Выбрать главу

Zelfs als de gordijnen je niet opgevallen waren.’

Rhand keek Perijn zijdelings aan en probeerde niet te staren. Zijn ogen waren beter dan die van Perijn – of waren het geweest toen ze nog samen op konijnen jaagden – maar zelfs hij had het sikkelblad niet goed genoeg gezien om enige roest te kunnen ontdekken.

‘Het interesseert me geen steek waar ze heen zijn gegaan,’ klaagde Mart. ‘Ik wil alleen zo gauw mogelijk een plek vinden met een brandende haard. Zo gauw mogelijk.’

‘Maar waarom zijn ze weggegaan?’ vroeg Rhand fluisterend. De Verwording was hier niet ver vandaan. De Verwording, waar de Schimmen en Trolloks vandaan kwamen die in Andor op hen gejaagd hadden. De Verwording, waar zij heen trokken.

Hij praatte wat harder om door de anderen vlak bij hem te worden gehoord. ‘Nynaeve, misschien hoeven jij en Egwene niet met ons naar het Oog te gaan.’ De twee vrouwen keken hem aan alsof hij onzin verkocht, maar nu de Verwording zo dichtbij was, wilde hij het voor de laatste keer proberen. ‘Misschien is het voor jullie voldoende als je in de buurt blijft. Moiraine heeft niet gezegd dat jullie mee moesten. Of jij, Loial. Jullie kunnen in Fal Dara blijven. Tot we terug zijn. Of jullie kunnen naar Tar Valon rijden. Misschien is er wel een handelskaravaan en ik wed dat Moiraine best een koets zou kunnen huren. Dan zien we elkaar weer in Tar Valon, wanneer het allemaal voorbij is.’

‘Ta’veren.’ Loials zucht rommelde als het verre gedonder van onweer aan de horizon. ‘Jullie wervelen de levens om je heen, Rhand Altor, jij en je vrienden. Jullie lot bepaalt ons lot.’ De Ogier haalde de schouders op en opeens spleet een brede grijns zijn gezicht. ‘Bovendien, het is iets heel bijzonders: een ontmoeting met de Groene Man. Ouder Haman praat steeds over zijn ontmoeting met de Groene Man, net als mijn vader en de meeste Ouderen.’

‘Zoveel?’ zei Perijn. ‘De verhalen zeggen dat de Groene Man moeilijk te vinden is en dat niemand hem een tweede keer kan vinden.’

‘Nee, geen tweede keer,’ stemde Loial in. ‘Maar ja, ik heb hem nog nooit ontmoet en jullie evenmin. Hij lijkt Ogier niet zo te ontlopen als jullie, mensen. Hij weet zoveel van bomen. Zelfs de Boomzangen.’

Rhand zei: ‘Maar wat ik wilde zeggen...’

De Wijsheid viel hem in de rede. ‘Zij zegt dat Egwene en ik ook deel uitmaken van het Patroon. We zijn allemaal met jullie drieën verweven. Als men haar mag geloven, is er iets aan de wijze waarop dat deel van het Patroon is geweven dat de Duistere zou kunnen tegen houden. ‘Ik ben bang dat ik haar geloof. Er is te veel gebeurd om het te ontkennen. Maar als Egwene en ik weggaan, wat zouden we dan aan het Patroon kunnen wijzigen?’

‘Ik probeerde alleen maar...’

Weer onderbrak Nynaeve hem scherp, ‘ik weet wat je probeerde.’ Ze keek hem aan tot hij onrustig in zijn zadel heen en weer begon te schuiven, toen verzachtten haar trekken zich. ‘Ik weet wat je probeerde te doen, Rhand. Ik ben niet weg van Aes Sedai en van deze al helemaal niet. Ik ga met nog meer afschuw de Verwording in, maar dat gevoel is toch minder sterk dan mijn afkeer van de Vader van de Leugen. Als jongens... mannen als jullie kunnen doen wat er gedaan moet worden, waarom veronderstel je dan dat ik minder zal doen? Of Egwene?’ Ze leek geen antwoord te verwachten. Terwijl ze haar teugels bijeentrok, keek ze met een rimpel in haar voorhoofd naar de Aes Sedai voor haar. ‘Ik vraag me af of we die plaats Fal Dara gauw zullen bereiken, of wil ze dat we de nacht in deze kou doorbrengen?’

Toen ze naar Moiraine draafde, zei Mart: ‘Ze heeft ons mannen genoemd. Het lijkt nog maar gisteren dat ze zei dat we nog aan een leiband moesten lopen en nu noemt ze ons mannen.’

‘Jij zou nog steeds aan je moeders schort vast moeten zitten,’ zei Egwene, maar Rhand dacht niet dat ze het echt meende. Ze trok Bela naast zijn vos en praatte zachtjes, zodat niemand anders haar kon horen, al probeerde Mart het wel. ‘Ik heb alleen maar gedanst met Aram, Rhand,’ zei ze zacht, zonder hem aan te kijken. ‘Dat vind je toch niet erg hè, dat ik met iemand dans die ik nooit meer zal zien, nee hè?’

‘Nee hoor,’ zei hij. Waarom begon ze daar nu over? ‘Natuurlijk niet.’

Maar opeens herinnerde hij zich weer wat Min hem in Baerlon had verteld; het leek wel honderd jaar geleden. Zij is niet voor jou, jij evenmin voor haar; tenminste niet op de manier die jullie beiden wensen.

De stad Fal Dara was gebouwd op heuvels die hoger waren dan die in het omringende land. Hij was lang zo groot niet als Caemlin, maar de stadsmuren waren wel net zo hoog. Er lag een strook van een span breed rond de stadsmuren waar niets hogers groeide dan kort gemaaid gras. Niets kon de stad naderen zonder te worden gezien uit een van de vele hoge torens die bekroond werden door houten afdaken. Waar de wallen van Caemlin een zekere schoonheid hadden bezeten, leken de bouwers van Fal Dara er weinig om te geven of iemand hun muren mooi vond. De grijze rotssteen zag er grimmig en onverzettelijk uit en gaf aan dat de muren slechts voor één doel waren opgetrokken: om stand te houden. In de wind wapperende vlaggen op de houten spitsen gaven de indruk dat de jagende Zwarte Havik van Shienar boven alle wallen kruiste.

Lan sloeg ondanks de kou zijn mantelkap terug en gebaarde de anderen hetzelfde te doen. Moiraine had die van haar al laten zakken.

‘Dat is de wet in Shienar,’ zei de zwaardhand. ‘In alle Grenslanden. Niemand mag zijn gezicht binnen de stadswallen verbergen.’

‘Is iedereen hier dan zo knap?’ lachte Mart.

‘Een Halfman kan zich niet verbergen als zijn gezicht te zien is,’ zei de zwaardhand vlak.

Rhands grijns gleed van zijn gezicht. Haastig trok Mart zijn kap naar achter.

De hoge, met zwart ijzer beslagen poort stond open, maar een tiental geharnaste mannen hield er de wacht. Ze waren gekleed in goudgele wapenrokken met het embleem van de Zwarte Havik. Boven hun schouders waren de gevesten zichtbaar van lange zwaarden die ze op hun rug droegen en om hun middel zat een slagzwaard, goedendag of bijl gegord. Hun paarden stonden vlakbij gekluisterd en zagen er grotesk uit door de stalen beplating die borst, hals en hoofd bedekte, met lansen langs de stijgbeugels, allemaal gereed om in een oogwenk uit te rijden. De wachters maakten geen aanstalten Lan en Moiraine en de anderen tegen te houden. Integendeel, ze zwaaiden en slaakten kreten van blijdschap.

‘Dai Shan,’ riep er een en hij zwaaide zijn met staal beklede vuisten boven zijn hoofd toen ze voorbijreden. ‘Dai Shan!’ Een aantal anderen schreeuwde: ‘Eer aan de Bouwers!’ en ‘Kiserai ti Wansho!’ Loial keek verrast rond, toen spleet een brede glimlach zijn gezicht en zwaaide hij naar de wachten.

Een man rende een poosje naast Lans paard mee, niet gehinderd door de wapenrusting die hij droeg. ‘Zal de Gouden Kraanvogel weer uitvliegen, Dai Shan?’

‘Vrede, Ragan,’ was het enige dat de zwaardhand zei en de man hield in. Hij keerde naar het gelid van de wachters terug, maar zijn gezicht stond opeens nog grimmiger.

Toen ze tussen rijen wagens verder reden over de rode klinkers van de straten waar het wemelde van de mensen, fronste Rhand bezorgd. Fal Dara barstte uit zijn voegen, maar dit waren niet de drukke menigten van Caemlin, die zelfs tijdens hun getwist nog genoten van de grootsheid van de stad, en het leek evenmin op de gezellige drukte van Baerlon. Deze dicht opeengepakte mensen zagen hun groep met loodzware ernst en uitdrukkingsloze gezichten voorbijrijden. Karren en wagens versperden iedere steeg en de helft van de straten. Ze waren afgeladen met rommelig huisgoed en bewerkte kisten die zo vol zaten dat de kleren uitstaken. De kinderen zaten erbovenop. Volwassenen hielden de jeugd goed in het oog en lieten ze zelfs niet voor een spelletje afdwalen. De kinderen waren nog stiller dan hun ouders, terwijl ze met grote ogen en bedrukte blikken rondkeken. Elk open plekje tussen de wagens stond vol magere runderen en zwartgevlekte varkens achter noodhekken. Kratten met kippen, eenden en ganzen verdreven kakelend, snaterend en gakkend de stilte van de mensen. Nu wist Rhand waar al de boeren waren heen gegaan.