torens al voorstellen, de vlammen die uit de koepels sloegen, Trolloks die de bochtige straten en de uitkijkpunten in de Binnenstad afschuimden. Het paleis zelf in vlammen. Elayne, Gawein en Morgase... dood.

‘Nog niet,’ zei Moiraine verstrooid. Ze keek nog steeds gespannen naar Mart. ‘Als we een uitweg uit Caemlin kunnen vinden, zullen de Halfmannen hier niets meer te zoeken hebben.’ Als. Zoveel alsen.

‘Het zou beter zijn als we allemaal dood waren,’ zei Perijn opeens en Rhand veerde op toen zijn vriend zijn gedachten verwoordde. Perijn tuurde nog steeds naar de vloer, woedend nu, en zijn stem klonk bitter. ‘Overal waar wij gaan, brengen we pijn en verdriet. Het zou voor iedereen beter zijn als we dood waren.’

Nynaeve ging vlak voor hem staan, haar gezicht een mengeling van woede en bezorgde angst, maar Moiraine was haar voor.

‘Wat denk je, voor jezelf of ieder ander, te winnen door dood te gaan?’ vroeg de Aes Sedai. Haar stem klonk effen en toch scherp. ‘Als de Heer van het Graf zoveel vrijheid heeft gewonnen dat hij, zoals ik vrees, inmiddels het Patroon kan aanraken, dan kan hij jou dood gemakkelijker bereiken dan levend. Dood kun je niemand helpen, noch de mensen die jou hebben geholpen, noch je vrienden en familie in Tweewater. De Schaduw valt over de wereld en niemand van jullie kan dat tegenhouden wanneer je dood bent.’

Perijn sloeg zijn ogen op om haar aan te kijken en Rhand schrok. De bruine ogen van zijn vriend waren meer geel dan bruin. Met zijn verwarde haren en felle ogen was er iets aan hem wat... Rhand kon er niet opkomen wat het precies was.

Perijn sprak zacht en vlak, waardoor zijn woorden meer indruk maakten dan als hij had geschreeuwd. ‘Levend kunnen wij ze toch ook niet tegenhouden?’

‘Later heb ik tijd om daarover met je te twisten,’ zei Moiraine, ‘maar je vriend heeft me nu nodig.’ Ze stapte opzij, zodat ze Mart allemaal duidelijk konden zien. Zijn ogen waren nog in dodelijke woede op haar gericht, maar hij had zich niet bewogen. Zweet parelde op zijn gezicht en zijn lippen waren wit weggetrokken in een verstarde grauw. Alle kracht die hij bezat leek gericht te zijn op zijn poging om Moiraine te doden met de dolk, die Lan roerloos tegenhield. ‘Of was je dit vergeten?’

Perijn haalde verlegen zijn schouders op en hief woordeloos zijn handen op.

‘Wat is er mis met hem?’ vroeg Egwene en Nynaeve voegde eraan toe; is het besmettelijk? Ik kan hem best behandelen. Ik lijk niet vatbaar te zijn voor ziekten, voor welke dan ook.’

‘O, het is besmettelijk,’ zei Moiraine, ‘en je... bescherming zou je niet kunnen redden.’ Ze wees naar de robijndolk, maar paste goed op dat ze het wapen niet aanraakte. Het lemmet trilde toen Mart vocht om haar te bereiken. ‘Dit komt uit Shadar Logoth. Er is daar geen steentje of het is besmet. Het is gevaarlijk om iets buiten de muren te brengen en dit wapen is veel meer dan iets. Het kwaad dat Shadar Logoth doodde, zit erin, en nu ook in Mart. Achterdocht en haat, zó sterk dat zelfs zij die het meest na zijn, worden gezien als vijanden, zó diep in het bot gevreten dat hij uiteindelijk alleen maar aan doden denkt. Door deze dolk buiten de muren van Shadar Logoth te brengen, heeft hij dit zaad bevrijd, bevrijd van de plek waaraan het was gebonden. Het moet zijn gegroeid en heeft Marts persoon en geest verzwakt. Hij is verzwakt door zijn gevecht met wat het verderf van Mashadar van hem wilde maken. Nu is de strijd in hem echter bijna gestreden en is hij vrijwel verslagen. Spoedig, als het hem niet eerst doodt, zal hij dat kwaad overal waar hij gaat als een dodelijke ziekte verspreiden. Eén enkele schram van dat wapen is al genoeg om te besmetten en vernietigen. Spoedig zullen een paar minuten in Marts aanwezigheid even dodelijk zijn.’