Выбрать главу

‘Het is maar een smal steegje tussen gebouwen,’ zei de herbergier, ‘maar buiten de stal weet niemand dat hier een uitgang is. Witmantels of witte pluimen, er zullen geen ongewenste ogen zijn bij jullie vertrek.’

De Aes Sedai knikte. ‘Onthoud, goede man, als je hierdoor in de problemen komt, schrijf dan naar Sheriam Sedai van de Blauwe Ajah, in Tar Valon, en zij zal helpen. Ik ben bang dat mijn zusters en ik al zeer veel goed hebben te maken bij de mensen die mij hebben geholpen.’

Baas Gil lachte, het klonk niet echt bezorgd. ‘Ach, Aes Sedai, u hebt me de enige herberg in heel Caemlin gegeven die geen ratten heeft. Wat kan ik dan nog meer vragen? Daarmee alleen al kan ik de prijzen verdubbelen.’ Zijn grijns verdween en hij keek ernstig. ‘Wat u ook gaat ondernemen, de koningin steunt Tar Valon en ik sta achter mijn koningin, dus wens ik u het allerbeste. Het Licht schijne op u, Aes Sedai. Het Licht schijne op u allen.’

‘Moge het Licht ook op u schijnen, baas Gil,’ antwoordde Moiraine met een hoofdbuiging. ‘Maar als het Licht nog ooit op iemand van ons wil vallen, moeten we snel zijn.’ Ze wendde zich abrupt tot Loial. ‘Ben je klaar?’

Met een bezorgde blik op de paardentanden pakte de Ogier de teugels van het grote paard. Terwijl hij de mond zo ver mogelijk van zijn hand probeerde te houden, leidde hij het dier naar de opening achter in de stal. Ramee hupte van de ene voet op de andere, hij wilde zo snel mogelijk de deur weer sluiten. Even bleef Loial met gebogen hoofd stilstaan, alsof hij een briesje op zijn wangen voelde.

‘Deze kant op,’ zei hij en hij liep de smalle steeg in.

Moiraine volgde meteen na Loials paard, toen Rhand en Mart. Rhand had de eerste beurt om het pakpaard te leiden. Nynaeve en Egwene vormden het midden van de rij, met Perijn achter hen, en Lan sloot de stoet. De verborgen deur zwaaide haastig dicht zodra Mandarb de smerige steeg was ingestapt. Het klikken van de grendels die hen buitensloten, klonk Rhand onnatuurlijk hard in de oren.

De steeg van baas Gil was inderdaad erg smal en zo mogelijk nog donkerder dan het erf. Hoge muren van baksteen of schuttingen sloten hen aan beide kanten in en er was slechts een kleine strook donkere hemel boven hun hoofden. De grote, gevlochten korven aan het pakpaard schraapten aan beide kanten langs de muren. Ze puilden uit van de voorraden, vooral door de vele aardewerken kruiken met olie. Een bundel stokken was over de lengte op de paardenrug gebonden en aan elke punt bungelde een onverlichte lantaarn. Loial had gezegd dat het op de saidinwegen donkerder was dan in de donkerste nacht.

De half gevulde lantaarns klotsten met de beweging van het paard mee en tinkelden met een metalig geluid tegen elkaar aan. Het was niet zo erg hard, maar zo vroeg in de dageraad was het rustig in Caemlin. Stil. Het dof metalen gerinkel klonk of het een span verder gehoord kon worden.

Toen de steeg op een straat uitkwam, koos Loial zonder stil te staan zijn richting. Hij leek nu precies te weten waar hij heen ging, alsof de te volgen weg duidelijker werd. Rhand begreep niet hoe de Ogier de saidinpoort kon vinden en Loial had het niet erg goed kunnen uitleggen. Hij wist het gewoon, had hij gezegd, hij kon het voelen. Loial beweerde dat het net was of je iemand wilde uitleggen hoe hij moest ademen.

Toen ze zich de straat door haastten, keek Rhand om naar de hoek van de straat waar De Koninginnezegen lag. Volgens Langwin waren er nog een handvol Witmantels vlak om de hoek. Al hun aandacht was op de herberg gericht, maar lawaai zou hen zeker aantrekken. Op dit uur waren er nog geen fatsoenlijke mensen buiten. De hoeven op de straatstenen leken te galmen als klokken; de lantaarns rinkelden alsof het pakpaard ze opzettelijk schudde. Pas toen ze de volgende hoek om waren, stopte hij met omkijken. Hij hoorde hoe de andere Emondsvelders daar ook een zucht van opluchting slaakten.

Loial leek recht op de saidinpoort af te koersen, welke straat hij ook insloeg. Soms draafden ze over brede lanen, verlaten, afgezien van de toevallige aanwezigheid van een hond die in het donker lag te grommen. Soms repten ze zich door stegen die even smal waren als die bij de stal, waar je moest oppassen waar je je voeten zette. Nynaeve klaagde zachtjes over de geuren die eruit opstegen, maar niemand reed langzamer.

De duisternis werd minder, werd diep donkergrijs. Het zwakke schijnsel van de dageraad parelde in de lucht boven de oostelijke daken. Enkele mensen verschenen op straat, dik ingepakt tegen de ochtendkou en met gebogen hoofden, alsof ze nog van hun bed droomden. De meesten schonken nergens aandacht aan. Slechts een handvol sloeg de ogen op naar de rij mensen en paarden, met Loial vooraan, maar slechts een enkeling zag ze ook echt.

Die ene man sloeg net als de anderen zijn ogen op en leek alweer in zijn eigen gedachten op te gaan, tot hij opeens struikelde, bijna viel en zich omdraaide om hen na te staren. Er was net genoeg licht om gestalten te zien, maar dat was al te veel. Als je hem vanuit de verte zag, alleen, kon de Ogier doorgaan voor een grote man die een gewoon paard leidde of voor een gewone man naast een ondermaats paard. Maar met de anderen in een rij achter hem die de juiste verhouding toonden, zag Loial er precies zo groot uit als hij was, de helft groter dan een mens. De man keek nogmaals en rende met een verstikte schreeuw weg, terwijl zijn mantel achter hem aan fladderde.

Er zouden gauw meer mensen op straat komen, heel gauw. Rhands ogen vielen op een vrouw die zich aan de andere kant van de straat voorthaastte en alleen maar het plaveisel vlak voor haar zag. Maar weldra zouden er meer mensen op straat verschijnen die waarschijnlijk niet zo onoplettend keken. In het oosten werd de lucht lichter.

‘Daar,’ verkondigde Loial ten slotte. ‘Het ligt daaronder.’ Hij wees op een winkel die nog steeds dicht was. De tafeltjes ervoor waren leeg, de luifel erboven was strak opgerold, de deur stevig dicht met luiken ervoor. De ramen erboven, waar de winkelier woonde, waren nog donker.

‘Eronder?’ riep Mart ongelovig uit. ‘Hoe bij het Licht kunnen we...?’

Moiraine hief haar hand om hem tot zwijgen te brengen en gebaarde hen haar te volgen, de steeg in naast de winkel. Paarden en mensen vulden de opening tussen de twee gebouwen. Overschaduwd door de muren was het daar donkerder dan in de straat, vrijwel zoals het ’s nachts was geweest.

‘Er moet een kelderdeur zijn,’ mompelde Moiraine. ‘Ah, ja.’

Opeens verscheen er een licht. Een koel glanzende bol ter grootte van een mannenvuist zweefde boven de handpalm van de Aes Sedai en bewoog met haar hand mee. Rhand dacht dat het goed aangaf wat ze allemaal al hadden meegemaakt; iedereen vond het maar heel gewoon. Ze hield de bol dicht bij wat ze had gezien. Schuine, vrijwel plat tegen de grond liggende luiken met een klamp in zware beugels en een ijzeren slot, nog groter dan Rhands hand en dik onder het roest.

Loial gaf een ruk aan het slot. ‘Ik kan hem met klamp en al eraf trekken, maar dat geeft zo’n herrie dat de hele buurt wakker zal worden.’

‘Laten we het eigendom van de burger niet beschadigen als we het kunnen voorkomen.’ Moiraine keek even strak naar het slot. Opeens tikte ze met haar staf tegen het verroeste ijzer en het slot sloeg keurig open.

Snel haalde Loial het slot weg en zwaaide de luiken open. Moiraine liep de helling af die zichtbaar werd en lichtte zich bij met de gloeiende bol. Aldieb stapte voorzichtig achter haar aan.

‘Steek de lantaarns aan en kom naar beneden,’ riep ze zachtjes. ‘Er is plaats genoeg. Opschieten. Het zal nu snel licht zijn.’

Rhand haastte zich om de lantaarnstokken los te maken van het pak paard, maar nog voor de eerste aan was, besefte hij dat hij Marts gezicht al kon zien. Nog heel even en mensen zouden de straten vullen en de winkelier zou naar beneden komen om zijn zaak te openen en iedereen zou zich afvragen waarom de steeg vol paarden stond. Mart mopperde zenuwachtig iets over paarden binnen, maar Rhand was blij dat hij de zijne de helling af kon leiden. Mart volgde mopperend, maar niet minder snel.