Выбрать главу

Na een eindeloze klim die voortdurend draaide, leidde de helling naar een volgend eiland, gelijk aan dat waar de helling was begonnen. Rhand probeerde zich de bochten van de helling voor te stellen en gaf het toen op. Dit eiland kan niet vlak boven dat andere liggen. Dat kan niet.

Weer bestudeerde Loial een nieuwe plaat vol Ogierschrift, vond een volgende pilaar en leidde hen een volgende brug over. Rhand had geen enkel idee meer van de richting die ze uit gingen.

In hun dicht opeengedrongen lichtplekje was de ene brug precies gelijk aan de vorige, behalve dat sommige breuken in de muren hadden en andere niet. Slechts de mate waarin iedere wegwijzer was beschadigd, zorgde voor enig verschil tussen de eilanden. Rhand verloor elk gevoel van tijd; hij wist niet eens zeker hoeveel bruggen ze waren overgestoken of over hoeveel hellingen ze hadden gereden. Maar de zwaardhand moest een klok in zijn hoofd hebben. Net toen Rhand zijn maag voelde knorren, kondigde Lan kalm aan dat het middag was en stapte af om brood, kaas en gedroogd vlees te pakken. Op dat moment leidde Perijn het pakpaard. Ze stonden op een eiland en Loial was druk bezig de aanwijzingen op de wegwijzer te ontcijferen.

Mart wilde van zijn paard stappen, maar Moiraine zei: ‘Tijd is op de saidinwegen te kostbaar om te verknoeien. Veel te kostbaar voor ons. We stoppen pas als het tijd is om te slapen.’ Lan zat alweer op Mandarb.

Rhand had bij de gedachte aan slapen op de saidinwegen geen trek meer. Het was er altijd nacht, maar niet het soort nacht om te slapen. Toch at hij net als de anderen tijdens het rijden. Het was een onhandige toestand omdat hij onder het eten toch de lantaarnstok en teugels goed vast moest houden. Ondanks het feit dat hij zich ingebeeld had dat hij geen honger had, at hij alles tot het laatste kruimeltje op en verlangde daarna hevig naar meer. Hij begon zelfs te denken dat de saidinwegen nog zo erg niet waren, lang niet zo erg als Loial had beschreven. Misschien gaven ze je wel het gevoel van een dreigende storm, maar er veranderde niets. Er gebeurde niets. De saidinwegen waren bijna saai.

Toen werd de stilte verbroken door een verrast gegrom van Loial. Rhand ging in zijn stijgbeugels staan om langs de Ogier te turen en moest hevig slikken toen hij de oorzaak van Loials gegrom zag. Ze stonden midden op de brug en op een paar voet afstand eindigde de brug in een afgebrokkeld gat.

45

Wat in Schaduwen volgt

Het licht van hun lantaarns reikte net ver genoeg om de andere helling te zien, die als een reusachtige gebroken tand het duister instak. Loials paard schraapte zenuwachtig met een hoef en een losse steen viel in het doodse zwart omlaag. Als er een geluid was toen hij de bodem raakte, dan hoorde Rhand dat nooit.

Hij dreef Rood dichter bij het gat. Hoe ver hij zijn lantaarn ook de diepte instak, hij zag niets. Zowel onder als boven hing het duister, het licht afsnijdend. Als er een bodem was, dan kon die duizend voet dieper liggen. Of nergens zijn. Maar op deze manier kon hij wel onder de brug kijken om te zien waar die op rustte. Op niets. De brug was minder dan een stap dik en er zat absoluut niets onder.

Opeens leek de steen onder zijn paard zo dun als papier; de bodemloze diepte trok hem aan. De stok en lantaarn leken plotseling zwaar genoeg om hem zo uit het zadel te trekken. Zijn hoofd duizelde en hij trok zijn vos even voorzichtig van de afgrond weg als hij ernaartoe was gestapt.

‘Is dit waarvoor je ons hier hebt gebracht, Aes Sedai?’ zei Nynaeve. ‘Dit alles, alleen maar om te ontdekken dat we uiteindelijk toch terug moeten naar Caemlin?’

‘We hoeven niet terug,’ zei Moiraine. ‘Niet de hele weg naar Caemlin. Er leiden vele wegen over de saidinwegen naar elke willekeurige plek. We hoeven alleen maar zover terug te keren tot Loial een ander pad naar Fal Dara kan vinden. Loial? Loial!’

De Ogier kon maar met moeite zijn ogen van de kloof losrukken. ‘Wat? O. Ja, Aes Sedai. Ik kan een andere richting vinden. Ik moest...’ Zijn ogen gleden weer naar de afgrond en zijn oren bewogen. ‘Nooit in mijn leven had ik kunnen dromen dat het bederf al zo ver was voortgeschreden. Als de bruggen zelf breken, kan het zijn dat ik dat pad van u niet kan vinden. Het kan ook zijn dat ik de richting terug niet meer kan vinden. Op dit moment kunnen zelfs de bruggen achter ons instorten.’

‘Er moet een weg zijn,’ zei Perijn vlak. Zijn ogen leken het licht op te zuigen en goudachtig te gloeien. Een wolf op jacht, dacht Rhand verbaasd. Daar lijkt hij op.

‘Het zal gaan zoals het Rad weeft,’ zei Moiraine, ‘maar ik geloof niet dat het bederf al zo ver is, als jij vreest. Kijk naar de steen, Loial. Zelfs ik kan zien dat het een oude breuk is.’

‘Ja,’ zei Loial langzaam. ‘Ja, Aes Sedai, ik kan het zien. Hier bestaan geen regen en wind, maar die steen is al tien jaar verdwenen, minstens.’ Hij knikte met een opgeluchte grijns, zo blij met de ontdekking dat hij heel even zijn angst leek te vergeten. Toen keek hij rond en haalde bezorgd zijn schouders op. ‘Ik kan gemakkelijker een andere richting vinden dan Mafal Dadaranell. Tar Valon bijvoorbeeld? Of stedding Shangtai? Vanaf het vorige eiland is het maar drie bruggen naar stedding Shangtai. Ik veronderstel dat de Ouderen onderhand wel met me willen praten.’

‘Fal Dara, Loial,’ zei Moiraine ferm. ‘Het Oog van de Wereld ligt achter Fal Dara en we moeten naar het Oog toe.’

‘Fal Dara,’ gaf de Ogier zieligjes toe.

Terug op het eiland tuurde Loial strak naar de met schrift bedekte rotsplaat, de treurige wenkbrauwen omlaaggetrokken, terwijl hij half in zichzelf stond te mompelen. Algauw praatte hij alleen in zichzelf, want hij verviel in de Ogiertaal. Die zangerige taal klonk als zingende vogels met lage stemmen. Het leek Rhand vreemd dat een volk dat zo groot was, zo’n muzikale taal had.

Ten slotte knikte de Ogier. Toen hij ze naar de gekozen brug leidde, keerde hij zich om en tuurde droevig naar de pilaar bij een andere brug. ‘Drie oversteken naar stedding Shangtai.’ Hij zuchtte. Maar hij leidde ze verder zonder te stoppen en reed de derde brug daarachter op. Hij keek spijtig om toen ze eroverheen reden, hoewel de brug naar zijn thuis in het duister verborgen lag.

Rhand voerde de vos tot naast de Ogier. ‘Als dit voorbij is, Loial, moet je me je stedding laten zien en dan laat ik je Emondsveld zien. Maar niet over de saidinwegen. We gaan lopen of rijden, ook al kost het een hele zomer.’

‘Geloof je echt dat het ooit voorbij zal zijn, Rhand?’

Hij keek de Ogier fronsend aan. ‘Je hebt gezegd dat we over twee dagen in Fal Dara zijn.’

‘Ik had het niet over de saidinwegen, Rhand. Al het andere.’ Loial keek om naar de Aes Sedai, die zachtjes met Lan praatte terwijl ze naast elkaar reden. ‘Waardoor denk jij dat het ooit voorbij zal zijn?’ De bruggen en hellingen leidden hen verder. Soms liep een witte lijn vanaf de wegwijzer het duister in, net als de streep die ze van de saidinpoort in Caemlin hadden gevolgd.

Rhand merkte dat hij niet de enige was die de lijnen nieuwsgierig en met enig verlangen volgde.

Nynaeve, Perijn, Mart en zelfs Egwene lieten de strepen met tegenzin links liggen. Elke witte lijn zou naar een saidinpoort voeren, een poort terug naar de wereld, waar een hemel was, en zon en wind. Zelfs de wind zou welkom zijn. Maar ze konden niet ontsnappen aan het scherpe oog van de Aes Sedai. Rhand was niet de enige die omkeek, zelfs als eiland, wegwijzer en lijn allang door het duister waren opgeslokt.

Rhand zat al te gapen tegen de tijd dat Moiraine aankondigde dat ze voor de nacht zouden stoppen op een van de eilanden. Mart tuurde in de duisternis om hen heen en grinnikte hardop, maar hij stapte even snel af als de anderen. Lan en de jongens zadelden af en kluisterden de paarden, terwijl Nynaeve en Egwene een klein oliepotje opzetten voor thee. Het zag eruit als de onderkant van een lantaarn en volgens Lan gebruikten de zwaardhanden zo’n ding in de Verwording, waar het gevaarlijk was om een houtvuur aan te leggen.