Выбрать главу

‘In Tar Valon beweren sommigen,’ zei Moiraine zachtjes, ‘dat de vrijplaats van de Ogier het Breken langer heeft laten duren en het nog erger heeft gemaakt. Anderen zijn van mening dat er helemaal niets meer van de wereld zou zijn overgebleven als al die mannen tegelijk waanzinnig waren geworden. Ik ben van de Blauwe Ajah, Loial, en in tegenstelling tot de Rode Ajah houden wij vast aan de tweede mening. De vrijplaatsen hielpen te redden wat er gered kon worden. Ga verder, alsjeblieft.’

Loial knikte dankbaar. Van een zorg bevrijd, besefte Rhand.

‘Zoals ik zei,’ vervolgde de Ogier, ‘de Aes Sedai, de mannelijke Aes Sedai, verlieten de stedding. Maar vóór zij vertrokken, gaven ze een geschenk aan de Ogier als dank voor hun vrijplaats. De saidinwegen. Betreed een saidinpoort, loop een dag en je kunt door een andere saidinpoort weer naar buiten stappen op hondertien spannen afstand vanwaar je bent vertrokken. Of vijfhonderd span, lijd en afstand zijn vreemd op de saidinwegen. Verschillende paden, verschillende bruggen leiden naar verschillende plaatsen en hoe lang het duurt voor je op je bestemming bent, hangt af van de weg die je neemt. Het was een wonderbaarlijk geschenk en dat werd in de loop van de tijd nog mooier, want de saidinwegen maken geen deel uit van de wereld die wij om ons heen zien. maken mogelijk van geen enkele wereld deel uit, vormen misschien hun eigen wereld. Zodoende hoefden de Ogier, om een andere stedding te bereiken, niet meer door de wereld te trekken, waar zelfs na het Breken de mensen elkaar als beesten bevochten om te overleven. In de wereld van de saidinwegen bestond er geen Breken. Het land tussen twee steddings kon opensplijten in diepe ravijnen of oprijzen rot hoge bergketens, maar in de saidinwegen tussen die steddings vond geen verandering plaats.

Toen de laatste Aes Sedai de stedding verlieten, gaven ze de Ouderen een sleutel, een talisman, die kon worden gebruikt om nog meer saidinwegen te kweken. In zeker opzicht zijn de saidinwegen en de saidinpoorten levend. Ik begrijp het niet; geen enkele Ogier heeft het ooit begrepen en ze hebben mij verteld dat zelfs de Aes Sedai het zijn vergeten. In de loop der jaren eindigde voor ons de Ballingschap. Als de Ogier die het geschenk van de Aes Sedai hadden ontvangen, een stedding aantroffen waar Ogier van de Lange Zwerftocht waren teruggekeerd, lieten ze er saidinwegen naartoe groeien. Met het steenwerk dat wij tijdens de Ballingschap hadden geleerd, bouwden we steden voor de mens. Wij plantten de gaarden als hulp voor de Ogier die de steden bouwden, zodat het Smachten hen niet zou overweldigen. Naar die gaarden liet men saidinwegen groeien. Er waren een gaarde en een saidinpoort in Mafal Dadaranell, maar die stad werd tijdens de Trollok-oorlogen met de grond gelijkgemaakt, geen steen bleef op een ander, en de gaardebomen werden geveld en verkoolden in de Trollokvuren.’ Loial liet er geen twijfel over bestaan wat de grootste wandaad was.

‘Saidinpoorten zijn vrijwel onmogelijk te vernietigen,’ zei Moiraine, ‘en de mensheid nauwelijks minder. Er wonen nog mensen in Fal Dara, zij het niet in de grote stad die de Ogier optrokken, en de saidinpoort bestaat nog steeds.’

‘Hoe hebben ze die gemaakt?’ vroeg Egwene. Haar verwonderde blik omvatte zowel Moiraine als Loial. ‘De Aes Sedai, de mannen. Als zij de Ene Kracht niet in een stedding konden gebruiken, hoe konden ze de saidinwegen dan maken? Hebben ze de Kracht wel gebruikt? Hun helft van de Ware Bron was besmet. Is besmet. Ik weet nog steeds niet veel van wat een Aes Sedai kan doen. Misschien is het een domme vraag.’

Loial legde het uit. ‘Elke stedding heeft een saidinpoort, net buiten zijn grenzen. Je vraag is niet dom. Je legt je vinger op de kern, waarom wij de saidinwegen niet durven bereizen. Tijdens mijn leven, en langer geleden, heeft geen enkele Ogier de saidinwegen gebruikt. De Ouderen, alle Ouderen van alle steddings, hebben verordend dat niemand, mens noch Ogier, de saidinwegen mag gebruiken.

De saidinwegen werden gecreëerd door mannen die de Kracht beheersten die door de Duistere was besmet. Ongeveer duizend jaar geleden, tijdens wat jullie mensen de Oorlog van de Honderd Jaren noemen, begonnen de saidinwegen te veranderen. Aanvankelijk zo langzaam dat het niemand echt opviel, maar ze werden vochtig en vaag. Toen viel er duisternis over de bruggen. Sommigen die de saidinwegen betraden, werden nooit meer gezien. Reizigers vertelden dat ze beloerd werden vanuit de duisternis. Steeds meer reizigers verdwenen en sommigen die eruit kwamen, waren gek geworden en ijlden over Machin Shin, de Zwarte Wind. Aes Sedai-heelsters konden enkelen helpen, maar ondanks hun hulp waren ze nooit meer hetzelfde. Zij herinnerden zich ook nooit wat hen overkomen was. Het leek wel of het duister in hun botten was getrokken.

Ze hebben nooit meer gelachen en vreesden het geluid van de wind.’

Even bleef het stil, afgezien van het snorren van de kat naast Moiraines stoel en het geknap en geknetter van het vuur als er vonken opsprongen. Toen barstte Nynaeve woedend los: ‘En u verwacht dat wij u in zoiets volgen? U lijkt wel gek!’

‘Wat zou jij dan kiezen?’ vroeg Moiraine kalm. ‘De Witmantels in Caemlin of de Trolloks buiten Caemlin? Denk eraan dat mijn aanwezigheid op zich enige bescherming biedt tegen de werken van de Duistere.’

Nynaeve schoof met een geërgerde zucht weer terug in haar stoel.

‘U hebt me nog steeds niet uitgelegd,’ zei Loial, ‘waarom ik de verordening van de Ouderen zou moeten overtreden. En ik wens de saidinwegen zeker niet te betreden. Hoewel de wegen van de mens vaak modderig zijn, hebben ze mij goed genoeg gediend nadat ik stedding Shangtai had verlaten.’

‘Mens of Ogier, alles wat leeft is in oorlog met de Duistere,’ zei Moiraine. ‘Het grootste deel van de wereld weet het zelfs nog niet eens en van het kleine groepje dat strijdt, geloven de meesten dat ze een grote slag strijden, terwijl het eigenlijk slechts schermutselingen zijn. Terwijl de wereld het weigert te geloven, kan de Duistere op het punt van overwinnen staan. Er rust voldoende macht in het Oog van de Wereld om zijn kerker te ontsluiten. Als de Duistere een manier heeft gevonden om het Oog van de Wereld ten eigen bate te verwringen,..’

Rhand wilde dat de lampen in de boekenkamer waren aangestoken. De avond kroop langzaam Caemlin binnen en het haardvuur gaf niet genoeg licht. Hij wilde geen schaduwen in de kamer.

‘Wat kunnen wij doen?’ barstte Mart uit. ‘Waarom zijn wij zo belangrijk? Waarom moeten wij naar de Verwording? Licht, de Verwording!’

Moiraine verhief haar stem niet, maar haar gezag beheerste de kamer. Haar stoel bij het haardvuur leek opeens op een troon. Heel even zou zelfs Morgase in haar aanwezigheid zijn verbleekt. ‘Er is iets wat we kunnen doen. We kunnen het proberen. Wat toeval lijkt, is vaak het Patroon. Drie draden zijn hier samengekomen, ieder met een waarschuwing: het Oog. Het kan geen toeval zijn, het is het Patroon. Jullie drieën hebben niet gekozen; jullie werden gekozen door het Patroon. Bovendien zijn jullie hier, waar het gevaar bekend is. Je kunt opzij stappen en misschien de wereld verdoemen. Wegvluchten, verbergen, het maakt jullie niet los uit het weefsel van het Patroon. Of je kunt het proberen. Jullie kunnen naar het Oog van de Wereld gaan, drie ta’veren, drie middelpunten van het Web, op een plek waar het gevaar dreigt. Laat het Patroon zich daar om je heen weven en mogelijk zullen jullie de wereld van de Schaduw redden. De keus is aan jullie. Ik kan je niet sturen als je niet wilt.’

‘Ik ga,’ zei Rhand, hij probeerde vastberaden te klinken. Hoe hard hij ook de leegte zocht, er bleven beelden door zijn gedachten flitsen. Tham, de boerderij, het vee in de wei. Het was een goed leven geweest; eigenlijk had hij nooit iets anders gewild. Het troostte hem – een schrale troost – toen hij hoorde hoe Perijn en Mart met hem instemden. Hun mond was zo te horen even kurkdroog als de zijne.