‘Dat zou rampzalig zijn, heer Agelmar. Zowel in Tarwins Kloof als bij het Oog. U hebt uw strijd en wij de onze.’
‘Vrede! Zoals u zegt, Aes Sedai.’
Nu er een beslissing was genomen – met hoeveel tegenzin ook – leek de heer van Fal Dara het uit zijn gedachten te bannen. Hij nodigde ze uit de maaltijd met hem te gebruiken en terwijl hij het gesprek gaande hield over haviken, paarden en honden, repte hij met geen woord van Trolloks, Tarwins Kloof of het Oog van de Wereld.
De eetzaal was even sober en eenvoudig als de werkkamer van heer Agelmar, met nauwelijks meer meubels dan de tafel met de stoelen. Ook die waren strak en simpel van lijn en vorm. Mooi, maar streng. Een grote haard verwarmde het vertrek. Dienaren in livrei brachten soep, brood en kaas binnen en het gesprek ging over boeken en muziek, tot heer Agelmar besefte dat de Emondsvelders er niet aan deelnamen. Als een goed gastheer stelde hij voorzichtige, aftastende vragen die bedoeld waren om hen erbij te betrekken.
Rhand hoorde zich al gauw met de anderen wedijveren in verhalen over Emondsveld en Tweewater. Het kostte hem moeite niet te veel te zeggen. Hij hoopte dat de anderen hun tong ook in bedwang zouden houden. Vooral Mart. Alleen Nynaeve bleef teruggetrokken en at en dronk in stilte.
‘Er is een lied in Tweewater,’ zei Mart. ‘Thuiskomst van Tarwins kloof.’ Hij aarzelde toen hij opeens besefte dat hij net datgene noemde dat iedereen had vermeden, maar Agelmar ving het bekwaam op.
‘Niet zo verwonderlijk. Vrijwel ieder land heeft in de loop der jaren mannen gestuurd om stand te houden tegen de Verwording.’
Rhand keek Mart en Perijn aan. Mart vormde zwijgend het woord: Manetheren.
Agelmar fluisterde een van de dienaren iets toe en terwijl anderen de tafel afruimden, verdween de man en kwam terug met een trommel en stenen pijpen voor Lan, Loial en heer Agelmar. ‘Tobak van Tweewater,’ zei de heer van Fal Dara toen ze hun pijpen stopten. ‘Er is moeilijk aan te komen, maar hij is de prijs waard.’
Toen Loial en de twee andere mannen vergenoegd zaten te putten, keek Agelmar de Ogier aan. ‘U schijnt u bezwaard te voelen, Bouwer. Nog niet in de greep van het Smachten, hoop ik? Hoe lang bent u nu al weg uit de stedding?’
‘Het is niet het Smachten. Zo’n tijd ben ik nog niet weg.’ Loial haalde zijn schouders op en de blauwgrijze rook uit zijn pijp maakte met elk gebaar kringeltjes boven de tafel, ik had verwacht... gehoopt dat de gaarde er nog zou zijn. Of tenminste een overblijfsel van Mafal Dadaranell.’
‘Kiserai ti Wansho,’ mompelde Agelmar. ‘De Trollok-oorlogen hebben ons slechts herinneringen nagelaten, Loial, zoon van Arent, en mensen die erop voortbouwen. Zij konden het werk van de Bouwers niet evenaren, net zomin als ik dat kan. Die ingewikkelde bogen en patronen die uw volk schept, kunnen menselijke ogen en handen niet maken. Misschien wilden we wel een armzalige nabootsing vermijden die ons eeuwig zou herinneren aan wat we hadden verloren. Er is een andere schoonheid in eenvoud, in een enkele lijn die juist is geplaatst, een enkele bloem tussen de rotsen. De ruwe steen maakt de bloem nog kostelijker. We proberen niet te veel stil te staan bij wat verdwenen is. Het sterkste hart zou door die druk breken.’
‘Het rozenblad drijft op water,’ declameerde Lan zachtjes. ‘De ijsvogel flitst boven de vijver. Leven en schoonheid dansen te midden van de dood.’
‘Ja,’ zei Agelmar. ‘Ja. Dat is voor mij ook altijd het symbool geweest van de eenheid.’ De twee mannen maakten een buiging naar elkaar.
Poëzie van Lan? De man was net een boek; telkens als Rhand dacht de zwaardhand enigszins te kennen, ontdekte hij dat er weer een nieuw blad volgde.
Loial knikte langzaam. ‘Misschien blijf ik wel te veel staan bij wat voorbij is. Maar toch... de gaarden waren prachtig.’ Maar hij keek de eenvoudige kamer door, alsof hij die opnieuw ontdekte en opeens dingen zag die de moeite waard waren.
Ingtar verscheen en maakte een buiging voor heer Agelmar. ‘Vergeef me heer, maar u wilde het weten als er iets ongewoons voorviel, hoe onbelangrijk ook.’
‘Ja, wat is het?’
‘Niets van groot belang, heer. Een vreemdeling probeerde de stad binnen te komen. Niet van Shienar. Aan zijn tongval te horen uit Lugard. Soms tenminste. Toen de wachters van de Zuidpoort probeerden hem te ondervragen, rende hij weg. Men zag hem het bos ingaan, maar slechts korte tijd later werd hij betrapt bij het beklimmen van de stadsmuur.’
‘Niet van groot belang!’ Agelmars stoel schraapte over de vloer toen hij opstond. ‘Vrede! De torenwacht is zo onachtzaam dat een man de wallen ongezien kan bereiken en jij noemt dat onbelangrijk?’
‘Het is een gek, heer.’ Vrees klonk door in Ingtars stem. ‘Het Licht beschermt gekken. Misschien schermde het Licht de ogen van de torenwachter af, waardoor hij de muren kon bereiken. Een arme dwaas kan in zijn eentje toch geen kwaad doen?’
‘Is hij al naar de burcht gebracht? Goed. Breng hem hier. Nu.’ Ingtar boog en ging weg en Agelmar wendde zich tot Moiraine. ‘Vergeef me, Aes Sedai, maar ik dien dit aandacht te geven. Misschien is het slechts een zielige stakker, met een door het Licht verblinde geest, maar... Twee nachten geleden werden vijf van onze mensen betrapt bij het doorzagen van de scharnieren van een paardenpoort. Klein, maar groot genoeg voor een Trollok.’ Hij grimaste. ‘Duistervrienden, veronderstel ik, hoewel ik er een hekel aan heb om een Shienaraan van zoiets te betichten. Ze werden door de mensen in stukken gescheurd voor de wacht ze kon meenemen, dus ik zal het nooit weten. Als Shienaranen Duistervrienden kunnen zijn, moet ik in deze tijden met buitenlanders helemaal voorzichtig zijn. Als u zich wenst terug te trekken, zal ik u uw kamers laten wijzen.’
‘Duistervrienden kennen geen grens of verwantschap,’ zei Moiraine. ‘Ze worden in elk land aangetroffen en horen in geen enkel land. Ik heb ook belangstelling voor deze man. Het Patroon is een Web aan het weven, heer Agelmar, maar de uiteindelijke vorm van het weefsel is nog niet vastgelegd. Het kan de wereld verstrikken of uiteenrafelen en het Rad aanzetten tot een nieuw weefsel. Momenteel kunnen zelfs de kleinste dingen de vorm van het Web veranderen. Op dit punt let ik bijzonder op kleine zaken die ongewoon zijn.’
Agelmar wierp een blik op Nynaeve en Egwene. ‘Zoals u wenst, Aes Sedai.’
Ingtar keerde terug met twee bewakers die lange hellebaarden droegen en een man begeleidden die eruitzag als een warrige hoop vodden. Dikke lagen vuil bedekten zijn gezicht, zijn piekerige onverzorgde haren en zijn baard. Toen hij naar binnen werd geschoven, dook hij in elkaar en zijn diep verzonken ogen schoten alle kanten uit. Een ranzige lucht hing om hem heen.
Rhand boog zich gespannen voorover en probeerde door het vuil heen te kijken.
‘Jullie hebben geen reden mij zo gevangen te houden,’ jankte de vieze man. ‘Ik ben slechts arm en berooid, door het Licht verlaten, en net als ieder ander op zoek naar een plekje waar ik me kan verschuilen voor de Schaduw.’
‘De Grenslanden zijn een vreemde plaats om...’ begon Agelmar, toen Mart hem onderbrak.
‘De marskramer!’
‘Padan Fajin,’ beaamde Perijn knikkend.
‘De bedelaar,’ zei Rhand opeens hees. Hij schoof achteruit voor de plotselinge haat die in Fajins ogen opvlamde. ‘Hij is de man die in Caemlin naar ons rondvroeg. Hij moet het zijn.’
‘Dus dit gaat u uiteindelijk wel aan, Moiraine Sedai,’ zei Agelmar langzaam.
Moiraine knikte langzaam. ‘Ik ben heel bang dat dat zo is.’
‘Ik wilde het niet.’ Fajin begon te huilen. Dikke tranen trokken groeven in het vuil op zijn wangen, maar konden de onderste laag niet bereiken. ‘Hij dwong me. Hij met zijn brandende ogen.’ Rhand kromp in elkaar. Mart stak zijn hand onder zijn jas en omklemde ongetwijfeld de dolk van Shadar Logoth. ‘Hij heeft mij tot zijn hond gemaakt! Zijn hond, om te jagen en te volgen, zonder een ogenblikje rust. Alleen zijn hond, zelfs nadat hij me afdankte.’
‘Hij is voor ons allen van belang,’ zei Moiraine grimmig, is er een plaats waar ik alleen met hem kan praten, heer Agelmar?’ Ze klemde van walging haar lippen op elkaar. ‘En laat hem eerst wassen. Misschien moet ik hem aanraken.’ Agelmar knikte en sprak zachtjes met Ingtar, die na een buiging wegging en de deur achter zich sloot.