Rhand moest op haar oordeel afgaan, maar hij tuurde de duisternis in alsof hij verder kon kijken dan tien voet en luisterde ingespannen. Als Trolloks de saidinwegen konden gebruiken, dan kon die onbekende volger een ander schepsel van de Duistere zijn. Of meer dan een. Lan had gezegd dat hij het op de saidinwegen niet kon zeggen. Maar elke keer als ze een brug overstaken, ’s middags op de paardenrug aten en nog meer bruggen passeerden, hoorde hij alleen het gekraak van hun eigen zadels, de hoeven van de paarden en soms het gekuch of gemompel van iemand anders. Later kwam er ook nog een verre wind bij, daar ergens in het donker. Hij kon niet zeggen uit welke richting die kwam. Eerst dacht hij dat hij het zich verbeeldde, maar allengs werd hij er zekerder van.
Fijn om de wind weer te voelen, zelfs al is hij koud.
Opeens knipperde hij met zijn ogen. ‘Loial, zei je niet dat er helemaal geen wind is op de saidinwegen?’
Loial hield zijn paard vlak voor het volgende eiland in en hield zijn hoofd scheef om te luisteren. Langzaam werd zijn gezicht bleek en likte hij zijn lippen af. ‘Machin Shin,’ fluisterde hij hees. ‘De Zwarte Wind. Het Licht verlichte en bescherme ons. De Zwarte Wind!’
‘Hoeveel bruggen nog?’ vroeg Moiraine scherp. ‘Loial, hoeveel bruggen?’
‘Twee. Twee, denk ik.’
‘Vlug dan,’ zei ze en ze liet Aldieb het eiland opdraven. ‘Kijk snel.’ Loial praatte in zichzelf, of tegen iedereen die zat te luisteren, terwijl hij de wegwijzer las. ‘Ze kwamen er waanzinnig uit, krijsend over Machin Shin. Het Licht helpe ons! Zelfs zij die de Aes Sedai konden helen...’ Hij zocht de steen gehaast af en galoppeerde naar de gekozen brug met een geschreeuwd: ‘Deze kant op!’
Ditmaal stopte Moiraine niet om voor zich uit te tasten. Ze spoorde de groep aan tot een galop. De brug trilde onder de paarden en de lantaarns zwaaiden wild boven hen heen en weer. Loial liet zijn ogen over de volgende wegwijzer schieten en trok zijn grote ros snel rond, haast als een strijdros op het slagveld, nog voor het stilstond. Het geluid van de wind werd luider. Rhand kon het zelfs boven het geklepper van de hoeven op de rots horen. Het klonk achter hen en de windvlagen naderden.
Ze keken niet meer naar de laatste wegwijzer. Zodra het licht van de lantaarns daar op de witte lijn viel, zwaaiden ze in volle galop die kant op. Het eiland verdween achter hen en toen waren er alleen nog maar de gepokte grijze rotsen onder de hoeven en de witte streep. Rhand zat zo hard te hijgen dat hij niet eens meer zeker wist of hij de wind kon horen.
Uit de duisternis doemden de met ranken besneden poorten op, een klein stukje muur in de nacht. Moiraine boog zich uit haar zadel naar voren, stak haar hand uit naar het snijwerk en trok hem plotseling terug.
‘Het Avendesorablad is er niet!’ riep ze. ‘De sleutel is weg!’
‘Licht!’ schreeuwde Mart. ‘Bloedlicht!’ Loial gooide zijn hoofd achterover en slaakte een treurige kreet, als het gejank van een stervende.
Egwene raakte Rhands arm aan. Haar lippen beefden, maar ze keek alleen naar hem. Hij legde zijn hand op de hare en hoopte dat hij er niet banger uitzag dan zij. Hij voelde zich wel zo. Achter hen, in de richting van de wegwijzer, huilde de wind. Hij meende er bijna stemmen in te horen, stemmen die zulke smerigheden krijsten dat ze, zelfs half begrepen, het zuur uit zijn maag omhoog lieten komen.
Moiraine hief haar staf en vuur sloeg uit de top. Het was niet de pure witte vlam die Rhand zich van Emondsveld herinnerde en van de slag voor Shadar Logoth. Een ziekelijk geel trok vurige strepen. Trage vlokjes zweefden roetzwart weg. Een dunne, bijtende rook kringelde van de vlam weg, waardoor Loial begon te kuchen en de paarden zenuwachtig heen en weer begonnen te dansen, maar Moiraine richtte de straal op de poort. De rook beet in Rhands keel en voelde branderig in zijn neus.
Steen smolt als boter, blad en rank verschrompelden in het vuur en verdwenen. De Aes Sedai bewoog het vuur zo snel ze kon, maar het branden van een gat dat groot genoeg was om hen door te laten, ging niet snel. Rhand vond dat de boog gesmolten steen met een slakkengang vorm kreeg. Zijn mantel bewoog alsof die door een zuchtje wind werd gevangen en zijn hart leek stil te staan.
‘Ik kan het voelen,’ zei Mart met een haperende stem. ‘Licht, ik kan het voelen.’
Het vuur doofde en Moiraine liet haar staf zakken. ‘Klaar,’ zei ze. ‘Bijna klaar.’
Een dunne lijn liep over het reliëf. Rhand meende licht te zien – vaag, maar het was licht – door de kier. Ondanks het snijden stonden de twee gebogen brokken steen er echter nog, een halve boog uit iedere deur. De opening was groot genoeg voor iedereen, hoewel Loial mogelijk plat op zijn paard moest liggen. Als de twee rotsblokken eenmaal verdwenen waren, zou het groot genoeg zijn. Hij vroeg zich af hoeveel ieder blok woog. Duizend pond? Meer? Misschien moeten we allemaal afstappen en duwen. Misschien kunnen we er een omduwen voor de wind er is. Een windvlaag trok aan zijn mantel. Hij probeerde niet te luisteren naar wat de stemmen riepen.
Toen Moiraine achteruit ging, sprong Mandarb naar voren, recht op de poorten af, met Lan ineengedoken in het zadel. Op het laatste moment draaide het strijdros bij om met zijn schouder tegen de steen te botsen, zoals hij geleerd had om andere paarden in een veldslag ten val te brengen. Met een klap viel de steen naar buiten en werden zwaardhand en paard door hun vaart door de rokerige schemering van de saidinpoort gevoerd. Het licht dat erdoor viel, was het licht van de ochtend, bleek en schraal, maar voor Rhand was het net alsof de zomerzon vol op zijn gezicht brandde.
Aan de andere kant van de poort vertraagde Mandarb tot een sukkeldraf. De zwaardhand trok traag de teugels aan en wendde zich naar de poort. Rhand wachtte er niet op. Hij duwde Bela’s hoofd naar de opening en mepte de ruige merrie hard op haar kruis. Egwene had nog net tijd om verschrikt naar hem om te kijken voor Bela haar de saidinwegen uit reed.
‘Allemaal, eruit!’ beval Moiraine. ‘Snel! Rijden!’
Terwijl ze dit zei, stak de Aes Sedai haar staf met gestrekte arm uit in de richting van de wegwijzer. Er sprong iets uit de punt van de staf, als vloeibaar licht dat veranderd was in een stroperig vuur, een vurige speer van wit, rood en geel, die in het zwart rondstraalde en ontplofte, fonkelend als verbrijzelde diamanten. De wind gilde gekweld; krijste van woede. Het duizendvoudig gemompel dat zich in de wind ophield, raasde donderend, gierde waanzinnig, spoog beloften, huilde van verrukking. Het was nog net te horen, nog net te begrijpen, zodat Rhand zich doodmisselijk voelde.
Hij schopte Rood naar voren en drong vlak na de anderen de opening in. Iedereen probeerde zich tegelijk door de rokerige opening te persen. De ijzige kilte stroomde weer door hen heen, dat vreemde gevoel alsof hij langzaam in een winterse vijver wegzakte, waarbij het koude water steeds ijziger werd terwijl het over zijn huid kroop. Net als de eerste keer leek het eeuwig door te gaan en ondertussen vroeg hij zich af of de wind hen kon grijpen terwijl ze zo werden vastgehouden.
Even onverwacht als een doorgeprikte zeepbel verdween de kilte en stond hij buiten. Zijn paard bewoog het volgende ogenblik wel twee keer zo snel als daarvoor, struikelde en gooide hem bijna van zich af. Hij sloeg beide armen om de nek van de vos en hield zich uit alle macht vast. Toen hij weer terug in het zadel wipte, schudde Rood zich en voegde zich op een drafje bij de anderen, even kalm alsof er helemaal niets vreemds was gebeurd. Het was koud, niet de kilte van de saidinpoort, maar aangenaam, een natuurlijke winterkou die langzaam en gestaag in het vlees beet.
Hij trok zijn mantel om zich heen en hield zijn ogen gericht op de doffe glans van de saidinpoort. Naast hem leunde Lan voorover, een hand op zijn zwaard. Man en paard waren gespannen, alsof ze op het punt stonden er weer doorheen te springen als Moiraine niet zou verschijnen.
De saidinpoort stond in een verwarde massa stenen aan de voet van een heuvel, verborgen door struiken, behalve waar de gevallen steenbrokken de kale bruine takken hadden afgebroken. Vergeleken met het beeldhouwwerk op de rest van de poort zag de struik er nog doder uit dan de steen.