Traag bolde het duistere oppervlak op als een of andere vreemde, uitgerekte bel die naar het oppervlak van een vijver stijgt. Moiraines rug brak door de bel heen. Duim voor duim verwijderden de Aes Sedai en haar vage spiegelbeeld zich van elkaar. Nog steeds hield ze haar staf voor zich uit. Dit hield ze vol terwijl ze Aldieb de poort uit trok. De witte merrie bokte angstig, met rollende ogen. Terwijl ze achteruitliep bleef Moiraine de saidinpoort in de gaten houden. De saidinpoort verduisterde. De nevelige glans werd doffer, ging van grijs over in koolzwart en toen in een zwart dat net zo drukkend was als het hart van de saidinwegen. Als van grote afstand huilde de wind naar hen, verborgen stemmen gevuld met een onlesbare dorst naar levende wezens, gevuld met vraatzucht naar pijn, gevuld met teleurstelling en ergernis.
De stemmen leken in Rhands oren te fluisteren, te trillen op het randje van begrip en eroverheen. Vlees zo mooi, zo mooi te snijden, de huid te kerven; huid te villen, te vouwen, zo heerlijk de repen te vouwen, zo heerlijk, zo rood de druppels die spatten, bloed zo rood, zo rood, zo zoet, zoet krijsen, fijn krijsen, krijsend gezang, zingend gekrijs...
Het fluisteren stierf weg, de zwartheid nam af, vergrauwde, en de saidinpoort was weer een schemerige glans achter een boog van bewerkte steen.
Rhand liet langzaam en bevend zijn adem ontsnappen. Hij was niet de enige; hij hoorde anderen opgelucht ademhalen. Egwene had Bela naast Nynaeves paard gestuurd en de twee vrouwen hadden de armen om elkaar heen geslagen, hun hoofden op elkaars schouders.
Zelfs Lan leek opgelucht, hoewel de harde lijnen van zijn gezicht niets verrieden; het bleek meer uit de manier waarop hij op Mandarb zat, de meer ontspannen lijn van zijn schouders toen hij naar Moiraine keek, de houding van zijn hoofd.
‘Het kon er niet doorheen,’ zei Moiraine. ‘Ik dacht al dat het dat niet kon. Bah!’ Ze gooide haar staf op de grond en wreef haar hand af aan haar mantel. Dik en zwart roet kleefde aan de bovenste helft van haar staf. ‘De smet bederft alles daar.’
‘Wat was dat?’ wilde Nynaeve weten. ‘Wat was het?’
Loial leek in de war. ‘Nou, Machin Shin natuurlijk. De Zwarte Wind die zielen steelt.’
‘Maar wat is het?’ hield Nynaeve vol. ‘Zelfs een Trollok kun je aankijken, aanraken als je maag ertegen kan. Maar dat...’ Ze huiverde krampachtig.
‘Een of ander overblijfsel uit de Tijd van Waanzin, misschien,’ antwoordde Moiraine. ‘Of misschien zelfs wel uit de Oorlog van de Schaduw, de Oorlog van Kracht. Iets wat zich al zo lang op de saidinwegen verborgen houdt, dat het er niet meer uit kan. Niemand, zelfs geen Ogier, weet hoe of hoe ver de wegen lopen. Het zou ook iets van de saidinwegen zelf kunnen zijn. Zoals Loial al zei: de saidinwegen leven en alle levende wezens hebben parasieten. Misschien is het wel een schepsel van het bederf zelf, iets wat uit de rotting is geboren. Iets wat leven en licht haat.’
‘Houd op!’ riep Egwene. ‘Ik wil er niets meer over horen. Ik kon horen wat het zei...’ Ze slikte huiverend de rest in.
‘We zullen nog aan ergere dingen het hoofd moeten bieden,’ zei Moiraine zachtjes. Rhand dacht niet dat ze wilde dat het gehoord werd. De Aes Sedai klom vermoeid in haar zadel en maakte het zich met een dankbare zucht gemakkelijk. ‘Dit is gevaarlijk,’ zei ze en ze keek naar de kapotte poort. Ze keek even kort naar haar verkoolde staf. ‘Het ding kan niet naar buiten, maar iedereen kan er per ongeluk binnenkomen. Als we in Fal Dara zijn, moet Agelmar er mannen heen sturen om het dicht te metselen.’ Ze wees naar het noorden, waar in verre nevels torens uitstaken boven de kale boomtoppen.
46
Fal Dara
Het gebied rond de saidinpoort vormde een licht glooiend, bebost heuvellandschap, maar afgezien van de poort zelf viel er nergens een Ogiergaarde te bekennen. De meeste bomen waren niet meer dan grijze in de hemel klauwende skeletten. Er waren minder wintergroene bomen dan Rhand gewend was. Vele daarvan droegen dode, bruine naalden en bladeren. Loial zei er niets over, maar schudde slechts bedroefd zijn hoofd.
‘Even dood als de Verwording,’ zei Moiraine fronsend. Egwene trok haar mantel dichter om zich heen en rilde.
‘We zijn er tenminste uit,’ zei Perijn en Mart voegde eraan toe: ‘Maar waar zijn we?’
‘Shienar,’ verleide Lan hun. ‘We zijn in de Grenslanden.’ In zijn stem klonk iets door van ‘bijna thuis’.
Rhand hield zijn mantel dicht tegen de kou. De Grenslanden. Dan was de Verwording dichtbij. De Verwording. Het Oog van de Wereld. Hun reisdoel.
‘We zijn dicht bij Fal Dara,’ zei Moiraine. ‘Nog maar een paar span.’
In het noorden en oosten staken torens uit boven de boomkruinen die zich donker tegen de ochtendhemel aftekenden. Onder het rijden verdwenen de torens vaak achter de heuvels en de bossen en werden pas weer zichtbaar als ze op een hoge plek stonden.
Rhand zag bomen die waren opengespleten alsof ze door de bliksem waren getroffen.
‘De kou.’ antwoordde Lan toen hij ernaar vroeg. ‘Soms is de winter hier zo koud dat het sap bevriest en de bomen openbarsten. Er zijn nachten waarin je ze als vuurpijlen hoort knallen en de lucht is dan zo scherp dat je denkt dat ook die versplintert. In de afgelopen winter waren er meer dan anders.’
Rhand schudde zijn hoofd. Barstende bomen? Nog wel in een gewone winter. Hoe zou het deze winter dan zijn geweest? Zoiets kon hij zich niet voorstellen.
‘Wie zei dat de winter voorbij is?’ zei Mart klappertandend.
‘Dit is een mooie lente, schaapherder,’ zei Lan. ‘Een goede lente om in te leven. Maar als je het liever warm hebt, nou, in de Verwording zal het warm zijn.’
Zachtjes mopperde Mart: ‘Bloed en as. Bloed en vervloekte as!’ Rhand hoorde hem amper, maar het klonk of het recht uit Marts hart kwam.
Ze kwamen langs boerderijen, maar hoewel het tijd was om het middageten klaar te maken, steeg er geen rook op uit de hoge schoorstenen. Op de akkers was mens noch vee te bekennen, hoewel een enkele verlaten ploeg of kar erbij stond of de eigenaar elk moment weer aan het werk wilde gaan.
Op een erf vlak langs de weg pikte een eenzame kip in de grond. Een schuurdeur zwaaide heen en weer in de wind, de andere was bij de onderste scharnier afgebroken en hing scheef. Het stille en lege huis met het hoge puntdak van dikke balken die bijna tot de grond reikten, zag er vreemd uit in Rhands Tweewater-ogen. Geen hond kwam naar buiten om naar hen te blaffen. Midden op het boerenerf lag een sikkel en emmers lagen naast de put in een hoopje bij elkaar.
Moiraine keek fronsend naar de boerderij toen ze erlangs reden. Ze spoorde Aldieb aan en de witte merrie begon sneller te draven. De Emondsvelders reden in een kluitje rond Loial achter de Aes Sedai en de zwaardhand aan.
Rhand schudde zijn hoofd. Hij kon zich niet voorstellen dat hier ooit iets wilde groeien. Maar ja, de saidinwegen had hij zich ook niet echt kunnen voorstellen. Zelfs nu ze achter hem lagen, lukte het amper, ik denk niet dat ze hierop had gerekend,’ zei Nynaeve kalm met een gebaar dat alle lege boerderijen langs de weg omvatte.
‘Waar zijn ze allemaal heen?’ zei Egwene. ‘En waarom? Zo lang kunnen ze nog niet weg zijn.’
‘Hoe weet je dat?’ vroeg Mart. ‘Aan die schuurdeur te zien, zijn ze vertrokken voordat de winter begon.’
Nynaeve en Egwene keken hem allebei aan alsof hij achterlijk was.
‘De gordijnen voor de ramen,’ zei Egwene geduldig. ‘Ze zijn te licht voor wintergordijnen, zelfs voor hier. Hoe koud het ook is, geen enkele vrouw heeft die langer dan twee weken geleden opgehangen, misschien korter.’ De Wijsheid knikte.
‘Gordijnen.’ Perijn grinnikte. Hij liet de glimlach meteen weer verdwijnen toen de twee vrouwen hem met opgetrokken wenkbrauwen aankeken. ‘O, ik ben het met jullie eens. Er zat niet genoeg roest op die sikkel om langer dan een week in de buitenlucht te hebben gelegen. Dat had je moeten zien, Mart.