Выбрать главу

Het was pikdonker toen Mart en hij eindelijk in hun kamer onder de balken kwamen, de sterren onzichtbaar achter de wolken. Voor het eerst sinds lange tijd kleedde Mart zich weer uit voor hij in bed stapte, maar hij legde wel terloops de dolk onder zijn kussen. Rhand blies de kaars uit en kroop zijn eigen bed in. Hij kon het kwaad in het andere bed voelen, niet van Mart, maar van dat ding onder het kussen. Hij lag zich nog steeds zorgen te maken toen hij in slaap viel.

Vanaf het begin wist hij dat het een droom was, een van die dromen die niet helemaal een droom waren. Hij stond naar de houten deur te kijken; het ruwe, splinterige oppervlak was donker en gebarsten. De lucht was koud en dampig, er hing een dikke stank van bederf. In de verte druppelde water, de spatten kaatsten hol door stenen gangen.

Wijs het af. Wijs hem af en zijn macht faalt.

Hij sloot zijn ogen en probeerde alleen maar te denken aan De Koninginnezegen, aan zijn bed, aan zichzelf, slapend. Toen hij zijn ogen opendeed was de deur er nog. Het weerkaatsende gespat tikte tegelijk met het kloppen van zijn hart, alsof zijn pols elk moment aftelde. Hij zocht de vlam en de leegte, zoals Tham hem had geleerd, en vond innerlijke rust, maar buiten hem veranderde niets. Langzaam deed hij de deur open en stapte naar binnen.

Alles was nog zoals hij zich herinnerde in de kamer die uit levende rots leek te zijn gebrand. Hoge boogvensters kwamen uit op een balkon zonder hek en daarachter stroomden de wolkflarden voorbij als een gezwollen rivier. De zwartmetalen lampen met hun vlammen die te fel waren om erin te kijken, glansden zwart, maar op de een of andere manier even licht als zilver. Het vuur loeide maar gaf geen hitte in de gruwelijke vuurhaard, elke steen nog vaag gelijkend op een gekweld gezicht.

Alles was hetzelfde, op één ding na. Op het geboende tafelblad stonden drie kleine beeldjes, de ruwe vormeloze gestalten van mannen, alsof de beeldhouwer de klei te snel had bewerkt. Naast één stond een wolf, met scherpe details die nog meer opvielen naast de grofheid van het mannenbeeldje; het tweede beeldje omklemde een kleine dolk, een rood puntje op de greep glinsterde in het licht. Het laatste had een zwaard. Terwijl! het haar in zijn nek kriebelde, kwam hij een paar stappen dichterbij en zag dat de reiger tot in de fijnste bijzonderheden op de kling was afgebeeld.

In paniek keek hij op en staarde recht de spiegel in. Zijn weerspiegeling was nog vaag, wazig, maar niet zo mistig als die eerste keer. Hij kon bijna zijn eigen trekken onderscheiden. Als hij zich verbeeldde dat hij slechtziend was, kon hij bijna zeggen wie het was.

‘Je hebt je te lang voor me verborgen.’

Hij draaide zich pijlsnel om, zijn adem schuurde in zijn keel. Het ogenblik ervoor was hij alleen geweest, maar nu stond Ba’alzamon voor de ramen. Toen hij sprak, vervingen vlammende grotten zijn ogen en mond.

‘Te lang, maar dat zal niet veel langer kunnen.’

‘Ik wijs je af,’ zei Rhand hees. ‘Ik ontken dat je enige macht over me bezit. Ik ontken dat je bestaat.’

Ba’alzamon lachte, een vol geluid dat uit het vuur rolde. ‘Denk je dat het zo gemakkelijk is? Maar ja, dat heb je altijd gedacht. Elke keer dat we zo tegenover elkaar stonden, heb je gedacht dat je mij kon trotseren.’

‘Wat bedoel je, elke keer? Ik wijs je af.’

‘Dat doe je altijd. In het begin. Deze tweespalt tussen ons heeft talloze keren eerder plaatsgevonden. Elke keer is je gezicht anders en je naam, maar elke keer ben jij het.’

‘Ik wijs je af.’ Het was een wanhopig gefluister.

‘Elke keer richt je je onbenullige kracht op mij en elke keer weet je aan het eind wie van ons de meester is. Eeuw na Eeuw kniel je voor me neer of sterf je met de wens voor me neer te knielen. Arme dwaas, je kunt het nooit van me winnen.’

‘Leugenaar!’ schreeuwde hij. ‘Vader van de Leugen. Vader van de Dwazen, als je niet beter kunt dan dit. Mannen hebben je in de vorige Eeuw gevonden, in de Eeuw der Legenden, en je weer gekluisterd waar je hoort.’

Ba’alzamon lachte opnieuw, een honend geschater dat maar bleef doorgaan tot Rhand zijn handen tegen zijn oren wilde leggen om het geluid buiten te sluiten. Hij dwong zijn handen echter niets te doen.

Leegte of niet, hij voelde ze beven toen het lachen eindelijk ophield.

‘Jij worm, je weet helemaal niets. Even onwetend als een kever onder een steen en even gemakkelijk fijngetrapt. Deze strijd is al gaande sinds het begin van de schepping. Altijd denken mensen aan een nieuwe oorlog, maar het is gewoon dezelfde oorlog die opnieuw wordt begonnen. Maar nu voeren de winden van de tijd verandering mee. Verandering. Deze keer zal er geen terugkeer mogelijk zijn. Die trotse Aes Sedai die denken dat ze jou tegen me op kunnen zetten.

Ik zal ze in ketenen slaan en naakt laten rondrennen om mijn bevelen op te volgen. Ik zal hun zielen in de Doemkrocht stoppen om in eeuwigheid te gillen. Allen, behalve zij die mij reeds dienen. Zij zullen slechts een trede onder mij staan. Jij kunt kiezen om bij hen te staan, terwijl de wereld zich aan je voeten werpt. Ik bied het je nog één keer aan, een laatste keer. Je kunt boven hen staan, boven iedere macht en elk domein, behalve boven mij. Er zijn tijden geweest dat je die keus hebt gemaakt, tijden dat je lang genoeg hebt geleefd om je macht te kennen.’

Wijs hem af! Rhand zocht wanhopig houvast, zocht iets wat hij kon ontkennen. ‘Er zijn geen Aes Sedai die je dienen. Weer een leugen!’

‘Hebben ze jou dat verteld? Tweeduizend jaar geleden voerde ik mijn Trolloks over de wereld en zelfs onder Aes Sedai heb ik wanhopigen gevonden die wisten dat de wereld zich niet tegen Shai’tan kan verzetten. Tweeduizend jaren lang heeft de Zwarte Ajah onder de anderen verkeerd, ongezien in de schaduwen. Misschien wel degenen die beweren jou te helpen.’

Rhand schudde zijn hoofd, probeerde de twijfels af te schudden die in hem opwelden, alle twijfels die hij had gekoesterd over Moiraine, over wat de Aes Sedai van hem wilde, over wat ze met hem van plan was. ‘War wil je van me?’ riep hij. Wijs hem af! Licht help me hem af te wijzen.

‘Kniel!’ Ba’alzamon wees op de vloer aan zijn voeten. ‘Kniel en erken mij als je meester! Aan het eind zul je het doen. Je zult mijn schepsel zijn of je vindt de dood.’

Het laatste woord galmde door het vertrek, kaatste hol terug, verdubbelde, verdriedubbelde, tot Rhand zijn armen omhoog bracht als om zijn hoofd tegen een klap te beschermen. Struikelend, terugdeinzend botste hij tegen de tafel aan. Hij schreeuwde en probeerde het geluid in zijn oren weg te schreeuwen. ‘Neeeeeeeeeeee

Al schreeuwend tolde hij rond en veegde de beeldjes op de vloer. Er stak iets in zijn hand, maar hij negeerde het en vertrapte de klei onder zijn voeten. Maar toen zijn schreeuwen faalde, hingen de klanken er nog steeds en werden sterker: dood... dood... dood... dood... dood... dood... dood... dood... DOOD... DOOD... DOOD- DOOD... DOOD...

Het geluid trok aan hem als een draaikolk, trok hem naar binnen en scheurde de leegte in zijn geest aan flarden. Het licht vervaagde en zijn gezichtsveld vernauwde tot een grot waarin Ba’alzamon hoog oprees in het laatste lichtvlekje aan het andere eind, dat kleiner werd tot het even groot was als zijn hand, een vingernagel, niets. Rond en rond wervelden de geluidsgolven om hem heen, omlaag in het zwart en de dood.

De klap waarmee hij de vloer raakte, wekte hem, nog steeds vechtend om uit die duisternis omhoog te zwemmen. De kamer was donker, maar niet zo donker als het zwart van de droom. Wanhopig probeerde hij zich te richten op de vlam, om zijn angst erin te schuiven, maar de kalmte van de leegte ontsnapte hem. Rillingen trokken door zijn armen en benen, maar hij hield het beeld van die ene vlam vast, tot het bloed niet langer in zijn oren bonsde.

Man wierp zich heen en weer in zijn bed en kreunde in zijn slaap. ‘... wijs je af, wijs je af, wijs je af...’ Zijn gekreun verzwakte en werd onverstaanbaar.

Rhand stak zijn hand uit om hem wakker te schudden en bij de eerste aanraking zat Mart met een verstikt gegrom rechtop in zijn bed. Heel even staarde hij wild de kamer rond, haalde toen lang en bevend adem en liet zijn hoofd in zijn handen zakken. Opeens draaide hij zich om, groef onder zijn kussen en ging toen weer liggen, terwijl hij met beide handen de robijndolk op zijn borst hield. Hij draaide zijn hoofd om Rhand aan te kijken, zijn gezicht verborgen in de schaduw. ‘Hij is terug, Rhand.’