Выбрать главу

‘Nee,’ zei Nynaeve. Tranen deden haar ogen glanzen, maar ze glimlachte. ‘Geen van ons neemt het jou kwalijk.’

Rhand en Egwene begonnen toen tegelijk te praten, vertelden Mart hoe blij ze waren hem weer gezond te zien en hoe goed hij eruitzag, met af en toe enkele lachende opmerkingen ertussendoor, dat ze hoopten dat hij niet meer van die rare streken uit zou halen, nu hem zoiets was geleverd. Mart gaf kwinkslagen terug, terwijl hij met zijn oude zwier een stoel opzocht. Nadat hij nog steeds grinnikend was gaan zitten, raakte hij verstrooid zijn jas aan alsof hij er zeker van wilde zijn dat daar nog steeds iets achter zijn broekriem was gestoken en Rhands adem stokte.

‘Ja,’ zei Moiraine zachtjes, ‘de dolk heeft hij nog.’ Het lachen en praten bij de andere Emondsvelders ging nog steeds door, maar zij had het stokken van zijn adem opgemerkt en gezien wat dat had veroorzaakt. Ze kwam dichter bij zijn stoel staan, zodat ze niet hard hoefde te praten om door hem gehoord te worden. ‘Ik kan het niet wegnemen zonder hem te doden. De band heeft te lang geduurd en is te sterk geworden. Dat moet in Tar Valon ongedaan worden gemaakt. Het is te veel voor me, voor elke Aes Sedai alleen, zelfs met een angreaal.’

‘Maar hij ziet er niet meer ziek uit.’ Hij bedacht opeens iets en keek naar haar op. ‘Zolang hij de dolk heeft, zullen de Schimmen weten waar we zijn. Sommige Duistervrienden ook. Dat zei u zelf.’

‘Ik heb het in zekere zin ingesloten. Als ze nu dichtbij genoeg zijn om het te voelen, zullen ze ons al kunnen zien. Ik heb de bezoedeling uit hem gehaald, Rhand, en heb alles gedaan om de werking te vertragen, maar het komt terug, over een tijdje, tenzij hij in Tar Valon hulp krijgt.’

‘Dan is het maar goed dat we daarheen gaan, nietwaar?’ Hij dacht dat het mogelijk door de berusting in zijn stem kwam, en de hoop op een andere afloop, dat ze hem scherp aankeek voor ze zich omdraaide.

Loial was gaan staan en schonk haar een diepe buiging, ‘ik ben Loial, zoon van Arent, zoon van Halan, Aes Sedai. De stedding biedt de dienaren van het Licht een vrijplaats aan.’

‘Dank je, Loial, zoon van Arent,’ antwoordde Moiraine droogjes, maar ik zou maar niet al te gul zijn met die begroeting als ik jou was. Momenteel zijn er zo’n twintig Aes Sedai in Caemlin en behalve ik allemaal van de Rode Ajah.’ Loial knikte wijs, alsof hij het begreep. Rhand kon alleen verward zijn hoofd schudden; het Licht mocht hem verblinden als hij wist wat ze bedoelde. ‘Het is vreemd je hier te zien,’ ging de Aes Sedai verder. ‘De laatste jaren verlieten maar weinig Ogier de stedding.’

‘De oude verhalen kregen me te pakken, Aes Sedai. De oude boeken vulden mijn onwaardige hoofd met beelden. Ik wilde de gaarden zien. En ook de steden die we hebben gebouwd. Het blijkt dat van beide niet veel meer over is, maar al zijn gebouwen een armzalige vervanging van bomen, ze zijn wel de moeite van het bekijken waard. De Ouderen denken dat ik vreemd ben, doordat ik wil reizen. Dat heb ik altijd gewild en hebben zij altijd gedacht. Geen van hen gelooft dat er buiten de stedding iets de moeite van het zien waard is. Misschien dat ze na mijn terugkeer en mijn reisverslag van gedachten veranderen. Ik hoop van wel. Mettertijd.’

‘Misschien zullen ze dat,’ zei Moiraine effen. ‘Nou, Loial, je moet me vergeven dat ik abrupt ben. Het is een slechte eigenschap van de mens, ik weet het. Mijn gezellen en ik moeten dringend plannen maken voor onze verdere reis. Wil je ons verontschuldigen?’

Nu leek Loial op zijn beurt in de war. Rhand schoot hem te hulp.

‘Hij gaat met ons mee. Ik heb hem beloofd dat hij mee mocht.’

Moiraine stond naar de Ogier te kijken alsof ze het niet had gehoord, maar uiteindelijk knikte ze. ‘Het Rad weeft wat het Rad wil,’ mompelde ze. ‘Lan, zorg ervoor dat we niet per ongeluk worden gestoord.’

De zwaardhand verdween stil uit de kamer en de deur klikte achter hem dicht.

Lans verdwijning werkte als een teken; alle gepraat hield op. Moiraine liep naar de haard en toen ze zich omdraaide, waren alle ogen op haar gericht. Hoe tenger ze ook was gebouwd, haar persoonlijkheid overheerste iedereen. ‘We kunnen niet lang in Caemlin blijven, en in De Koninginnezegen zijn we ook niet veilig. De ogen van de Duistere zijn al in de stad. Ze hebben nog niet gevonden wat ze willen hebben, anders zouden ze niet langer zoeken. Dat werkt in ons voordeel. Ik heb een ban geplaatst om ze weg te houden en tegen de tijd dat de Duistere merkt dat zijn ratten niet in deze buurt kunnen komen, zullen wij weg zijn. Maar elke ban die een mens afweert, is voor Myrddraal een baken. Bovendien hebben we nog te maken met de Kinderen van het Licht, die in Caemlin op zoek zijn naar Perijn en Egwene.’

Rhand maakte een geluid en Moiraine trok een wenkbrauw op.

‘Ik dacht dat ze mij en Mart zochten,’ zei hij.

Zijn opmerking zorgde ervoor dat de Aes Sedai beide wenkbrauwen optrok. ‘Hoe kom je op het idee dat de Witmantels naar jullie op zoek zijn?’

‘Ik heb er een horen zeggen dat ze iemand uit Tweewater zochten.

Duistervrienden, zei hij. Wat had ik anders moeten denken? Met alles wat er is gebeurd, mag ik me gelukkig prijzen dat ik nog kan denken.’

‘Het is heel verwarrend geweest, Rhand, ik weet het,’ bracht Loial naar voren, ‘maar je kunt toch beter denken dan dat. De Kinderen haten Aes Sedai. Elaida zou nooit...’

‘Elaida?’ vroeg Moiraine scherp. ‘Wat heeft Elaida Sedai hiermee te maken?’

Ze keek Rhand zo doordringend aan dat hij weg wilde schuiven. ‘Ze wilde me in de gevangenis gooien,’ zei hij langzaam, ik wilde alleen maar naar Logain kijken, maar ze wilde niet geloven dat ik per ongeluk bij Elayne en Gawein in de paleistuin was beland.’ Iedereen, behalve Loial, keek hem aan alsof hij er opeens een derde oog bij had gekregen. ‘Koningin Morgase liet me gaan. Ze zei dat er geen bewijs was dat ik kwaad wilde doen en ze wilde de wet handhaven, ongeacht wat Elaida Sedai vermoedde.’ Hij schudde zijn hoofd; de herinnering aan Morgase en haar uitstraling deed hem even vergeten dat iedereen hem aangaapte. ‘Kun je je voorstellen dat ik een koningin heb ontmoet? Ze is mooi, net een koningin uit de verhalen. Elayne ook. En Gawein... jij zou Gawein best mogen, Perijn. Perijn? Mart?’ Ze bleven hem aankijken. ‘Bloed en as, ik beklom die muur alleen om de valse Draak te zien. Ik heb niks verkeerds gedaan.’

‘Dat zeg ik ook altijd,’ zei Mart effen, hoewel hij opeens tot aan zijn oren grijnsde. Egwene vroeg hem met een opzettelijk vlakke stem: ‘Wie is Elayne?’

Moiraine mopperde iets, stuurs. ‘Een koningin,’ zei Perijn en hij schudde het hoofd. ‘Jij hebt écht avonturen meegemaakt. Wij zijn alleen maar ketellappers en enkele Witmantels tegengekomen.’ Hij vermeed zo duidelijk om Moiraine aan te kijken dat het Rhand onmiddellijk opviel. Perijn voelde even aan de blauwe plekken op zijn gezicht. ‘Alles bij elkaar genomen was het zingen met de ketellappers leuker dan de ontmoeting met de Witmantels.’

‘Het Trekkende Volk leeft voor zijn liederen,’ zei Loial. ‘Voor alle liederen, wat dat betreft. Voor hun zoektocht, tenminste. Ik heb enkele jaren geleden enkele Tuatha’an ontmoet en ze wilden de liederen leren die wij tot de bomen zingen. Feitelijk willen de bomen niet langer naar vele liederen luisteren, dus leren niet veel Ogier ze meer. Ik heb een flintertje van dat talent, dus Ouder Arent stond erop dat ik ze leerde. Ik heb de Tuatha’an geleerd wat ze konden leren, maar de bomen luisteren nooit naar mensen. Voor het Trekkende Volk waren het slechts liedjes. Zij leerden ze graag, maar het lied dat ze zoeken, was er niet bij. Daarom noemen ze de leider van iedere groep: de Zoeker. Ze komen soms naar stedding Shangtai. Maar weinig mensen doen dat.’

‘Alsjeblieft, Loial,’ zei Moiraine, maar hij schraapte opeens zijn keel en sprak snel en rommelend verder, alsof hij bang was dat ze hem de mond zou snoeren.

‘Ik heb me net iets herinnerd, Aes Sedai, iets wat ik altijd al aan een Aes Sedai heb willen vragen als ik er ooit een tegen zou komen, omdat u vele dingen weet en grote librijen hebt in Tar Valon, en nu heb ik u ontmoet natuurlijk en... staat u me toe?’