Выбрать главу

‘Ik laat me nergens toe dwingen!’ De stem was van Fajin, maar hij jankte niet meer en een hooghartig snauwen had het gejank vervangen. Hij stond rechtop en niet langer ineengedoken. Hij gooide zijn hoofd in de nek en schreeuwde naar de zoldering: ‘Nooit meer! Ik laat het... niet... toe!’ Hij keek Agelmar aan alsof de mannen naast hem zijn eigen lijfwachten waren en de heer van Fal Dara eerder zijn gelijke was dan zijn gevangenbewaarder. Zijn toon werd sluw en vettig. ‘Er is hier een misverstand. Grote Heer. Ik word soms geplaagd door toevallen, maar dat zal gauw voorbij zijn. Ja, ik zal ze weldra kwijt zijn.’ Verachtelijk wees hij met zijn vingers op de vodden die hij droeg. ‘Wees hierdoor niet misleid, Grote Heer. Ik heb mezelf moeten vermommen voor degenen die hebben geprobeerd me tegen te houden en mijn reis is lang en hard geweest. Maar nu ben ik eindelijk in landen gekomen waar mannen het gevaar van Ba’alzamon nog kennen, waar mannen nog tegen de Duistere vechten.’

Rhand staarde hem met uitpuilende ogen aan. Het was de stem van Fajin, maar de woorden klonken heel anders dan die van de marskramer.

‘Dus je bent hier gekomen omdat we tegen de Trolloks vechten,’ zei Agelmar. ‘En jij bent zo belangrijk dat iemand jou wil tegenhouden. Deze mensen zeggen dat je een marskramer bent die Padan Fajin heet en dat jij ze achtervolgt.’

Fajin aarzelde. Hij keek kort naar Moiraine en wendde haastig zijn ogen van de Aes Sedai af. Zijn blik gleed langs de Emondsvelders en schoot weer terug naar Agelmar. Rhand voelde de haat in die blik, en de angst. Toen Fajin echter weer sprak, klonk zijn stem onverstoorbaar. ‘Padan Fajin is slechts een van de vele vermommingen die ik enkele jaren lang gedwongen moest aannemen. Vrienden van het Duister achtervolgen me, want ik heb geleerd hoe de Schaduw verslagen kan worden. Ik kan u laten zien hoe u hem kunt verslaan, Grote Heer.’

‘Wij doen wat in ons vermogen ligt,’ zei Agelmar droog. ‘Het Rad weeft wat het Rad wil, maar we hebben de Duistere al vanaf het Breken van de Wereld bevochten zonder dat een marskramer ons heeft geleerd hoe we dat moeren doen.’

‘Grote Heer, uw macht staat boven twijfel, maar kan die voor eeuwig tegen de Duistere standhouden? Denkt u niet vaak dat u gedwongen wordt slechts stand te houden? Vergeef me mijn vermetelheid. Grote Heer; hij zal u ondanks al uw macht uiteindelijk vermorzelen. Ik weet het; geloof me, ik weet het. Maar ik kan u tonen hoe u de Schaduw van uw land kunt wegbranden, Grote Heer.’

Zijn toon werd nog zalvender, al bleef hij arrogant. ‘Als u probeert wat ik u aanraad, zult u het zien, Grote Heer. U zult het land schoonvegen. U, Grote Heer, kan dat, als u uw macht op de juiste wijze aanwendt. Voorkom dat Tar Valon u in haar netten verstrikt en u kunt de wereld redden. Grote Heer, u kunt de man zijn die in de geschiedenis zal voortleven als degene die de eindoverwinning voor het Licht behaalde.’ De bewakers bleven staan, maar hun handen gleden langs de schacht van hun hellebaarden alsof ze dachten dat ze die misschien moesten gebruiken.

‘Voor een marskramer heeft hij een hoge dunk van zichzelf,’ zei Agelmar over zijn schouder tegen Lan. ‘Ik denk dat Ingtar gelijk heeft. Hij is gek.’

Fajin kneep kwaad zijn ogen tot spleetjes, maar zijn stem bleef gladjes klinken. ‘Grote Heer, ik weet dat mijn woorden grootspraak lijken, maar als u slechts...’ Opeens viel hij stil en week achteruit toen Moiraine opstond en langzaam rond de tafel liep. De bewakers, die hun hellebaard lieren zakken, voorkwamen dat Fajin achteruit de kamer uitschoof.

Moiraine bleef achter Marts stoel staan, legde haar hand op zijn schouder en boog voorover om iets in zijn oor te fluisteren. Wat ze zei was niet te horen, maar de spanning verdween uit zijn gezicht en hij haalde zijn hand onder zijn jas vandaan. De Aes Sedai liep verder tot ze naast Agelmar stond en Padan Fajin recht in zijn gezicht keek. Toen ze stilhield, kromp de marskramer opnieuw in elkaar,

‘Ik haat hem,’ snikte hij. ‘Ik wil los van hem. Ik wil weer in het Licht lopen.’ Zijn schouders schokten en tranen stroomden over zijn gezicht, nog overvloediger dan eerst. ‘Hij dwong me ertoe.’

‘Ik ben bang dat hij meer is dan een marskramer, heer Agelmar,’ zei Moiraine. ‘Minder dan menselijk, smeriger dan vuil, gevaarlijker dan u zich kunt voorstellen. Hij kan gewassen worden nadat ik met hem heb gesproken. Ik durf niet langer te wachten. Kom, Lan.’

47

Meer verhalen van het Rad

Een kriebelige rusteloosheid dreef Rhand langs de eettafel heen en weer. Twaalf stappen. De tafel was precies twaalf stappen lang, hoe vaak hij er ook langsliep. Geërgerd dwong hij zichzelf op te houden met tellen. Stom werk. Het interesseert me niks hoe lang die vervloekte tafel is. Even later merkte hij dat hij telde hoe vaak hij langs de tafel liep. Wat vertelt hij Moiraine en Lan? Weet hij waarom de Duistere ons achtervolgt? Weet hij wié van ons de Duistere wil hebben?

Hij keek even naar zijn vrienden. Perijn had een stuk brood verkruimeld en schoof de broodkruimels gedachteloos met zijn vinger over de tafel. Zijn gele ogen staarden zonder te knipperen naar de kruimels, maar ze leken iets te zien wat heel ver weg was. Mart zat onderuitgezakt in zijn stoel, met halfgesloten ogen en het begin van een grijns op zijn gezicht. Het was een zenuwachtige grijns. Uiterlijk zag hij er nog steeds uit als de Mart van vroeger, maar regelmatig raakte hij onbewust zijn jas aan, waaronder de dolk van Shadar Logoth moest zitten. Wat is Fajin haar aan het vertellen? Wat weet bij?

Loial leek tenminste nog onbezorgd. De Ogier was de muren aan het bestuderen. Zojuist had hij midden in het vertrek gestaan en had hij langzaam ronddraaiend om zich heen gekeken, maar nu drukte hij zijn brede neus vrijwel tegen de stenen aan, terwijl hij zachtjes een bepaalde voeg volgde met vingers die dikker waren dan een gemiddelde mannenduim. Soms sloot hij zijn ogen, alsof voelen belangrijker was dan kijken. Zo nu en dan schokten zijn oren en mompelde hij in het Ogiers iets in zichzelf, waarbij hij de anderen in het vertrek leek te zijn vergeten.

Heer Agelmar stond rustig voor de brede open haard aan de andere kant van de kamer met Nynaeve en Egwene te praten. Hij was een goede gastheer en zorgde ervoor dat mensen hun problemen vergaten; met diverse verhalen wist hij Egwene aan het giechelen te maken. Zelfs Nynaeve gooide een keer haar hoofd achterover en lachte smakelijk en luid. Rhand schrok op bij dat onverwachte geluid en veerde opnieuw overeind toen Marts stoel op de vloer kletterde.

‘Bloed en as!’ grauwde Mart, die Nynaeve negeerde toen ze door zijn taal haar lippen op elkaar perste. ‘Wat doet ze toch al die tijd?’ Hij zette zijn stoel overeind en ging weer zitten zonder iemand aan te kijken. Zijn hand schoof onder zijn jas.

De heer van Fal Dara keek Mart afkeurend aan – zijn blik omvatte tevens Rhand en Perijn – en wendde zich toen weer tot de vrouwen. Het ijsberen had Rhand vlak bij het groepje doen belanden.

‘Heer,’ zei Egwene net, even gemakkelijk alsof ze haar hele leven al titels had gebruikt, ‘ik dacht dat hij een zwaardhand was, maar u noemt hem Dai Shan en praat over de banier van de Gouden Kraanvogel, net als de andere mannen hier. Soms praat u alsof hij koning is. Ik weet nog dat Moiraine hem een keer de laatste Heer van de Zeven Torens heeft genoemd. Wie is hij?’

Nynaeve richtte haar blik strak op haar bokaal, maar voor Rhand was het overduidelijk dat ze nog aandachtiger luisterde dan Egwene. Rhand bleef staan en probeerde het op te vangen zonder de indruk te geven dat hij hen stond af te luisteren.

‘Heer van de Zeven Torens,’ zei Agelmar fronsend. ‘Een zeer oude titel, vrouwe Egwene. Zelfs de hoogheren van Tyr hebben geen oudere titel, hoewel de koningin van Andor het benadert.’ Hij zuchtte diep en schudde zijn hoofd, hij wil er niet over praten, maar het verhaal is in alle Grenslanden bekend. Hij is een koning, althans, dat had hij moeten zijn, al’Lan Mandragoran, Heer van de Zeven Torens, Heer van de Meren, de ongekroonde koning van de Malkieri.’