Выбрать главу

‘Maar dan nog, we hoeven nog lang niet weg. En ik wil ook vrijwilliger zijn voor de wachtrondes.’

‘We gaan nu’ antwoordde zijn vader op een toon die geen tegenspraak duldde. Zachter voegde hij eraan toe: ‘We zullen morgen ruim op tijd terug zijn, zodat je de dorpsmeester kunt spreken. En ook ruim op tijd voor het feest. Ik verwacht je over vijf minuten in de stal’

‘Ga je met ons mee wachtlopen?’ wilde Mart van Perijn weten toen Tham wegging. ‘Ik wed dat zoiets nog nooit eerder is gebeurd in Tweewater. Wie weet, als we naar de Taren rijden, zien we mogelijk soldaten of wat dan ook. Misschien wel ketellappers.’

‘Ik denk van wel,’ zei Perijn langzaam, ‘tenminste, als baas Lohan me niet nodig heeft.’

‘De oorlog is in Geldan,’ snauwde Rhand. Hij hield zich met moeite in. ‘De oorlog is in Geldan en de Aes Sedai zijn het Licht weet waar, maar daar vind je hier niks van. De man in de zwarte mantel was hier wél, of zijn jullie hem al vergeten?’ De anderen wisselden een verlegen blik.

‘Het spijt me, Rhand,’ mompelde Mart. ‘Maar de kans om iets anders te doen dan pa’s koeien te melken, komt niet zo vaak voor.’ Hij strekte zijn rug, terwijl de anderen hem verbaasd aankeken. ‘Hoor eens, ik melk ze echt, en nog wel iedere dag.’

‘De zwarte ruiter,’ herinnerde Rhand hem. ‘En als hij nou iemand iets doet?’

‘Misschien is het een vluchteling voor de oorlog,’ bedacht Perijn twijfelend.

‘Wat hij ook is,’ zei Mart, ‘de wachters zullen hem vinden.’

‘Misschien,’ zei Rhand, ‘maar hij lijkt te verdwijnen wanneer hij dat wil. Het zou beter zijn als ze weten dat ze naar hem moeten uitkijken.’ ‘We gaan het meester Alveren vertellen wanneer we ons melden voor de wachtrondes,’ zei Mart. ‘Hij zegt het dan tegen de raad en zij zullen de wachten inlichten.’

‘De raad?’ zei Perijn ongelovig. ‘We mogen van geluk spreken als de dorpsmeester ons niet hardop uitlacht. Baas Lohan en Rhands vader denken al dat wij bang zijn voor onze eigen schaduw.’

Rhand zuchtte. ‘Als we het gaan doen, kunnen we het net zo goed nu doen. Hij zal vandaag niet harder lachen dan morgen.’

‘Misschien,’ zei Perijn met een zijdelingse blik op Mart. ‘We moeten proberen anderen te vinden die hem hebben gezien. We zullen vanavond bijna iedereen in het dorp zien.’ Mart keek nog stuurser, maar hij zei nog steeds niets. Ze begrepen alledrie dat Perijn bedoelde dat ze betrouwbaarder getuigen dan Mart moesten zien te vinden. ‘Morgen lacht hij ook niet harder,’ voegde Perijn eraan toe toen Rhand aarzelde. ‘En ik heb liever iemand anders bij ons als we naar hem toe gaan. Het halve dorp zou me best uitkomen.’

Rhand knikte langzaam. Hij kon meester Alveren al horen lachen. Meer getuigen zouden zeker geen kwaad doen. En als zij alle drie die kerel hadden gezien, dan hadden anderen hem ook gezien. Dat moest wel. ‘Morgen dan. Jullie twee zoeken het vannacht uit en morgen gaan we naar de dorpsmeester. En daarna...’

Ze keken hem zwijgend aan. Geen van hen stelde de vraag wat er zou gebeuren als ze niemand anders konden vinden die de ruiter met de zwarte mantel had gezien. De vraag lag echter duidelijk in hun ogen te lezen en hij had geen antwoord. Hij zuchtte diep. ‘Ik kan nu maar beter gaan. Mijn vader zal zich afvragen of ik in een kuil ben gevallen.’

Met een ‘tot morgen’ draaide hij zich om naar het erf waar de marskramerwagen stond.

De stal was een lang, smal bouwsel onder een hoog rieten puntdak. Binnen was het schemerig en aan beide zijden waren stallen waarvan de vloeren bedekt waren met stro. Het weinige licht kwam door de openstaande dubbele deuren aan de voor- en achterkant. Het span van de kramer vrat haver aan acht ruiven en meester Alverens geweldige Durraners, de hengsten die hij verhuurde als boeren het niet met hun eigen paarden afkonden, vulden nog eens zes stallingen, daarnaast waren er slechts drie in gebruik. Rhand bedacht dat hij zonder enige moeite aan de paarden hun eigenaars kon herkennen.

De grote, zwarte hengst met brede borstkas die zijn hoofd vurig opzwaaide, moest van Lan zijn. De slanke witte merrie met de gebogen nek en het vlugge getrappel, die zelfs in de stal even sierlijk was als een dansend meisje, kon alleen van Moiraine zijn. Het laatste onbekende paard, een magere, spichtige, stofbruine ruin, paste volmaakt bij Thom Merrilin.

Tham stond achter in de stal. Hij hield Bela aan een touw vast en praatte zachtjes met Hu en Tad. Voor Rhand twee stappen in de stal had gezet, knikte zijn vader de twee stalknechten toe, bracht Bela naar buiten en gaf Rhand zwijgend te kennen mee te lopen.

Ze tuigden de ruige merrie in stilte op. Tham leek diep in gedachten zodat Rhand zijn mond hield. Hij keek niet echt verlangend uit naar zijn poging om zijn vader te overtuigen van het bestaan van de ruiter met de zwarte mantel, laat staan de dorpsmeester. Morgen zou er nog tijd genoeg zijn, als Mart en Perijn anderen hadden gevonden die de man hadden gezien. Als ze anderen vonden...

Toen de kar schokkend in beweging kwam, pakte Rhand zijn boog en pijlkoker uit de bak en gordde de koker onhandig aan zijn middel, terwijl hij naast de kar verder liep. Toen ze de laatste rij huizen van het dorp bereikten, legde hij een pijl aan en droeg de half geheven en gedeeltelijk gespannen boog mee. Er was niets te zien behalve grotendeels bladerloze bomen, maar hij was gespannen. De zwarte ruiter kon voor hen staan voor een van hen het besefte. Er kon wel eens amper tijd zijn om de boog te grijpen. Hij hield hem liever al klaar.

Hij wist dat hij de spanning niet op de boogpees kon blijven vasthouden. Hij had de boog zelf gemaakt en Tham was een van de weinigen in het gewest die de pees helemaal tot aan zijn wang kon trekken. Hij keek rond op zoek naar iets anders om over te denken dan een zwarte ruiter. Maar het donkere woud en hun in de wind flapperende mantels maakten dat er niet gemakkelijker op.

‘Vader,’ zei hij ten slotte. ‘Ik begrijp niet waarom de raad met Padan Fajin moest praten.’ Met enige moeite wist hij zijn blik van het bos los te maken en keek over Bela’s rug naar Tham. ‘Volgens mij hadden jullie de beslissing die jullie binnen hebben genomen, ook daar ter plekke, voor de herberg, kunnen nemen. De dorpsmeester joeg iedereen de stuipen op het lijf met zijn gepraat over Aes Sedai en valse Draken hier in Tweewater.’

‘Mensen doen soms vreemd, Rhand, zelfs de beste. Neem Haral Lohan. Baas Lohan is een sterke kerel en ook dapper, maar hij wordt bij de slacht zo wit als een laken.’

‘Wat heeft dat ermee te maken? Iedereen weet dat hij geen bloed kan zien en alleen de Kopins en Kongars maken er een punt van.’

‘Alleen dit, kerel. Mensen denken of doen niet altijd wat je misschien gelooft dat ze doen. Die mensen daar in het dorp... als de hagel hun oogst in de modder neerslaat en de wind elk dak in de streek doet wegwaaien en wolven de helft van hun vee doden, dan rollen ze de mouwen op en gaan alles weer opbouwen. Ze zullen mopperen, maar ze verknoeien geen tijd. Maar laat ze heel even aan Aes Sedai of valse Draken in Geldan denken en ze beseffen ontzettend snel dat Geldan niet zo ver van het Schaduwwoud ligt en dat een rechte lijn tussen Tar Valon en Geldan niet zo ver van ons vandaan loopt. Alsof de Aes Sedai dwars door het land zouden trekken in plaats van de weg door Caemlin en Lugard te nemen. En morgenvroeg zou het halve dorp zelf hebben besloten dat de oorlog elk moment bij ons kan uitbarsten. Het zou weken kosten om iedereen dat weer uit het hoofd te praten. Wat zouden we dan een fijne Beltije hebben. Dus vertelde Bran het ze liever voor ze er zelf op kwamen. Ze hebben gehoord dat de raad het probleem heeft opgepakt en ze zullen nu wel hebben gehoord wat we besloten hebben. Ze hebben ons in de dorpsraad gekozen omdat ze erop vertrouwen dat wij alles op de beste manier voor iedereen zullen oplossen. Ze vertrouwen op ons oordeel. Zelfs op dat van Cen, wat voor ons niet zo vleiend is, naar ik aanneem. In elk geval zullen ze horen dat ze zich nergens zorgen over hoeven te maken en dat zullen ze geloven. Uiteindelijk komen ze natuurlijk tot dezelfde conclusie, of niet, maar op deze manier wordt Beltije niet verpest en hoeft niemand zich wekenlang zorgen te maken over iets wat waarschijnlijk nooit gebeurt. Als het ondanks alles toch gebeurt... wel, de wachten zullen ons op tijd waarschuwen om te doen wat gedaan moet worden. Maar ik denk niet dat het zover zal komen.’