Rhands lantaarn zwaaide aan het eind van de stok heen en weer en stootte tegen de zoldering als hij niet oppaste. Noch Rood noch het pakpaard vond de helling prettig. Toen was hij beneden en maakte ruimte vrij voor Mart. Moiraine doofde haar zwevende licht, maar toen de anderen om haar heen stonden, verlichtten hun lantaarns de open ruimte voldoende.
De kelder was even diep en breed als het gebouw erboven. Veel ruimte werd in beslag genomen door stenen pilaren die van een smalle voet omhoogwelfden en tegen de zoldering wel vijfmaal zo breed waren. De hele kelder leek uit een serie bogen te bestaan. Er was meer dan genoeg ruimte, maar Rhand vond het nog krap. Het hoofd van Loial raakte de zoldering. Zoals het roestige slot al had duidelijk gemaakt, was de kelder al een lange tijd buiten gebruik. De vloer was leeg, afgezien van enkele kapotte vaten die met allerlei troep waren gevuld en een dikke laag stof. Stofjes, verstoord door zoveel voeten, fonkelden in het lantaarnlicht.
Lan kwam als laatste en zodra Mandarb de helling af was, ging Lan terug om de luiken te sluiten.
‘Bloed en as,’ gromde Mart, ‘waarom hebben ze een van die poorten op zo’n plek gebouwd?’
‘Het was niet altijd zo,’ zei Loial. Zijn schallende stem kaatste in de grotachtige ruimte heen en weer. ‘Niet altijd. Nee!’ De Ogier was kwaad, besefte Rhand met een schok. ‘Vroeger stonden hier bomen, alle mogelijke, elk soort boom die de Ogier konden overhalen om hier te groeien. De Grote Bomen wel honderd stap hoog. De schaduw van takken en koele briesjes vingen de geur van blad en bloem en bewaarden de gedachte aan de vrede van de stedding. Dat allemaal, omgebracht voor dit!’ Zijn vuist sloeg tegen een pilaar. De zuil leek onder die slag te schudden. Rhand was er zeker van dat hij stenen hoorde scheuren. Stroompjes droge mortel vielen uit de zuil omlaag.
‘Wat reeds is geweven, kan niet worden ontknoopt,’ zei Moiraine zacht. ‘De bomen zullen voor jou niet opnieuw groeien, al zou je het hele gebouw boven ons laten instorten.’ Loials neerhangende wenkbrauwen zorgden ervoor dat hij er nog beteuterder uitzag dan een menselijk gezicht had kunnen klaarspelen.
‘Met jouw hulp, Loial, kunnen we misschien de nog bestaande gaarden behouden, zodat ze niet onder de Schaduw zullen vallen. Je hebt ons gebracht bij wat we zoeken.’
Toen ze zich naar een van de muren begaf, besefte Rhand dat die muur van de andere verschilde. Drie waren er van gewone baksteen, maar deze was van ingewikkeld bewerkte steen, met fraaie versieringen van bladeren en ranken, bleekwit, zelfs onder de dikke stoflaag. De baksteen en de mortel waren oud, maar iets aan deze steen zei dat hij daar lang had gestaan, lang voor de baksteen was gebakken. Latere bouwers, zelf al eeuwen verdwenen, hadden gebruikt wat er al stond en nog later hadden mensen het een deel van de kelder gemaakt.
Een deel van de bewerkte stenen muur, precies in het midden, was nog fraaier bewerkt dan de rest. Hoe goed de rest ook was gemaakt, daarmee vergeleken leek het maar een ruw afgietsel. Uitgehakt in de harde steen leken die bladeren zacht, gevangen in een verstild ogenblik waarin een zachte zomerbries hen bewoog. Ondanks dat alles voelden ze eeuwenoud, minstens zoveel ouder dan de rest van het beeldhouwwerk, en dat was weer ouder dan de gemetselde muren. Loial keek ernaar alsof hij liever overal elders wilde zijn, zelfs buiten op straat in een menigte.
‘Avendesora,’ mompelde Moiraine, die haar hand op het drievoudige blad in het reliëf legde. Rhand bekeek het reliëf; het blad was het enige van die soort dat hij kon vinden. ‘Het blad van de Levensboom is de sleutel,’ zei de Aes Sedai en ze haalde het blad eruit.
Rhand knipperde met zijn ogen; achter zich hoorde hij hoe de anderen naar adem snakten. Dat blad was net zo’n deel van de muur geweest als elk ander blad. Even gemakkelijk zette de Aes Sedai het een handlengte lager weer in het patroon terug. Het driepuntige blad bleef daar zitten alsof die plek ervoor was bedoeld en werd opnieuw een deel van de muur. Zodra het blad op zijn plaats zat, veranderde het middelste reliëf van aard.
Hij wist zeker dat hij de bladeren zag bewegen in een bries die niet te voelen was. Ze leken haast groen onder het stof, een wandkleed van weelderig lentegroen in de door lantaarns verlichte kelder. Aanvankelijk vrijwel onmerkbaar werd in het midden van het oeroude beeldhouwwerk een spleet zichtbaar, die wijder werd tot de twee helften langzaam de kelder inzwaaiden en recht naar voren stonden. De achterkant van de poorthelften was even rijk bewerkt als de voorkant, met dezelfde overdaad van bijna levende ranken en bladeren. Daarachter, waar een vuile kelder van het huis ernaast zou moeten zijn, weerkaatste een doffe glans zwakjes hun spiegelbeeld.
‘Ik heb gehoord,’ zei Loial half bedroefd, half bang, ‘dat de saidinpoorten vroeger glommen als spiegels. Wie vroeger de saidinwegen bereisde, liep in de zon en onder een blauwe hemel. Vroeger.’
‘We hebben geen tijd om te wachten,’ zei Moiraine.
Lan passeerde haar met Mandarb, een stoklantaarn in zijn hand. Zijn schaduwachtige spiegelbeeld kwam dichterbij en voerde een schaduwpaard mee. Man en spiegelbeeld leken in het glimmende oppervlak in elkaar te stappen en toen waren beiden verdwenen. Heel even stribbelde de zwarte hengst tegen, terwijl een schijnbaar doorlopende teugel hem verbond met zijn vage evenbeeld. De teugel kwam strak te staan en ook het strijdros verdween.
In de kelder bleven ze allemaal een moment roerloos naar de saidinpoort staren.
‘Opschieten,’ drong Moiraine aan, ‘ik moet er als laatste door. We kunnen dit niet open laten staan, zodat iemand het per ongeluk vindt. Opschieten.’
Met een diepe zucht schreed Loial de glans in. Zijn grote paard wierp het hoofd achterover en wilde blijven staan, maar het werd zonder mankeren verder getrokken. Ze waren even volkomen verdwenen als de zwaardhand en Mandarb.
Aarzelend zwaaide Rhand zijn lantaarn naar de saidinpoort. De lantaarn zakte weg in zijn spiegelbeeld en de twee versmolten en verdwenen. Hij dwong zichzelf verder te lopen, zag de stok duim voor duim in zichzelf verdwijnen en stapte erdoorheen toen hij de poort betrad. Zijn mond viel open. Er gleed iets ijzigs over zijn huid, alsof hij door een muur van koud water liep. De tijd rekte zich uit; de kou wikkelde zich om hem heen en doortrok zijn kleren draad voor draad.
Opeens barstte de kilte als een zeepbel open en bleef hij staan om adem te halen. Hij was in de saidinwegen. Even verder stonden Lan en Loial geduldig bij hun paarden te wachten. Overal om hen heen hing een duisternis die zich eeuwig leek uit te strekken. Hun lantaarns maakten een klein lichtcirkeltje, te klein, alsof iets het licht terugdrukte of eraan vrat.
Opeens bezorgd gaf hij een ruk aan de teugels. Rood en het pakpaard sprongen door de poort en liepen hem bijna omver. Struikelend richtte hij zich op en haastte zich naar de Ogier en de zwaardhand, waarbij hij de zenuwachtige paarden meetrok. De dieren hinnikten zachtjes. Zelfs Mandarb leek enige troost te putten uit de aanwezigheid van de andere paarden.
‘Kijk uit als je door een saidinpoort gaat, Rhand,’ waarschuwde Loial. ‘De dingen zijn... anders in de saidinwegen. Kijk maar.’
Hij keek om in de richting waarin de Ogier wees, menend dat hij dezelfde doffe glans zou zien. Maar hij kon de kelder inkijken alsof hij door een beroet stuk glas keek dat in het donker zweefde. Heel verontrustend gaf de duisternis rond het raam naar de kelder een idee van diepte, alsof daar alleen een opening bestond met niets eromheen of erachter dan de duisternis. Hij vertelde dat met een bevend lachje aan Loial, maar die vatte het ernstig op.
‘Je kunt er helemaal omheen lopen en aan de andere kant zou je absoluut niets zien. Maar ik raad het je niet aan. De boeken zijn niet echt duidelijk over wat er achter de saidinpoorten ligt. Ik vermoed dat je daar verdwaalt en nooit meer een uitgang vindt.’
Rhand schudde zijn hoofd en probeerde meer op de poort te letten dan op wat erachter lag, maar dat was eigenlijk net zo verontrustend. Als er iets te zien was in de duisternis naast de poort, dan had hij liever daarnaar gekeken. In de kelder waren Moiraine en de anderen duidelijk zichtbaar, maar ze bewogen zich als in een droom. Als hun ogen knipperden, leek het een opzettelijk, overdreven gebaar. Mart liep net de poort door, alsof hij door een doorzichtige gelei liep; zijn benen leken een zwemmende beweging te maken.