‘Natuurlijk, Dai Sh... Lan. Natuurlijk. Maar enkele dagen oponthoud, een halve week op z’n hoogst, zal toch zeker geen verschil maken? Je bent nodig. Jij, en Moiraine Sedai ook.’
Moiraine pakte een zilveren roemer aan van een dienaar. ‘Ingtar schijnt te geloven dat u deze dreiging af zult slaan, zoals u door de jaren heen vele andere hebt afgeslagen.’
‘Aes Sedai,’ zei Agelmar wrang, ‘als Ingtar alleen naar Tarwins Kloof moest rijden, zou hij de hele weg verkondigen dat de Trolloks opnieuw zullen worden verjaagd. Hij bezit uit zichzelf bijna genoeg trots om te geloven dat hij het alleen kan.’
‘Ditmaal is hij niet zo zeker als je denkt, Agelmar.’ Lan hield een beker vast, maar dronk er niet uit. ‘Hoe erg is het?’
Agelmar aarzelde, trok een kaart uit een berg op de tafel. Hij staarde er even niets ziend naar en gooide de kaart toen weer terug. ‘Als we naar de Kloof optrekken,’ zei hij zacht, ‘zullen de mensen uit de stad naar het zuiden worden gestuurd, naar Fal Moran. Misschien kan de hoofdstad standhouden. Vrede, dat moet. Iets moet standhouden.’
‘Zo erg?’ zei Lan en Agelmar knikte vermoeid.
Rhand wisselde bezorgde blikken met zijn vrienden. Het was niet moeilijk te geloven dat de Trolloks die zich in de Verwording verzamelden, jacht op hem, op hen allen maakten.
Agelmar vervolgde grimmig: ‘Kandor, Arafel, Saldea... de strooptochten van de Trolloks zijn de hele winter doorgegaan. Zoiets is sinds de Trollok-oorlogen niet meer voorgekomen; de overvallen zijn nog nooit zo fel geweest, zo veelvuldig of zo hardnekkig. Iedere koning en iedere raad zijn er zeker van dat er een grote aanval uit de Verwording komt en elk Grensland denkt dat die inval op hen gericht zal zijn. Geen van hun verkenners en geen van de zwaardhanden heeft bericht dat de Trolloks zich aan hun grenzen verzamelen, zoals wij dat hier horen, maar zij geloven het en ze zijn allemaal bang hun troepen naar elders te sturen. De mensen fluisteren dat de wereld ten einde loopt, dat de Duistere is uitgebroken. Shienar zal alleen naar Tarwins Kloof optrekken en we zullen op een tienvoudige overmacht stuiten. Minstens. Het kan best de laatste Samengaring van de Lansiers zijn.
Lan... nee... Dai Shan, want je bént een Gekroonde Krijgsheer van Malkier, wat je ook zegt. Dai Shan, de banier van de Gouden Kraanvogel in de voorhoede zou de harten sterken van mannen die weten dat ze naar hun dood in het noorden rijden. Het bericht zal zich als een lopend vuur verspreiden, en hoewel hun vorsten hebben gezegd dat ze op hun post moeten blijven, zullen er toch lansiers uit Arafel en Kandor komen, zelfs uit Saldea. Hoewel ze niet op tijd zullen zijn om schouder aan schouder met ons in de Kloof te staan, kunnen ze misschien wel Shienar redden.’
Lan keek strak naar zijn wijn. Zijn gezicht veranderde niet, maar de wijn gutste over zijn hand; de zilveren bokaal verfrommelde in zijn greep. Een dienaar nam de kapotte beker aan en veegde Lans hand met een doek af; een tweede reikte hem een nieuwe bokaal aan. Lan leek het niet te merken. ‘Ik kan het niet!’ fluisterde hij schor. Toen hij zijn hoofd ophief, brandde in zijn ogen een wild licht, maar zijn stem klonk weer kalm en vlak. ‘Ik ben een zwaardhand, Agelmar.’
Zijn scherpe blik gleed langs Rhand, Mart en Perijn naar Moiraine.
‘Bij het eerste ochtendlicht rij ik de Verwording in.’
Agelmar zuchtte diep. ‘Moiraine Sedai, wilt u dan tenminste niet meerijden? Een Aes Sedai zou veel verschil maken.’
‘Ik kan het niet, heer Agelmar.’ Moiraine leek gekweld. ‘Er zal inderdaad een veldslag worden geleverd en het is geen toeval dal de Trolloks zich ten noorden van Shienar verzamelen, maar onze strijd, de echte strijd met de Duistere, zal plaatsvinden in de Verwording, bij het Oog van de Wereld. U strijdt uw strijd en wij de onze.’
‘U bedoelt toch niet dat hij los is, niet?’ De steenharde Agelmar klonk geschrokken en Moiraine schudde vlug haar hoofd.
‘Nog niet. Als we de slag bij het Oog van de Wereld winnen, misschien wel nooit meer.’
‘Maar kunt u het Oog wel vinden, Aes Sedai? Als het standhouden tegen de Duistere daarvan afhangt, zijn we al zo goed als dood. Velen hebben het geprobeerd en faalden.’
‘Ik kan het vinden, heer Agelmar. De hoop is nog niet verloren.’
Agelmar bekeek haar aandachtig, en toen de anderen. Nynaeve en Egwene stelden hem voor een raadsel; hun boerenkleren vormden een schrille tegenstelling met het zijden gewaad van Moiraine, hoewel ze allemaal vuil waren van de reis. ‘Zijn zij ook Aes Sedai?’ vroeg hij vol twijfel. Toen Moiraine haar hoofd schudde, leek hij zelfs nog meer in de war. Zijn blik gleed naar de jongemannen van Emondsveld, bleef rusten op Rhand en gleed over het nog steeds met rode stof omwikkelde zwaard aan zijn zijde. ‘U neemt een vreemde wacht mee, Aes Sedai. Slechts één strijder.’ Hij keek naar Perijn en toen naar de bijl aan zijn riem. ‘Misschien twee. Maar het zijn nauwelijks meer dan jongens. Laat me mannen met u meesturen. Een honderdtal lansiers zal in de Kloof weinig verschil maken, maar u hebt meer nodig dan een zwaardhand en drie jongelingen. En de twee vrouwen zijn van weinig nut, tenzij ze vermomde Aielvrouwen zijn. De Verwording is erger dan gebruikelijk dit jaar. Hij... roert zich.’
‘Honderd lansiers zouden te veel zijn,’ zei Lan, ‘en duizend niet genoeg. Hoe groter de groep in de Verwording, hoe meer kans dat we de aandacht trekken. Wij willen het Oog zo mogelijk zonder vechten bereiken. Je weet dat de uitkomst volkomen vaststaat als het in de Verwording tot een veldslag komt met de Trolloks.’
Agelmar knikte grimmig, maar weigerde het op te geven. ‘Minder mannen dan. Zelfs met tien goede mannen heb je een betere kans Moiraine Sedai en de andere vrouwen naar de Groene Man te begeleiden dan met alleen deze jonge kerels.’
Rhand besefte opeens dat de heer van Fal Dara veronderstelde dat Nynaeve en Egwene met Moiraine tegen de Duistere zouden strijden. Heel begrijpelijk. Zo’n strijd veronderstelde het gebruik van de Ene Kracht en dat hield vrouwen in. Zo’n strijd veronderstelt het gebruik van de Kracht. Hij stak zijn duimen in zijn zwaardriem en greep de gesp hard vast, zodat zijn handen niet zouden trillen.
‘Geen mannen,’ zei Moiraine. Agelmar wilde wat zeggen maar Moiraine was hem voor. ‘Het ligt in de natuur van het Oog en in de natuur van de Groene Man. Hoeveel mannen uit Fal Dara hebben ooit de Groene Man en het Oog gevonden?’
‘Ooit?’ Agelmar haalde zijn schouders op. ‘Na de Oorlog van de Honderd Jaren kun je ze op de vingers van één hand tellen. Eens in de vijf jaar ongeveer, als je iedereen uit de Grenslanden meetelt.’
‘Niemand vindt het Oog van de Wereld,’ zei Moiraine, ‘tenzij de Groene Man wil dat hij gevonden wordt. Nood is de sleutel, en de reden. Ik weet de weg – ik ben er eerder geweest.’
Rhand draaide zich met een ruk naar haar toe, en hij was niet de enige van de Emondsvelders die dat deed, maar de Aes Sedai leek het niet te merken. ‘Als er ook maar één is die roem zoekt, die zijn naam bij die vier wil voegen, dan zullen wij hem nooit vinden, hoewel ik recht naar de plek zal rijden die ik me herinner.’
‘U hebt de Groene Man al ontmoet, Moiraine Sedai?’ De heer van Fal Dara leek onder de indruk, maar toen zuchtte hij en fronste. ‘Maar als u hem al een keer hebt gezien...’
‘Nood is de sleutel,’ zei Moiraine zachtjes, ‘en er is geen grotere nood dan de mijne. Dan de onze. En ik heb iets wat andere zoekers niet hadden.’
Haar ogen gleden nauwelijks merkbaar even weg van Agelmars gezicht, maar Rhand was er zeker van dat ze naar Loial waren gegaan. Rhand keek Loial recht aan en die haalde zijn schouders op.
‘Ta’veren,’ zei de Ogier zacht.
Agelmar stak zijn handen op. ‘Het zal zijn zoals u zegt, Aes Sedai. Vrede, als de echte slag zal plaatsvinden bij het Oog van de Wereld, heb ik de neiging u met de banier van de Zwarte Havik te volgen in plaats van naar de Kloof te trekken. Ik zou een pad voor u kunnen uithakken...’