Выбрать главу

‘Het Rad draait sneller in de saidinwegen,’ legde Loial uit. Hij keek naar de duisternis om hen heen en zijn hoofd zakte tussen zijn schouders. ‘Er is geen levende ziel die meer weet dan wat stukjes en beetjes. Ik ben bang voor wat ik niet weet van de saidinwegen, Rhand.’

‘De Duistere,’ zei Lan, ‘kan niet worden verslagen zonder iets te wagen. Maar momenteel zijn we in leven en voor ons ligt de hoop in leven te blijven. Geef je niet over voor je verslagen bent, Ogier.’

‘U zou niet zo zelfverzekerd praten als u ooit in de saidinwegen was geweest.’ Het gewone gerommel van Loials stem leek gedempt te worden. Hij staarde de duisternis in alsof hij daar dingen zag. ‘Ik ben er ook nog nooit geweest, maar ik heb Ogier gezien die een saidinpoort hebben betreden en er weer uit zijn gekomen. U zou zo niet praten als u ze ook had gezien.’

Mart stapte de poort door en liep weer gewoon. Heel even staarde hij de schijnbaar eindeloze duisternis in en rende toen zo snel mogelijk naar hen toe. De lantaarn wipte aan zijn stok op en neer en zijn paard sprong achter hem aan, waardoor hij bijna viel. Een voor een kwamen de anderen erdoor. Perijn, Egwene en Nynaeve; elk bleef in geschokte stilte staan, voor ze zich haastig bij de anderen voegden. Elke lantaarn maakte het plasje licht groter, maar niet zoveel groter als zou moeten. Het leek net of het duister dikker werd naarmate er meer licht binnenkwam, alsof het vocht tegen het licht. Maar daaraan wilde Rhand liever niet denken. Het was al erg genoeg dat ze daar waren, zonder dat hij de duisternis een eigen wil toedacht. Toch leek iedereen de druk te voelen. Er klonken geen wrange opmerkingen van Mart, terwijl Egwene keek of ze wilde dat ze nooit besloten had mee te gaan. Ze staarden zwijgend naar de saidinpoort, het laatste venster op een bekende wereld.

Op het laatst was alleen Moiraine nog in de kelder, vaag verlicht door de lantaarn die ze had gekregen. De Aes Sedai bewoog nog steeds op die dromerige manier. Haar hand kroop naar het Avendesorablad. Aan deze kant zat het lager in het beeldhouwwerk, zag Rhand, precies op de plaats waar ze het aan de andere kant had gestoken. Ze haalde het los en zette het terug op de oorspronkelijke plek. Hij vroeg zich opeens af of het blad aan de andere kant ook was teruggegaan.

De Aes Sedai kwam door de poort en voerde Aldieb mee, waarna de stenen poort zich langzaam achter haar sloot. Ze kwam bij hen staan en het licht van haar lantaarn viel niet meer op de poort. Het donker verzwolg het steeds smallere beeld van de kelder. Het licht van hun lantaarns werd door de duisternis belegerd.

Het leek of de lantaarns het enige licht gaven dat er op de wereld was te vinden. Rhand besefte dat hij schouder aan schouder tussen Perijn en Egwene stond. Egwene keek hem met grote ogen aan en drukte zich nog steviger tegen hem aan en Perijn maakte geen aanstalten hem wat ruimte te geven. Nu de hele wereld door het duister leek re zijn opgeslokt, was er iets geruststellends aan de aanraking van de anderen. Zelfs de paarden leken de saidinwegen re voelen toen ze zich regen elkaar aanpersten.

Uiterlijk onbezorgd zwaaiden Lan en Moiraine zich in hun zadels. De Aes Sedai boog zich naar voren en liet haar armen rusten op de besneden staf die dwars over de hoge zadelknop lag. ‘We moeten op weg, Loial.’

Loial schrok op en knikte hevig, ‘Ja, ja, Aes Sedai, u hebt gelijk. Geen tel langer dan nodig is.’ Hij wees op een brede streep wit die onder hun voeten doorliep en Rhand stapre er snel vanaf. Alle Emondsvelders deden hetzelfde. Rhand dacht dat de bodem ooit glad was geweest, maar die gladheid was nu bepokt, alsof de steen ziek was. De witte lijn was op verschillende plekken onderbroken. ‘Deze leidt van de saidinpoort naar de eerste wegwijzer. Daarna...’ Loial keek bezorgd rond en klom toen op zijn paard zonder iets van de aarzeling te tonen die hij eerder had gehad. Het paard had het grootste zadel dat de stalknecht had kunnen vinden, maar Loial vulde het van zadelknop tot achterboom. Zijn voeten hingen aan beide kanten bijna op de grond. ‘Geen tel langer dan nodig is,’ mompelde hij. Met tegenzin stegen de anderen op.

Moiraine en Lan reden aan weerszijden van de Ogier en volgden de witte streep door het donker. Alle anderen volgden zo dicht mogelijk achter hen, terwijl de lantaarns boven hun hoofden op en neer wipten. Ze zouden genoeg licht moeten geven voor een heel huis, maar het licht reikte maar tien voet ver. Het donker hield het tegen alsof er een muur stond. Het gekraak van de zadels en het geklepper van de hoeven op steen leken slechts tot de rand van het licht te reiken.

Rhands hand bleef voortdurend naar zijn zwaard zoeken. Niet omdat hij dacht dat er daarbuiten iets was waartegen hij zich met zijn zwaard kon verdedigen. Niets gaf de indruk dat er ergens een plek was waar zich iets kon ophouden. De bol van licht om hen heen kon net zo goed een grot zijn, met aan alle kanten rotswanden zonder een enkele opening. De paarden hadden net zo goed in een tredmolen kunnen lopen, zo weinig veranderde er. Hij omklemde het gevest alsof de druk van zijn hand de steen kon wegduwen die hij loodzwaar op zich voelde liggen. Als hij het zwaard aanraakte, kon hij terugdenken aan Thams lessen. Een korte tijd kon hij de kalmte van de leegte voelen. Maar het gewicht keerde altijd weer terug, drukte de leegte tezamen tot het slechts een grot in zijn geest was en dan moest hij opnieuw beginnen en weer Thams zwaard aanraken om het zich te herinneren.

Het luchtte op toen er iets in de omgeving veranderde, zelfs al was het maar een hoge rechtopstaande rotsplaat die in het donker voor hen opdoemde. Aan de voet ervan eindigde de brede witte lijn. Het brede oppervlak was ingelegd met golvende metalen spiralen, sierlijke lijnen die Rhand deden denken aan ranken en bladeren. Verkleurde pokken merkten zowel het metaal als de steen.

‘De wegwijzer,’ zei Loial en hij boog zich in het zadel naar voren om gefronst naar de golvende metalen lijnen te kijken. ‘Ogierschrift,’ zei Moiraine, ‘maar zo kapot dat ik nauwelijks kan lezen wat er staat.’

‘Ik kan het ook amper,’ zei Loial, ‘maar net genoeg om te zien dat we deze kant op moeten.’ Hij wendde zijn paard van de wegwijzer af.

De randen van hun lampen raakten ander gesteente. Het leken bruggen, met stenen leuningen die wegbogen in de duisternis, en zacht glooiende hellingen zonder leuningen, die omhoog en omlaag liepen. Tussen bruggen en hellingen stond echter een soort balustrade die tot de schoften van hun paarden reikte, alsof een val daar in ieder geval gevaarlijk was. De balustrade was van eenvoudige witte steen, in simpele bochten en cirkels die zich tot ingewikkelde patronen aaneensloten. Rhand meende bijna er iets bekends aan te zien, maar hij wist dat het zijn verbeelding was, die iets wilde herkennen in die vreemde omgeving. Aan de voet van een van de bruggen bleef Loial staan om de ene lijn te lezen op de smalle pilaar die daar stond. Instemmend knikkend reed hij de brug op. ‘Dit is de eerste brug van onze weg,’ zei hij over zijn schouder tegen de anderen.

Rhand vroeg zich af wat de brug omhooghield. De paardenhoeven maakten een knarsend geluid, alsof er bij iedere stap iets van de brug afschilferde. Alles wat hij zag, zat vol ondiepe gaten, sommige kleine speldenprikken, andere ondiepe, ruwe kraters van een stap breed, alsof er een zuur had geregend of de rots aan het rotten was. De muren hadden ook scheuren en gaten. Op sommige plekken was de muur wel een hele stap verdwenen. Voor zover hij wist kon de brug tot het middelpunt van de wereld een en al rots zijn, maar wat hij zag, deed hem hopen dat hij lang genoeg zou blijven staan om de andere kant te bereiken. Waar dat ook mocht zijn.

Uiteindelijk kwam er een eind aan de brug, op een plek die in niets van het begin verschilde. Rhand zag alleen maar wat hun kleine cirkel van licht raakte, maar hij kreeg de indruk dat het een grote ruimte was, als een afgeplatte heuvel met bruggen en hellingen aan alle kanten. Loial noemde het een eiland. Er stond weer een wegwijzer met Ogierschrift. Rhand dacht dat de wijzer midden op het eiland stond, maar dat viel onmogelijk te bepalen. Loial las hem en reed toen een van de hellingen op, die hoger en hoger slingerde.