‘Ik neem aan dat er voor Egwene of mij eigenlijk geen keus bestaat,’ mopperde Nynaeve.
Moiraine knikte. ‘Jullie zijn ook deel van het Patroon, jullie allebei, op de een of andere manier. Mogelijk niet ta’veren – mogelijk – maar toch sterke draden in het Web. Ik heb het sinds Baerlon geweten. Ongetwijfeld weten de Schimmen het inmiddels ook. En Ba’alzamon. Toch hebben jullie net zoveel keus als de jongemannen. Jullie kunnen ook hier blijven en verder reizen naar Tar Valon nadat wij zijn vertrokken.’
‘Achterblijven?!’ riep Egwene uit. ‘Jullie allemaal op het gevaar af laten gaan terwijl wij onder de dekens wegkruipen? Dat doe ik niet!’
Ze zag hoe de Aes Sedai haar aankeek en krabbelde een beetje terug, maar haar opstandigheid verdween niet helemaal. ‘Ik doe het niét!’ mompelde ze koppig.
‘Ik veronderstel dat dit inhoudt dat we allebei met u meegaan.’ Nynaeve klonk berustend, maar ze keek Moiraine fel aan toen ze eraan toevoegde. ‘U hebt nog steeds mijn kruiden nodig, Aes Sedai, tenzij u opeens ergens een kunde hebt geleerd die ik nog niet heb opgemerkt.’ Het klonk uitdagend, wat Rhand niet begreep, maar Moiraine knikte slechts en wendde zich tot de Ogier.
‘Nou, Loial, zoon van Arent, zoon van Halan?’
Loial deed tweemaal zijn mond open en zijn oren met hun haartoefjes bewogen zenuwachtig op en neer voor hij iets zei. ‘Ja. Nou. De Groene Man. Het Oog van de Wereld. Ze worden in de boeken natuurlijk genoemd, maar ik denk niet dat er een Ogier is die ze gezien heeft in, eh... al heel lang niet. Ik veronderstel... Moet het echt, de saidinwegen?’ Moiraine knikte en zijn lange wenkbrauwen zakten zo diep omlaag dat de punten over zijn wangen veegden. ‘Nou ja, goed dan. Ik neem aan dat ik jullie gids moet zijn. Ouder Haman zou zeggen dat ik niets beter verdien omdat ik altijd zo haastig ben geweest.’
‘Dan hebben we onze keus bepaald,’ zei Moiraine. ‘En nu we dat hebben gedaan, moeten we besluiten hoe we de zaken gaan aanpakken.’
Ze bespraken hun plannen tot diep in de nacht. Moiraine deed het meest, met Loials raadgevingen over de saidinwegen, maar ze luisterde naar vragen en voorstellen van iedereen. Toen het donker was, kwam Lan erbij, die zijn opmerkingen lijzig en met ijzeren beheersing toevoegde. Nynaeve maakte een lijst van de voorraden die ze nodig hadden en doopte met vaste hand haar pen in het inktpotje, hoewel ze voortdurend binnensmonds zat te mompelen.
Rhand wilde dat hij even nuchter kon doen als de Wijsheid. Hij bleef maar heen en weer lopen in de kamer, alsof hij zijn kracht moest zien kwijt te raken voor die uit hem losbarstte. Hij wist dat zijn besluit was genomen. Hij wist dat hij niets anders had kunnen doen, met wat hij wist, maar hij hoefde het nog niet leuk te vinden. De Verwording. Shayol Ghul lag ergens achter de Verwording, in de Verwoeste Landen.
Hij kon dezelfde zorg in Marts ogen zien, dezelfde angst die anderen in de zijne konden lezen. Mart zat met verstrengelde handen, de knokkels wit van spanning. Als hij ze loslaat dacht Rhand, grijpt hij in plaats daarvan de dolk van Shadar Logoth.
Op Perijns gezicht lag geen bezorgdheid te lezen, maar het masker van behoedzame berusting was eigenlijk veel erger. Perijn zag eruit alsof hij tegen iets had gevochten tot hij niet meer kon en nu zat te wachten tot het voor hem zou eindigen. Toch, soms...
‘Wij moeten doen wat we moeten doen, Rhand,’ zei Perijn. ‘De Verwording...’ Een gretig verlangen glansde kort in zijn gele ogen, die flitsten in de strakke vermoeidheid van zijn gezicht, alsof ze een eigen leven leidden dat niets te maken had met dat van de forse smidsleerling. ‘Het is goed jagen in de Verwording,’ fluisterde hij. Toen rilde hij, alsof het nu pas tot hem doordrong wat hij had gezegd en weer stond zijn gezicht berustend.
En Egwene. Rhand nam haar ergens die avond apart, dicht bij de haard waar de mensen die de voorbereidingen troffen, het niet konden horen. ‘Egwene, ik...’ Haar ogen, als grote donkere vijvers waar hij in verdronk, brachten hem tot zwijgen en hij slikte. ‘De Duistere zit achter mij aan, Egwene, achter mij en Mart en Perijn. Ik maal niet om wat Moiraine Sedai zegt. Morgenochtend kunnen jij en Nynaeve op weg naar huis gaan, of naar Tar Valon, of waar je ook wilt en niemand zal proberen jullie tegen te houden. De Trolloks niet, de Schimmen niet, niemand – zolang jullie niet bij ons zijn. Ga naar huis, Egwene. Of ga naar Tar Valon. Maar ga in ieder geval van ons weg.’
Hij verwachtte dat ze zou zeggen dat ze evenveel recht had om ergens heen te willen gaan als hij, dat hij niet het recht had haar te zeg gen wat ze moest doen. Tot zijn verrassing glimlachte ze en streek even langs zijn wang.
‘Dank je, Rhand,’ zei ze zachtjes. Hij stond met zijn ogen te knipperen en sloot zijn mond toen ze verder sprak: ‘Maar je weet dat ik het niet kan. Moiraine Sedai heeft ons verteld wat Min in Baerlon heeft gezien. Je had me moeten zeggen wie Min was. Ik dacht... Nou ja, Min zegt dat ik er ook deel van uitmaak. En Nynaeve. Misschien ben ik niet ta’veren,’ ze struikelde over het woord, ‘maar het lijkt of het Patroon mij ook naar het Oog van de Wereld stuurt. Waar jij hij betrokken bent, ben ik bij betrokken.’
‘Maar, Egwene...’
‘Wie is Elayne?’
Hij staarde haar aan en vertelde toen de simpele waarheid; ‘De erfdochter van de troon van Andor.’
Haar ogen schenen vuur te spuwen. ‘Jij kunt ook geen moment ernstig zijn, Rhand Altor. Ik wil niet meer met je praten.’
Hij geloofde zijn oren niet. Ze liep met een strakke rug naar de tafel terug, waar ze met beide ellebogen op tafel naast Moiraine ging zitten luisteren naar wat de zwaardhand aan het vertellen was. Ik moet nodig met Perijn praten. Hij weet hoe je met meisjes omgaat.
Baas Gil kwam verschillende keren binnen, eerst om de lampen aan te steken, toen om het eten binnen te brengen en later om verslag te doen van wat er in de stad gebeurde. Witmantels hielden aan beide einden van de straat de herberg in de garen. Bij de poorten naar de Binnenstad waren relletjes geweest, waarbij de gardisten zowel mensen met witte als rode pluimen gevangen hadden genomen. Iemand had geprobeerd een Drakentand op de herbergdeur te krassen en was door een schop van Langwin verjaagd.
Misschien vond de herbergier het vreemd dat Loial bij hen was, maar hij liet niets merken. Hij beantwoordde de paar vragen die Moiraine hem stelde zonder dat hij probeerde te ontdekken wat ze van plan waren, en iedere keer klopte hij eerst aan en wachtte tot Lan de deur opendeed, net alsof het niet zijn eigen herberg was. Bij zijn laatste bezoek gaf Moiraine hem een stuk perkament dat Nynaeve met haar keurige handschrift helemaal had volgeschreven.
‘Op dit uur van de nacht zal het niet gemakkelijk zijn,’ zei hij en hij keek hoofdschuddend de lijst door, ‘maar ik zal zorgen dat alles er is.’
Moiraine voegde er een klein wasleren buideltje aan toe, dat rinkelde toen ze het aan het koordje overhandigde. ‘Goed. En zorg ervoor dat we voor het ochtendgloren worden gewekt. De wachten zullen dan het minst opletten.’
‘We laten ze een lege kist bewaken, Aes Sedai,’ grijnsde baas Gil, Rhand liep te gapen toen hij met de anderen de kamer uitschuifelde op weg naar bad en bed. Terwijl hij zich inzeepte, met een ruwe doek in de ene en een groot geel stuk zeep in de andere hand, dwaalden zijn ogen naar de kruk naast Marts badkuip. De met goud beslagen punt van de dolk uit Shadar Logoth stak onder een rand van Marts netjes opgevouwen jas uit. Ook Lan wierp er af en toe een blik op. Rhand vroeg zich af of ze nu echt wel zo veilig waren als Moiraine beweerde.
‘Denk je dat mijn pa me ooit zal geloven?’ lachte Mart, die zijn rug boende met een lange borstel. ‘Mij? Iemand die de wereld redt? Mijn zussen zullen niet weten of ze moeten lachen of huilen.’
Het klonk als de Mart van vroeger. Rhand wilde dat hij de dolk kon vergeten.