‘Als je het kort houdt,’ zei ze kortaf.
‘Kort,’ zei hij, alsof hij zich afvroeg wat dat betekende. ‘Ja. Goed. Kort. Enige tijd terug, niet zo lang geleden, kwam er een man naar stedding Shangtai. Dat was in die tijd op zich niet zo ongewoon, aangezien er grote aantallen vluchtelingen naar de Rug van de Wereld kwamen, op de vlucht voor wat jullie mensen de Aiel-oorlog noemen.’
Rhand grijnsde. Enige tijd terug; zo om en nabij twintig jaar. ‘Hij stond op het punt te sterven, hoewel het onduidelijk was waarom – hij was niet gewond. De Ouderen dachten dat het iets was wat de Aes Sedai hem hadden aangedaan’ – Loial keek Moiraine verontschuldigend aan – ‘aangezien hij snel herstelde nadat hij de stedding was binnengekomen. Binnen enkele maanden. Op een nacht is hij weggegaan zonder iemand iets te zeggen, gewoon weggeslopen toen de maan onder was.’ Hij keek naar Moiraines gezicht en schraapte weer zijn keel. ‘Ja. Kort. Voor hij wegging, vertelde hij een merkwaardig verhaal waarvan hij zei dat hij het aan Tar Valon wilde doorgeven. Hij zei dat de Duistere het Oog van de Wereld wilde verblinden en het Grote Serpent wilde ombrengen, de tijd zelf wilde doden. De Ouderen zeiden dat zijn geest even gezond was als zijn lichaam, maar dat was wat hij zei. Wat ik altijd heb willen vragen: kan de Duistere zoiets doen? De tijd zelf doden? En het Oog van de Wereld? Kan hij het oog van het Grote Serpent verblinden? Wat betekent het?’
Rhand keek naar Moiraine en had van alles verwacht, maar niet wat hij nu zag. Ze gaf Loial geen antwoord, zei hem niet dat ze daarvoor nu geen tijd had, maar leek met diepe denkrimpels dwars door de Ogier heen te kijken.
‘Dat is hetzelfde wat de ketellappers hebben verteld,’ zei Perijn.
‘Ja,’ voegde Egwene eraan toe, ‘het Aielverhaal.’
Moiraine draaide langzaam haar hoofd om. Geen enkel ander deel van haar bewoog. ‘Welk verhaal?’
Ze keek hen uitdrukkingsloos aan, maar Perijn haalde diep adem en vertelde zijn verhaal even overwogen als altijd. ‘Enkele ketellappers die de Woestenij doortrokken – ze zeiden dat ze dat ongehinderd konden doen – troffen stervende Aiel aan na een gevecht met Trolloks. Voor de laatste Aiel stierf, vertelde ze – het waren blijkbaar allemaal vrouwen – de ketellappers wat Loial net zei. De Duistere – zij noemen hem Zichtzieder – is van plan het Oog van de Wereld te verblinden. Maar dit was nog maar drie jaar geleden, geen twintig.
Betekent het iets?’
‘Misschien alles,’ zei Moiraine. Haar gezicht was kalm, maar Rhand kreeg het gevoel dat ze achter die donkere ogen razendsnel nadacht.
‘Ba’alzamon,’ zei Perijn opeens. De naam bracht een doodse stilte in de boekenkamer. Niemand leek te ademen. Perijn keek Rhand aan, toen Mart, zijn ogen vreemd kalm en geler dan ooit. ‘Op dat moment vroeg ik me af waar ik die naam eerder had gehoord... het Oog van de Wereld. Nu weet ik het weer. Jullie ook?’
‘Ik wil me daar niets van herinneren,’ zei Mart strak.
‘We moeten het haar vertellen,’ ging Perijn door. ‘Het is nu belangrijk. We kunnen het niet langer geheimhouden. Jij begrijpt het, hè, Rhand?’
‘Mij wat vertellen?’ Moiraines stem klonk ruw en ze leek zich schrap te zetten voor de klap. Haar blik was op Rhand gericht.
Hij wilde geen antwoord geven. Hij wilde er net zomin aan denken als Mart, maar hij herinnerde het zich – en hij wist dat Perijn gelijk had. ‘Ik heb...’ Hij keek zijn vrienden aan. Mart knikte tegen zijn zin, Perijn vastberaden, maar ze deden het tenminste. Hij hoefde haar niet alleen het hoofd te bieden. ‘Wij hebben... dromen gehad.’ Hij wreef onbewust over het plekje op zijn vinger waar de doorn hem eens had geprikt en herinnerde zich het bloed toen hij wakker was geworden. Hij dacht benauwd terug aan die andere keer, toen hij het gevoel had gehad dat zijn gezicht verbrand was. ‘Maar het waren niet echt dromen. Ba’alzamon kwam erin voor.’ Hij wist waarom Perijn die naam had gebruikt; het was gemakkelijker dan te zeggen dat de Duistere in je dromen, in je hoofd was geweest. ‘Hij zei... hij zei van alles, maar een keer zei hij dat het Oog van de Wereld mij nooit zou dienen.’ Zijn mond voelde of er een dikke stoflaag in zat.
‘Hij vertelde mij hetzelfde,’ zei Perijn, waarna Mart diep zuchtte en knikte. Rhand merkte dat hij weer wat speeksel had. ‘U bent niet boos op ons?’ vroeg Perijn verbaasd en Rhand besefte dat Moiraine niet kwaad leek te zijn. Ze stond hen aandachtig op te nemen, maar haar ogen waren helder en kalm, hoewel gespannen.
‘Meer op mezelf dan op jullie. Ik had jullie echter wel gevraagd het mij te zeggen als je vreemde dromen kreeg. Aan het begin van de reis heb ik het gevraagd.’ Hoewel haar stem kalm klonk, schoot er een flits van woede door haar ogen, maar die was in een ogenblik weer verdwenen. ‘Als ik het na de eerste keer had gehoord, zou ik misschien in staat zijn geweest... Er is al bijna duizend jaar geen Droomster geweest in Tar Valon, maar ik had het kunnen proberen. Nu is het te laat. Elke keer dat de Duistere jullie beroert, is het de volgende keer gemakkelijker voor hem. Misschien kan mijn aanwezigheid jullie enigszins afschermen, maar zelfs dan... Kennen jullie de verhalen van de Verzakers die mensen aan hen bonden? Sterke mensen, mensen die vanaf het begin de Duistere hadden bevochten. Die verhalen zijn waar en geen van de Verzakers had maar een tiende van de kracht van hun meester, Aginor niet, Lanfir niet, Balthamel niet, Demandred niet, zelfs Ishamael niet, de Verrader van Hoop zelf.’
Nynaeve en Egwene zaten hem aan te kijken, hem en Perijn en Mart, alledrie. Hun bloedeloze gezichten toonden een mengeling van vrees en afgrijzen. Zijn ze bang om ons of zijn ze bang voor ons?
‘Wat kunnen we doen?’ vroeg hij. ‘Er moet toch iets zijn?’
‘Dicht bij mij blijven, dat zal helpen,’ antwoordde Moiraine. ‘Iets. De bescherming van het aanraken van de Ware Bron spreidt zich enigszins rond mij uit, weet je nog? Maar jullie kunnen niet altijd vlak bij me blijven. Je kunt jezelf verdedigen, als je er de kracht voor hebt, maar je moet de kracht en de wil in jezelf vinden. Die kan ik jullie niet geven.’
‘Ik denk dat ik mijn bescherming al heb gevonden,’ zei Perijn en het klonk eerder berustend dan blij.
‘Ja,’ zei Moiraine. ‘Ja, ik veronderstel van wel.’ Ze bleef hem aankijken tot hij zijn ogen neersloeg en ze leek nog een tijdje iets te overwegen. Ten slotte keek ze de anderen aan. ‘De macht van de Duistere over jou kent zijn grenzen. Geef ook maar één tel toe en hij zal een koord aan je hart binden, een koord dat je nooit meer zal kunnen doorsnijden. Als je je overgeeft, ben je de zijne. Wijs hem af en zijn macht faalt. Het is niet gemakkelijk, als hij je dromen kan beroeren, maar je kunt hem afwijzen. Hij kan nog steeds Halfmannen op je afsturen en Trolloks en Draghkar en andere dingen, maar hij kan je niet de zijne maken tenzij je het zelf toelaat.’
‘Schimmen zijn erg genoeg,’ zei Perijn.
‘Ik wil hem niet meer in mijn hoofd,’ gromde Mart, ‘is er geen enkele mogelijkheid om hem buiten te sluiten?’
Moiraine schudde haar hoofd. ‘Loial hoeft nergens bang voor te zijn, en ook Egwene en Nynaeve lopen geen gevaar. In de grote massa van de mensheid kan de Duistere een bepaald persoon maar bij toeval aanraken, tenzij die persoon het zelf zoekt. Maar jullie staan, zeker nog een tijdlang, in het midden van het Patroon. Een Web van het Lot wordt geweven en iedere draad leidt recht naar jullie toe. Wat heeft de Duistere nog meer tegen jullie gezegd?’
‘Zo goed herinner ik het me niet meer,’ zei Perijn. ‘Er was iets over dat een van ons was uitverkoren, zoiets tenminste. Ik hoor hem nog lachen,’ besloot hij bleekjes, ‘om degene die ons had uitgekozen. Hij zei dat ik... wij hem konden dienen of sterven. En dan zouden we hem nog dienen.’
‘Hij zei dat de Amyrlin Zetel zou proberen ons te gebruiken,’ voegde Mart eraan toe en zijn stem zakte weg toen hij eraan dacht tegen wie hij sprak. Hij slikte en ging verder. ‘Hij zei dat Tar Valon ons net zo zou gebruiken als... hij noemde enkele namen. Davian, denk ik. Ik weet het ook niet meer zo goed.’