Выбрать главу

‘Heer Agelmar,’ zei Moiraine. ‘Ik zal u zeggen hoe u de saidinpoort van Mafal Dadaranell kunt vinden. Hij moet worden dichtgemetseld en bewaakt, en niemand mag erbij komen. De Schimmen kennen nog niet alle saidinwegen, maar die saidinpoort ligt ten zuiden van de stad, slechts enkele uren rijden van Fal Dara.’

De heer van Fal Dara vermande zich, alsof hij uit een droom ontwaakte. ‘Het zuiden? Vrede! Dat hebben we niet nodig, het Licht schijne op ons. Het zal worden gedaan.’

‘Is Fajin ons over de saidinwegen gevolgd?’ vroeg Perijn. ‘Dat moet dan wel.’

Moiraine knikte. ‘Fajin zou jullie drieën tot aan het graf volgen, om dat hij niet anders kan. Toen de Myrddraal in Emondsveld faalde, zette hij Fajin met de Trolloks op ons spoor. De Schim wilde Fajin niet met hem laten meerijden, al vond Fajin dat hij het beste paard van Tweewater zou moeten hebben en aan het hoofd van de vuist behoorde te rijden. De Myrddraal dwong hem echter met de Trolloks mee te rennen en als zijn voeten het opgaven, moesten de Trolloks hem dragen. Ze gebruikten woorden die hij begreep, ruziënd over de beste manier om hem te koken als hij niet meer nuttig was. Fajin beweert dat hij al voor de Taren in opstand kwam tegen de Duistere. Maar soms sijpelt zijn hebzucht naar de hem beloofde beloningen naar buiten.

Toen wij over de Taren waren ontsnapt, leidde de Myrddraal de Trolloks naar de dichtstbijzijnde saidinpoort, in de Mistbergen, en stuurde Fajin alleen over de Taren. Die dacht toen dat hij vrij was, maar nog voor hij Baerlon bereikte, vond een volgende Schim hem en die was niet zo vriendelijk. Die liet hem ’s nachts verkrampt in een Trollokketel slapen om hem aan de prijs van zijn falen te herinneren. Die Schim gebruikte hem tot aan Shadar Logoth. Tegen die tijd was Fajin bereid zijn moeder aan de Myrddraal te geven als die hem vrij wilde laten, maar de Duistere laat nooit bewust de greep los die hij eenmaal heeft.

Wat ik daar heb gedaan, dat zogenaamde spoor naar de bergen waar wij zouden zijn heen gegaan, hield de Myrddraal voor de gek, maar niet Fajin. De Schimmen geloofden hem niet, waarna ze hem meesleepten aan een strop. Pas toen we hen voortdurend wisten voor te blijven, hoe hard zij ook reden, begonnen enkelen Fajin te geloven. Dat waren de vier die naar Shadar Logoth terugkeerden. Fajin beweert dat het Ba’alzamon zelf was die de Myrddraal voortdreef.’

Agelmar schudde verachtelijk zijn hoofd. ‘De Duistere? Pfff. De man liegt, of is gek. Als Hartsvloek los was, zouden we nu allemaal dood zijn, of erger.’

‘Fajin sprak de waarheid zoals hij die zag,’ zei Moiraine. ‘Hij kon niet tegen me liegen, hoewel hij veel verborg. Zijn woorden: “Ba’alzamon verscheen als een flakkerende kaarsvlam die verdween en verscheen, nooit tweemaal op dezelfde plek. Zijn ogen verschroeiden de Myrddraal en de vuren van zijn mond blakerden ons.’

Iets,’ zei Lan, ‘dreef vier Schimmen naar een plaats waar ze niet heen durfden te gaan – een plaats die ze bijna evenzeer vrezen als de toorn van de Duistere.’

Agelmar gromde alsof hij een stomp in zijn maag kreeg. Hij zag er ziek uit.

‘Het was kwaad tegen kwaad in de bouwvallen van Shadar Logoth,’ vervolgde Moiraine. ‘Vuig tegen vuil. Toen Fajin het erover had, klapperden zijn tanden en jankte hij. Vele Trolloks werden geveld, verslonden door Mashadar en andere dingen, waaronder de Trollok die de strop van Fajin vasthield. Hij vluchtte de stad uit alsof het de Doemkrocht was in Shayol Ghul.

Fajin meende dat hij nu eindelijk vrij was. Hij was van plan weg te vluchten, zodat Ba’alzamon hem nooit meer zou vinden, zo nodig naar het einde van de wereld. Stel je zijn afgrijzen voor toen hij ontdekte dat de drang om te jagen niet verdween. In plaats daarvan werd die iedere dag heviger en feller. Hij kon niet eten, behalve wat hij kon verzamelen tijdens zijn achtervolging van jullie – kevers en hagedissen, gepakt onder het rennen, half verrot afval, opgegraven uit vuilnishopen in het nachtelijk donker – en evenmin kon hij stoppen vóór de uitputting hem als een lege zak in elkaar deed ploffen. En zodra hij genoeg kracht had om op te staan, werd hij weer voortgedreven. Tegen de tijd dat hij in Caemlin aankwam, kon hij zijn prooi vóélen, zelfs al was die een span verder. Hier, in de kerkers beneden, keek hij soms omhoog zonder te beseffen wat hij deed. Hij keek recht naar dit vertrek.’

Rhand had opeens jeuk tussen zijn schouderbladen; het was net of hij op dat moment Fajins ogen kon voelen, door de stenen heen. De Aes Sedai zag hoe hij bezorgd zijn schouder bewoog, maar ze ging onbewogen verder.

‘Fajin was al halfgek tegen de tijd dat hij in Caemlin aankwam en zonk zelfs nog dieper weg toen hij besefte dat er maar twee van de gezochten daar waren. Hij had de dwang jullie alle drie te vinden, maar hij kon niet meer doen dan de twee volgen die er waren. Hij had het over gekrijs toen de saidinpoort in Caemlin openging. De kennis van hoe dat gedaan moet worden, ligt in zijn geest. Hij weet niet hoe die daar is gekomen; zijn handen bewogen uit zichzelf, brandend van Ba’alzamons vuur toen hij probeerde ze te beheersen. De eigenaar van de winkel, die kwam onderzoeken waar het lawaai vandaan kwam, werd door Fajin gedood. Niet omdat hij moest, maar omdat hij de man benijdde dat die vrij de kelder kon uitlopen, terwijl zijn voeten hem onontkoombaar de saidinwegen opleidden.’

‘Dan was het dus Fajin die ons volgde en die jij voelde,’ zei Egwene.

Lan knikte. ‘Hoe is hij ontsnapt aan... aan de Zwarte Wind?’ Haar stem trilde; ze zweeg en slikte. ‘Die was vlak achter ons bij de saidinpoort.’

‘Hij is ontsnapt, en toch niet ontsnapt,’ zei Moiraine. ‘De Zwarte Wind greep hem... en hij beweerde de stemmen te begrijpen. Sommige begroetten hem als hun gelijke, andere vreesden hem. Zodra de wind Fajin had omhuld, vluchtte die.’

‘Het Licht beware ons.’ Loials gefluister gonsde als een reusachtige hommel.

‘Bid dat dat gebeurt,’ zei Moiraine. ‘Er zit nog veel in Padan Fajin verborgen, nog veel dat ik moet weten. Het kwaad in hem gaat dieper en is sterker dan in elke andere man die ik heb ontmoet. Het kan zijn dat de Duistere, door wat hij Fajin aandeed, een deel van zichzelf in de man prentte, misschien zelfs onbewust een deel van zijn bedoelingen. Toen ik het Oog van de Wereld noemde, klemde Fajin zijn kaken op elkaar, maar ik voelde dat hij iets wist. Als ik maar meer tijd had. Maar we kunnen niet wachten.’

‘Als deze man iets weet,’ zei Agelmar, ‘kan ik het uit hem krijgen.’ Zijn gezicht stond genadeloos; zijn stem beloofde geen medelijden voor Fajin. ‘Als u te weten kunt komen, zelfs al is het maar gedeeltelijk, wat u in de Verwording opwacht, dan is het een extra dag waard. Veldslagen zijn verloren door onbekendheid met de plannen van de vijand.’

Moiraine zuchtte en schudde vol spijt haar hoofd. ‘Heer, als het niet nodig was geweest dat we op z’n minst een nacht goed slapen voor we de Verwording in moeten, dan was ik binnen het uur weggereden, zelfs al lopen we dan de kans dat we in het donker op een Trollokvuist stuiten. Denk goed na over wat ik van Fajin te weten ben gekomen. Drie jaar geleden moest de Duistere Fajin naar Shayol Ghul laten halen om hem aan te raken, ondanks het feit dat Fajin tot in zijn merg een Duistervriend is. Een jaar geleden kon de Duistere aan Fajin de Duistervriend een opdracht geven. Dit jaar dringt Ba’alzamon door in de dromen van hen die in het Licht leven en verschijnt zelfs, zij het moeizaam, in Shadar Logoth. Niet in zijn eigen lichaam natuurlijk, maar zelfs een beeld van de geest van de Duistere, zelfs een beeld dat flakkert en geen stand kan houden, is dodelijker en gevaarlijker voor de wereld dan alle Trollokhorden samen. De zegels op Shayol Ghul worden wanhopig zwak, heer Agelmar. Er is geen tijd meer.’

Agelmar boog berustend, maar toen hij weer opkeek, lag er nog een koppige trek om zijn mond. ‘Aes Sedai, ik kan aanvaarden dat wanneer ik de lansiers naar Tarwins Kloof leid, wij niet meer dan een afleiding zullen zijn, een schermutseling aan de rand van de echte strijd. Plicht brengt mannen tot daden, even zeker als het Patroon dat doet, maar deze daden houden niet in dat wij daardoor roem zullen kennen. Maar onze schermutseling, zelfs als we winnen, zal nutteloos zijn als u de strijd verliest. Als u zegt dat uw groep klein moet zijn, dan zeg ik: alles goed en wel, maar ik smeek u alles te doen om te kunnen winnen. Laat deze jongemannen hier, Moiraine Sedai. ‘Ik zweer dat ik in hun plaats drie ervaren mannen zal vinden die geen enkele gedachte aan roem in hun hoofd zullen hebben, goede zwaardvechters die in de Verwording van bijna evenveel nut zullen zijn als Lan. Laat mij naar de Kloof optrekken in de wetenschap dat ik al het mogelijke heb gedaan u aan een overwinning te helpen.’