Hij hief zijn geschoren hoofd hoog op en er straalde een licht in zijn ogen, alsof hij een vaderlijke trots voelde. Zijn stem werd sterker en voller, door de kracht van zijn gevoelens. Hij was moeiteloos in de hele kamer te horen. ‘Wij van Shienar noemen ons Grensmensen, maar nog minder dan vijftig jaar geleden hoorde Shienar niet echt bij de Grenslanden. Ten noorden van ons en van Arafel lag Malkier. De lansiers van Shienar reden naar het noorden, maar het was Malkier dat de Verwording tegenhield. Malkier. Vrede begunstige haar herinnering en het Licht verlichte haar naam.’
‘Lan komt uit Malkier,’ zei de Wijsheid opkijkend. Ze leek bedrukt. Het was geen vraag geweest, maar Agelmar knikte. ‘Ja, vrouwe Nynaeve, hij is de zoon van al’Akir Mandragoran, de laatste gekroonde koning van de Malkieri. Hoe hij werd wat hij is? Het begin was mogelijk Lain. In zijn overmoed leidde Lain Mandragoran, de broeder van de koning, zijn lansiers door de Verwording naar de Verwoeste Landen, misschien wel naar Shayol Ghul zelf. Lains vrouw, Breyan, had hem daartoe uitgedaagd, aangezet door de afgunst die in haar hart brandde, omdat al’Akir tot de troon was verheven en niet Lain. De koning en Lain waren zo verbonden als broeders maar kunnen zijn, even verbonden als een tweeling, zelfs nadat het koninklijke “al” voor Akirs naam was geplaatst, maar de jaloezie verteerde Breyan. Lain werd hoog geprezen voor zijn daden en dat was terecht, maar zelfs hij kon al’Akir niet overtreffen. Dat was een man en een koning zoals men maar eens in de honderd jaren tegenkomt, misschien nog minder. Vrede begunstige hem en el’Leanna.
Lain stierf in de Verwoeste Landen met de meesten van zijn volgelingen, mannen die Malkier eigenlijk niet kon missen, en Breyan gaf de koning de schuld door te zeggen dat Shayol Ghul zelf zou zijn gevallen als al’Akir samen met haar gade de rest van het Malkierse leger naar het noorden had geleid. Uit wraak zwoer ze samen met Cowin Gemallan, Cowin Lichthart genoemd, om de troon te grijpen ten gunste van haar zoon Isam. Nu was Lichthart een held die haast even geliefd was als al’Akir zelf, en een van de grootheren, maar toen de grootheren de staven wierpen voor het koningschap, had Cowin er slechts twee minder dan Akir en hij vergat nooit dat als twee mannen een andere kleur op de kroonsteen hadden geplaatst, hij en niet Akir op de troon had gezeten. Samen trokken Cowin en Breyan soldaten terug uit de Verwording om de Zeven Torens in te nemen, waardoor de grenssterkten onderbezet achterbleven.
Maar de jaloezie van Cowin ging verder.’ Er klonk afkeer door in Agelmar stem. ‘Lichthart, de held, wiens daden in de Verwording alom in de Grenslanden werden bezongen, was een Duistervriend. Toen de grenssterkten waren verzwakt, stroomden Trolloks als een rivier Malkier binnen. Koning al’Akir en Lain samen zouden mogelijk het land hebben verenigd; ze hadden hetzelfde al eerder gedaan. Maar Lains doem in de Verwoeste Landen had het volk ontsteld en de inval van de Trolloks brak de geest van de mensen en hun wil zich te weren. Van te veel mensen. Overweldigende aantallen drongen de Malkieri terug naar het hart van hun land.
Breyan vluchtte met haar zoontje Isam en werd door Trolloks overweldigd toen zij met hem naar het zuiden reed. Niemand weet hoe het met hen is afgelopen, maar het valt niet moeilijk te raden. Alleen voor de jongen voel ik medelijden. Toen het verraad van Cowin Lichthart werd onthuld en hij gevangen werd genomen door de jonge Jaim Charin – die toen al Jaim Kimstapper werd genoemd – toen Lichthart geketend naar de Zeven Torens werd gebracht, wilden de grootheren zijn hoofd op een speer. Maar omdat hij in het hart van de mensen op de derde plaats na al’Akir en Lain kwam, wilde de koning zelf een tweegevecht in het strijdperk. Daar doodde al’Akir hem en hij weende toen hij Cowin doodde. Sommigen zeggen dat hij huilde om een vriend die zich aan de Schaduw had gegeven en sommigen zeggen dat hij weende om Malkier.’ De heer van Fal Dara schudde bedroefd zijn hoofd. ‘De eerste doodsklok van de doem van de Zeven Torens had geluid. Er was geen tijd meer voor hulp van Shienar of Arafel en geen hoop dat Malkier alleen stand zou kunnen houden nu de lijken van vijfduizend lansiers in de Verwoeste Landen lagen en haar grenssterkten waren ingenomen. Al’Akir en zijn koningin el’Leanna lieten Lan in zijn wieg bij hen brengen. In zijn kleine handjes legden ze het zwaard van de koningen van Malkier, het zwaard dat hij nu draagt. Een wapen dat werd gemaakt door Aes Sedai in de Oorlog van Kracht, de Oorlog van de Schaduw die de Eeuw der Legenden beëindigde. Ze zalfden zijn hoofd, riepen hem uit tot Dai Shan, Gekroonde Krijgsheer, en wijdden hem tot de nieuwe koning van de Malkieri en in zijn naam zwoeren ze de oeroude eed van de koningen en koninginnen van Malkier.’ Agelmars gezicht verstrakte en hij sprak de woorden uit alsof hij die eed eveneens had gezworen, of een die er veel op leek. ‘De Schaduw te bevechten zolang ijzer hard is en steen onverbiddelijk. De Malkieri te verdedigen zolang nog een druppel van hun bloed vloeit. Te wreken wat niet verdedigd kan worden.’
De woorden schalden door het vertrek.
‘El’Leanna hing ter herinnering een zegel om de nek van haar zoon en het kind, door de koningin zelf in windsels gewikkeld, werd aan twintig uitverkorenen van de koninklijke lijfwacht overgegeven, de beste zwaardvechters, de dodelijkste strijders. Hun opdracht was het kind naar Fal Moran te brengen.
Na dit alles leidden al’Akir en el’Leanna de Malkieri naar hun laatste strijd tegen de Schaduw. Daar stierven ze, bij de Kruiswegen van Herot, en de Malkieri stierven en de Zeven Torens werden gebroken. Shienar en Arafel en Kandor traden de Halfmannen en Trolloks tegemoet bij de Trap van Jehaan en dreven hen terug, maar niet zo ver als vanwaar ze waren gekomen. Het grootste deel van Malkier bleef in handen van de Trolloks en jaar na jaar, span na span is het land door de Verwording verzwolgen.’ Agelmar zuchtte, een zucht die uit zijn hart leek te komen. Toen hij verder sprak, was er een droeve trots in zijn ogen en stem.
‘Slechts vijf lijfwachten kwamen levend in Fal Moran aan, ieder van hen was gewond, maar het kind was ongedeerd. Vanaf de wieg leerden ze hem alles wat zij wisten. Hij leerde wapenkunde toen andere kinderen met speelgoed speelden en kende de Verwording zoals andere kinderen de tuin van hun moeder. De eed die bij zijn wieg werd gezworen, is in zijn geest gegrift. Er is niets meer over om te verdedigen, maar hij kan het land en zijn ouders nog wreken. Hij wijst zijn titels af, maar in de Grenslanden wordt hij de Ongekroonde genoemd, en mocht hij ooit de Gouden Kraanvogel van Malkier verheffen, dan zal een leger toestromen om hem te volgen. Maar hij wil andere mannen niet naar hun dood leiden. In de Verwording maakt hij de dood het hof zoals een aanbidder een meisje het hof maakt, maar anderen wil hij er niet heen leiden.
Als jullie de Verwording moeten betreden, en slechts met weinigen, dan is er geen betere man om jullie daarheen te brengen of er weer veilig uit te leiden. Hij is de beste der zwaardhanden en dat betekent de beste van de allerbesten. Jullie zouden de jongens beter hier kunnen laren, zodat ze zich kunnen harden, en helemaal op Lan vertrouwen. De Verwording is geen plaats voor onervaren jongens.’
Mart deed zijn mond open en direct weer dicht toen Rhand hem aankeek. Ik wou dat hij leerde hem dicht te houden.
Nynaeve had met even grote ogen als Egwene geluisterd, maar stond nu weer met een bleek gezicht in haar bokaal te staren. Egwene legde haar hand op haar arm en keek haar meelevend aan. Moiraine verscheen in de deuropening en Lan volgde haar op de voet. Nynaeve draaide hen haar rug toe.
‘Wat heeft hij gezegd?’ wilde Rhand weten. Mart stond op, net als Perijn.
‘Boerenkinkel,’ mompelde Agelmar en zei toen luider, op normale toon: ‘Bent u iets te weten gekomen, Aes Sedai, of is hij gewoon gek?’