Выбрать главу

Lan ging ze voor naar een burcht in het midden van de stad, een enorme steenmassa boven op de hoogste heuvel. De bodem van een droogstaande slotgracht, diep en breed, vertoonde een woud van scherpe stalen punten, scheermesscherp en manshoog. Daarachter rezen de muren en torens van het bolwerk op. De laatste verdediging als de rest van de stad was gevallen. Uit een van de poorttorens riep een geharnaste man omlaag: ‘Welkom, Dai Shan!’ Een ander riep naar de voorhof: ‘De Gouden Kraanvogel! De Gouden Kraanvogel!’

De paardenhoeven dreunden over de zware balken van de neergelaten ophaalbrug toen ze de slotgracht overstaken en onder de scherpe punten van het zware valhek door reden. Eenmaal door de poort zwaaide Lan uit zijn zadel om Mandarb verder te leiden en wenkte de anderen hetzelfde te doen.

De voorhof was een geweldig plein, bestraat met grote steenblokken en omringd door torens en kantelen die er even dreigend uitzagen als die aan de buitenkant. Hoe groot hij ook was, het hof leek even vol als de straten en net zo druk, hoewel er hier enige orde in het gewemel bestond. Overal stonden geharnaste mannen en geharnaste paarden. In een handvol smederijen rond de voorhof klonk gehamer. Aan elke grote blaasbalg lieten twee mannen in leren voorschoten het smidsvuur loeien. Een gestage stroom jongens rende met nieuw gesmede ijzers naar de hoefsmeden. Pijlmakers waren druk bezig en telkens als er een mand vol was, werd die weggegrist en vervangen door een lege.

Knechten in livrei holden naderbij, bedrijvig en glimlachend, in zwart en goud. Rhand knoopte haastig zijn spullen los van zijn zadel en gaf net de vos over aan een knecht toen een man in pantsers en leer een formele buiging maakte. Over zijn wapenrusting droeg hij een lichtgele, met rood afgezette mantel, met de Zwarte Havik op de borst, en een gele wapenrok met daarop de Grijze Uil. Hij droeg geen helm. Al zijn haar was afgeschoren, met uitzondering van een knot boven op zijn hoofd, die met een leren koordje bijeen werd gehouden. ‘Het is lang geleden, Moiraine Aes Sedai. Het is goed u weer te zien, Dai Shan.

Heel goed.’ Hij boog opnieuw, nu voor Loial, en mompelde: ‘Eer aan de Bouwers. Kiserai ti Wansho.’

‘Ik ben onwaardig,’ antwoordde Loial formeel, ‘en het werk was gering. Tsingu ma choba.’

‘U bewijst ons eer, Bouwer,’ zei de man. ‘Kiserai ti Wansho.’ Hij wendde zich weer tot Lan. ‘Heer Agelmar is op de hoogte gebracht, Dai Shan, zodra uw komst werd aangekondigd. Hij wacht op u. Deze kant op, graag.’

Toen ze hem de vesting in volgden en door tochtige stenen gangen liepen, behangen met kleurrijke wandkleden en lange zijdeschermen met jachttaferelen en veldslagen, praatte hij verder. ‘Ik ben verheugd dat de oproep u heeft bereikt, Dai Shan. Zult u de banier van de Gouden Kraanvogel opnieuw verheffen?’ De zalen waren kaal, afgezien van de wandkleden, en zelfs daar was weinig op te zien. Spaarzame figuren in eenzame lijnen, net voldoende om de betekenis over te dragen, al waren er wel felle kleuren toegepast.

‘Staan de zaken er echt zo slecht voor als het lijkt, Ingtar?’ vroeg Lan kalm. Rhand vroeg zich af of hij zijn oren net zo spitste als Loial. De knot van de man zwaaide toen hij zijn hoofd schudde, maar zijn glimlach verscheen slechts aarzelend. ‘De zaken zijn nooit zo slecht als ze lijken, Dai Shan. Dit jaar wat slechter dan anders, dat is alles. De strooptochten zijn de hele winter doorgegaan. Maar de overvallen waren niet erger dan elders in de Grenslanden. Ze komen nog steeds ’s nachts, maar wat kan men anders in het voorjaar verwachten, als dit tenminste een voorjaar mag heten. Verkenners keren uit de Verwording terug – zij die terugkeren – met nieuws van Trollokkampen. Voortdurend nieuwe berichten van meer kampen. Maar we zullen hen in Tarwins Kloof opwachten, Dai Shan, en ze terugslaan, zoals we altijd hebben gedaan.’

‘Natuurlijk,’ zei Lan, maar hij klonk niet overtuigd.

Ingtars glimlach verdween, maar kwam onmiddellijk weer terug. Stil bracht hij ze naar de werkkamer van heer Agelmar, beriep zich toen op zijn plichten en vertrok.

Het vertrek was even doelmatig als de rest van de burcht. De buitenmuur had schietgaten en er zat een zware balk voor de dikke deur, zelf ook voorzien van schietgaten en beslagen met ijzeren banden. Er hing slechts één wandkleed. Het besloeg een hele wand en toonde mannen in harnassen, als die van Fal Dara, die in een bergpas tegen Trolloks en Myrddraal vochten.

Een tafel, een kist en enkele stoelen waren de enige meubels, afgezien van twee rekken aan de muur en die vond Rhand even boeiend als het wandkleed. Op het ene lagen een tweehandig zwaard, groter dan een man, en een gewoner slagzwaard, en eraan hingen een goedendag en een lang ruitvormig schild met drie vossen erop. Aan het andere rek hing een volledig harnas, zo opgehangen als een man het zou dragen. Een helm met een kam en vizier, waaronder een helmkleed met dubbele maliën. Een maliënkolder met een split voor het rijden en een leren onderwambuis dat glom van het vele gebruik. Een borstkuras, stalen handschoenen, knie- en elleboogplaten en beplating voor de schouders, armen en benen. Zelfs hier, in het midden van het bolwerk, leken de wapens en wapenrusting gereed voor onmiddellijk gebruik. Net als de meubels waren ze eenvoudig, met een strenge gouden versiering.

Heer Agelmar stond bij hun komst op en liep rond de tafel, die vol lag met kaarten, stapels papier en pennen in inktpotten. Op het eerste gezicht leek hij te vreedzaam voor deze kamer, in zijn blauwfluwelen jas met de grote brede kraag en zachte leren laarzen, maar toen Rhand scherper keek, wist hij wel beter. Net als iedere andere strijder die hij had gezien, had Agelmar zijn hoofd geschoren, op een zuiver witte knot na. Zijn gezicht was even hard als dat van Lan; de enige lijnen waren de kraaienpootjes bij zijn ogen, ogen die glansden als bruine stenen. Hij glimlachte naar Lan.

‘Vrede, maar het is goed dat je er bent, Dai Shan,’ zei de heer van Fal Dara. ‘En u, Moiraine Aes Sedai, mogelijk nog meer. Uw aanwezigheid verwarmt me, Aes Sedai.’

‘Ninte calichniyc no domashita, Agelmar Dai Shan,’ antwoordde Moiraine formeel, maar met een klank in haar stem die zei dat ze oude vrienden waren. ‘Uw welkom verwarmt mij, heer Agelmar.’

‘Kodome calichniye ga ni Aes Sedai hei. Hier is altijd een welkom voor Aes Sedai.’ Hij wendde zich tot Loial. ‘U bent ver van de stedding, Ogier, maar u bewijst Fal Dara eer. Eer aan de Bouwers voor altijd. Kiserai ti Wansho hei.’

‘Ik ben onwaardig,’ zei Loial met een buiging. ‘U bewijst me de eer.’ Hij blikte naar de kale stenen muren en leek met zichzelf in de knoop. Rhand was blij dat het de Ogier lukte zich van verdere opmerkingen te onthouden.

Dienaren in zwart en goud verschenen geruisloos op zacht schoeisel. Sommigen brachten gevouwen handdoeken, dampend warm en op zilveren dienbladen, om het stof van handen en gezichten te wissen. Anderen droegen warme wijn en zilveren schalen met gedroogde pruimen en abrikozen. Heer Agelmar gaf opdracht om kamers en baden klaar te maken,

‘Een lange reis van Tar Valon,’ zei hij. ‘Jullie zullen wel moe zijn.’

‘Een korte reis door het gekozen pad,’ vertelde Lan hem, ‘maar vermoeiender dan de lange weg.’

Agelmar keek vragend toen de zwaardhand verder niets meer zei, maar merkte enkel op: ‘Enkele dagen rust zullen jullie weer op krachten brengen.’

‘Ik vraag voor deze ene nacht onderdak, heer Agelmar,’ zei Moiraine, ‘voor onszelf en onze paarden. En nieuwe voorraden in de ochtend, als u ze kunt missen. We moeten u in alle vroegte verlaten, vrees ik.’

Agelmar fronste. ‘Maar ik dacht... Moiraine Sedai, ik heb geen recht het u te vragen, maar u zou in Tarwins Kloof evenveel waard zijn als duizend lansiers. En jij, Dai Shan. Duizend lansiers zullen werkelijk komen als ze horen dat de Gouden Kraanvogel weer vliegt.’

‘De Zeven Torens zijn gebroken,’ zei Lan ruw, ‘en Malkier is dood; de paar overlevenden zijn verdwenen, verspreid over het aangezicht van de wereld. Ik ben een zwaardhand, Agelmar, door een eed aan de Vlam van Tar Valon gebonden, en mijn reisdoel ligt in de Verwording.’