‘Hij is gek,’ zei Moiraine, ‘of iets wat er veel op lijkt, maar er is niets gewoons aan Padan Fajin.’ Een knecht in zwart en gouden livrei kwam na een buiging binnen, met een blauwe waskom en kan, een stuk gele zeep en een kleine handdoek op een zilveren schaal; hij keek bezorgd naar Agelmar. Moiraine liet hem alles op tafel zetten, ik vraag u om vergeving, heer Agelmar, voor mijn opdracht aan uw bedienden,’ zei ze. ‘Ik heb de vrijheid genomen hierom te vragen.’
Agelmar knikte naar de bediende, die het blad op de tafel zette en haastig het vertrek verliet. ‘Mijn dienaren zijn de uwe, Aes Sedai.’ Het water dat Moiraine in de kom goot, dampte alsof het net van het vuur was genomen. Ze schoof haar mouwen omhoog en begon verwoed haar handen te wassen zonder op de hitte van het water te letten. ‘Ik heb gezegd dat hij meer dan walgelijk was, maar dat was zelfs geen benadering. Ik geloof niet dat ik ooit iemand ben tegengekomen die zo verachtelijk en ontaard is en tegelijkertijd zo verdorven. Ik voel me bezoedeld na hem te hebben aangeraakt en ik bedoel niet vanwege het vuil op zijn huid. Bezoedeld vanbinnen.’ Ze tikte op haar borst. ‘De ontaarding van zijn ziel doet me bijna betwijfelen of hij er een heeft. Hij is erger dan een Duistervriend.’
‘Hij leek zo zielig,’ mompelde Egwene. ‘Ik weet nog dat hij ieder voorjaar in Emondsveld aankwam, altijd lachend en barstend van nieuwtjes van ver weg. Er bestaat toch zeker nog hoop voor hem? Geen mens kan zo lang in de Schaduw staan dat hij het Licht niet kan terugvinden’ haalde ze aan.
De Aes Sedai droogde haar handen bruusk af. ‘Dat heb ik ook altijd geloofd,’ zei ze. ‘Misschien kan Padan Fajin worden gered. Maar hij is al ruim veertig jaar een Duistervriend en wat hij daarvoor gedaan heeft, in bloed en pijn en dood, zou je hart bevriezen als je het hoorde. Het minst erge daarvan – hoewel vermoedelijk niet voor jullie – is dat hij de Trolloks naar Emondsveld heeft geleid.’
‘Ja,’ zei Rhand zachtjes. Hij hoorde Egwene naar adem snakken. Ik had het kunnen raden. Drakenvuur, ik had het moeten weten zodra ik hem had herkend.
‘Heeft hij ze ook hierheen gebracht?’ vroeg Mart. Hij keek naar de stenen muren om hem heen en huiverde. Rhand dacht dat hij meer aan Myrddraal dan aan Trolloks dacht; muren hadden de Schim in Baerlon niet tegengehouden en in Wittebrug evenmin.
‘Als hij dat heeft gedaan,’ Agelmar lachte, ‘dan zullen ze hun tanden stukbijten op de muren van Fal Dara. Vele anderen hebben dat al eerder gedaan.’ Hij zei het tegen iedereen, maar richtte zijn woorden duidelijk tot Nynaeve en Egwene aan de blik te zien die hij hun gaf. ‘En maak je ook maar niet bezorgd over Halfmannen.’ Marts gezicht werd rood. ‘Iedere straat en steeg in Fal Dara wordt ’s nachts verlicht. Niemand mag zijn gezicht binnen onze muren verbergen.’
‘Waarom heeft baas Fajin zoiets gedaan?’ vroeg Egwene.
‘Drie jaar geleden...’ Met een diepe zucht ging Moiraine zitten, in elkaar zakkend alsof wat ze met Fajin had gedaan haar had uitgeput. ‘Deze zomer, drie jaar terug. Zo lang geleden al. Het Licht heeft ons zeker begunstigd, anders zou de Vader van de Leugen al hebben getriomfeerd toen ik nog in Tar Valon plannen zat te maken. Drie jaar lang heeft Fajin voor de Duistere op jullie gejaagd.’
‘Dat is raar!’ zei Rhand. ‘Iedere lente kwam hij naar Tweewater met de regelmaat van een klok. Drie jaar? We hebben vlak voor hem gestaan en tot dit voorjaar achtte hij ons geen tweede blik waard.’ De Aes Sedai wees naar hem en keek hem strak aan.
‘Fajin heeft me alles verteld, Rhand. Of bijna alles. Ik geloof dat het hem lukte nog iets achter te houden, iets belangrijks, ondanks alles wat ik kon doen, maar hij heeft genoeg verteld. Drie jaar geleden kwam in Morland een Schim hem halen. Fajin was natuurlijk doods bang, maar Duistervrienden beschouwen het als een grote eer als ze zo worden opgeroepen. Fajin geloofde dat hij voor grootse daden was uitverkoren, en dat was hij, maar niet op de manier die hij dacht. Hij werd naar het noorden, naar de Verwording gebracht, naar de Verwoeste Landen. Naar Shayol Ghul, waar hij een man ontmoette met ogen van vuur, die zichzelf Ba’alzamon noemde.’
Mart bewoog onrustig en Rhand slikte hevig. Zo moest het natuurlijk zijn geweest, maar daardoor was het niet gemakkelijker het te aanvaarden. Alleen Perijn keek naar de Aes Sedai alsof niets hem meer kon verbazen.
‘Het Licht bescherme ons,’ zei Agelmar heftig.
‘Fajin vond het niet prettig wat hem in Shayol Ghul werd aangedaan,’ vervolgde Moiraine kalm. ‘Tussen zijn woorden door krijste hij vaak over vuur en branden. Het werd bijna zijn dood toen het allemaal tevoorschijn kwam vanwaar hij het diep had weggestopt. Ondanks mijn Heling is hij een vernietigde puinhoop. Het zal veel moeite kosten hem weer heel te maken. Maar ik wil de poging wagen, al is het maar omdat ik wil weten wat hij nog verbergt. Hij werd uitgekozen om de streken waar hij handel dreef. Nee,’ zei ze snel toen ze zich bewogen, ‘niet alleen Tweewater, toen niet. De Vader van de Leugen wist ruwweg waar hij zijn prooi kon vinden, maar niet veel beter dan wij in Tar Valon.
Fajin zei dat de Duistere hem tot zijn hond had gemaakt en in zekere zin heeft hij gelijk. De Vader van de Leugen heeft Fajin laten jagen, maar heeft hem eerst veranderd, zodat hij die jacht kon uitvoeren. Juist de dingen waardoor hij werd veranderd, vreest Fajin in zijn herinneringen; daardoor haat hij zijn meester net zozeer als hij hem vreest. Fajin werd dus weggestuurd om in alle dorpen rond Baerlon rond te snuffelen, helemaal tot aan de Mistbergen, tot aan de Taren en daarna in Tweewater.’
‘Drie lentes geleden?’ zei Perijn langzaam, ‘ik herinner me dat voorjaar nog. Fajin kwam later dan gebruikelijk, maar het vreemde was dat hij maar rond bleef hangen. Hij bleef een hele week, voerde niets uit en bleef maar knarsetanden over het geld dat hij moest uitgeven voor een kamer in De Wijnbron. Fajin houdt van geld.’
‘Ik weet het nu ook weer,’ zei Mart. ‘Iedereen vroeg zich af of hij ziek was, of verliefd op een vrouw uit het dorp. Niet dat er eentje met een marskramer had willen trouwen, uiteraard. Kun je net zo goed met een ketellapper trouwen.’ Egwene trok een wenkbrauw op en hij deed zijn mond dicht.
‘Daarna werd Fajin weer naar Shayol Ghul gebracht en werd zijn geest... leeggezogen.’ Rhands maag draaide zich om door de manier waarop ze het zei; die maakte de betekenis nog duidelijker dan de grimas op haar gezicht. ‘Wat hij had... gevoeld... werd versterkt en in hem geprent. Toen hij het jaar erna in Tweewater terugkwam, was hij beter in staat zijn doel te zoeken. Zelfs nog beter dan de Duistere had verwacht. Fajin wist volkomen zeker dal degene die hij zocht, een van de drie jongens in Emondsveld was.’
Perijn gromde en Mart begon zacht en eentonig te vloeken, wat zelfs na een woedende blik van Nynaeve niet ophield. Agelmar keek hen nieuwsgierig aan. Rhand voelde slechts een verre kilte en was daar verbaasd over. Drie jaar lang maakte de Duistere al jacht op hem, jacht op hen. Hij wist zeker dat zijn tanden eigenlijk hadden moeten klapperen.
Moiraine stond niet toe dat Mart haar onderbrak. Ze praatte harder om hem te overstemmen. Toen Fajin naar Lugard terugkeerde, benaderde Ba’alzamon hem in een droom. Fajin verlaagde zichzelf en voerde rituelen uit die jullie met doofheid zouden slaan als je er de helft van hoorde, en hij bond zich nog hechter aan de Duistere. Wat in dromen wordt gedaan, kan nog gevaarlijker zijn dan wat men wakend doet.’ Rhand bewoog, maar na een scherpe, waarschuwende blik op hem ging Moiraine verder. ‘Hem werden grote beloningen beloofd, macht over koninkrijken na de overwinning van Ba’alzamon, en hem werd gezegd dat hij bij zijn terugkeer in Emondsveld het gevonden drietal aan moest wijzen. Daar zou een Halfman met Trolloks op hem wachten. Wij weten nu hoe de Trolloks naar Tweewater zijn gekomen. Er moeten een Ogiergaarde en een saidinpoort bij Manetheren zijn geweest.’
‘De mooiste van allemaal,’ zei Loial, ‘uitgezonderd die van Tar Valon.’ Hij had even gespannen geluisterd als de anderen. ‘De herinnering aan Manetheren ligt diep in het hart van elke Ogier.’ Agelmar vormde het woord zwijgend, met verbaasd opgetrokken wenkbrauwen. Manetheren.