Выбрать главу

‘Suravye ninto manshima raishite, Dai Shan. Vrede begunstige uw zwaard.’ Ingtar wendde zijn paard en reed met zijn vaandeldrager en zijn honderd lansiers naar het oosten. De paarden stapten stevig en gestaag door, niet snel, maar zo snel als geharnaste paarden konden gaan, gezien de lange weg die ze nog moesten afleggen.

‘Wat vreemd om zoiets te zeggen,’ zei Egwene. ‘Waarom gebruiken ze het op die manier? Vrede.’

‘Als je nooit iets gekend hebt, behalve in je dromen,’ antwoordde Lan, die Mandarb naar voren dreef, ‘wordt het meer dan een talisman.’

Toen Rhand de zwaardhand langs de stenen grenspaal volgde, draaide hij zich in zijn zadel om. Hij zag eerst Ingtar en de lansiers achter de kale bomen verdwijnen, toen de grenspaal en als laatste de torens op de heuveltoppen, die over de bomen uitkeken. Al te snel waren ze alleen en reden ze onder de kale takken van het bos naar het noorden. Rhand verviel in een waakzaam zwijgen en voor één keer wist zelfs Mart niets te zeggen.

Die ochtend waren de poorten van Fal Dara bij dageraad geopend. Heer Agelmar, nu net als zijn soldaten geharnast en gehelmd, reed met de vaandels van de Zwarte Havik en de Drie Vossen de Oostpoort uit naar de zon, die nog slechts als een rood reepje boven de bomen zichtbaar was. Als een stalen slang, op en neer schokkend op het doffe bonzen van meegevoerde keteltrommen, kronkelde de stoet de stad uit, vier ruiters naast elkaar. Agelmar, die aan het hoofd ging, was al tussen de bomen verdwenen voor de staart het bolwerk van Fal Dara had verlaten. Er klonk geen gejuich in de straten om hen aan te moedigen; hun eigen trommels en het klapperen van hun vaandels in de wind waren het enige geluid. Hun ogen keken echter vastberaden naar de opgaande zon. In het oosten zouden ze zich bij andere stalen slangen voegen, die uit Fal Moran, achter koning Easar en zijn zoons, en die uit Ankor Dail, dat de Oostelijke Marken beheerste en de Rug van de Wereld bewaakte, uit Mos Shirare en Fal Sion en Camron Caan, en alle andere vestingsteden van Shienar, groot en klein. Verenigd tot een groter serpent zouden ze zich naar het noorden, naar Tarwins Kloof wenden.

Tegelijk was een andere uittocht begonnen, die gebruikmaakte van de Koningspoort en de weg naar Fal Moran. Karren en wagens, mensen te paard en mensen te voet, die hun vee voortdreven, kinderen op hun rug droegen, met gezichten zo lang als de ochtendschaduwen. Tegenzin om hun huizen te verlaten, misschien voor altijd, maakte hun voeten traag, maar de vrees voor wat zou komen, spoorde hen aan. Dus kwamen ze in golven de poort uit, nu eens sloffend dan weer een tiental passen hollend, waarna ze weer terugvielen tot schuifelende stappen in het stof. Enkelen bleven buiten de stad staan om de geharnaste rij soldaten die het bos in slingerde, na te kijken. Hoop vlamde op in enkele ogen en monden zegenden de krijgslieden en henzelf voor ze zich weer naar het zuiden begaven.

Uit de Malkierpoort vertrok de kleinste stoet. Slechts enkelen bleven achter, soldaten en een klein groepje oudere mannen, van wie de vrouwen waren gestorven en van wie de opgegroeide kinderen de langzame weg naar het zuiden volgden. Een laatste handvol verdedigers, zodat wat er ook in Tarwins Kloof gebeurde, Fal Dara niet onverdedigd zou vallen. Ingtars Grijze Uil ging voorop, maar het was Moiraine die hen naar het noorden leidde. De belangrijkste stoet van allemaal, en de wanhopigste.

Nadat ze de grenspaal waren voorbijgereden, veranderde er minstens een uur niets in de streek en de bossen. De zwaardhand joeg hen voort en liet de paarden zo snel mogelijk draven, terwijl Rhand zich maar bleef afvragen wanneer ze in de Verwording zouden komen. De heuvels werden wat hoger, maar de bomen en klimplanten en struiken eronder waren niet anders dan wat hij in Shienar had gezien, grijs en bladerloos. Hij begon het warm te krijgen, warm genoeg om zijn mantel over de zadelknop te slingeren.

‘Het beste weer dat we dit jaar hebben meegemaakt,’ zei Egwene, terwijl ze haar mantel van zich afschudde.

Nynaeve schudde haar hoofd en fronste alsof ze naar de wind luisterde. ‘Het voelt verkeerd.’

Rhand knikte. Hij kon het ook voelen, hoewel hij niet kon zeggen wat hij precies voelde. Het verkeerde zat ergens anders, niet in de eerste buitenwarmte die hij zich van dit jaar kon herinneren. Het zat hem ook niet in het simpele feit dat het zo ver noordelijk niet zo warm zou moeten zijn. De Verwording waarschijnlijk, maar het land was hetzelfde.

De zon klom hoger, een rode bal, die ondanks de wolkeloze hemel niet zoveel warmte kon geven. Even later knoopte hij zijn jas los. Zweet druppelde van zijn gezicht.

Hij was niet de enige. Mart had zijn jas uitgetrokken en toonde openlijk de gouden robijndolk. Met het puntje van zijn sjaal veegde hij zijn gezicht af. Met knipperende ogen bond hij hem vast in een smalle band vlak boven zijn ogen. Nynaeve en Egwene waaiden zichzelf koelte toe; ze reden ingezakt alsof ze verwelkten. Loial maakte zijn tuniek met de hoge kraag helemaal open, evenals zijn hemd; de Ogier had een smalle strook haar zo dik als bont midden op zijn borstkas. Hij mompelde tegen iedereen verontschuldigingen.

‘Jullie moeten me vergeven. Stedding Shangtai ligt in de bergen en is koel.’ Zijn brede neusvleugels sperden zich open, snoven lucht op die met elke pas warmer leek te worden. ‘Ik hou niet van deze klamme hitte.’

Het was vocht, besefte Rhand. Het voelde als de Slikken midden in de zomer, thuis in Tweewater. In dat drassige moeras leek je adem door een wollige deken te komen die in heet water was gedrenkt. Maar hier was de grond niet moerassig – slechts enkele meertjes en stroompjes, druppels voor iemand die gewend was aan het Waterwold – maar de lucht was er net als in de Slikken. Alleen Perijn, nog steeds met zijn jas aan, ademde gemakkelijk. Perijn en de zwaardhand.

Er zaten nu enkele bladeren, zag hij, aan bomen die in de winter kaal waren. Rhand stak zijn hand uit om een tak aan te raken en hield zich in toen zijn hand er vlakbij was. Een ziekelijk geel bevlekte het rood van de nieuwe blaadjes, en er waren zwarte vlekken van ziekte zichtbaar.

‘Ik heb je gezegd niets aan te raken.’ De stem van de zwaardhand klonk vlak. Hij droeg nog steeds zijn verandermantel, alsof hitte net zo weinig invloed op hem had als kou. Zijn vierkante gezicht leek daardoor bijna zonder steun boven de rug van Mandarb te zweven. ‘In de Verwording kunnen bloemen doden en bladeren verminken. Er is een klein ding dat een twijgtand wordt genoemd, dat zich graag tussen de dichte bladeren verbergt. Het ziet eruit als een twijgje en wacht tot het wordt aangeraakt. Als dat gebeurt, bijt het. Geen vergif. Het sap begint de prooi voor de twijgtand te verteren. Het enige dat je nog kan redden, is de gebeten arm of het been af te hakken. Maar een twijgtand zal je niet bijten tenzij je hem aanraakt. Andere dingen in de Verwording bijten wel.’

Rhand trok snel zijn hand terug, blij dat hij de bladeren niet had aangeraakt, en veegde hem af aan zijn broekspijp.

‘We zijn dus in de Verwording?’ vroeg Perijn. Vreemd genoeg klonk het niet of hij bang was.

‘Nog maar aan de rand,’ zei Lan grimmig. Zijn hengst bleef doorstappen en hij sprak over zijn schouder. ‘De echte Verwording ligt nog voor ons. Er zijn dingen daar die op hun gehoor jagen en sommige zijn mogelijk ver naar het zuiden afgedwaald. Soms steken ze de Dhoembergen over. Veel erger dan twijgtanden. Houd je stil en kijk uit als je in leven wilt blijven.’ Hij bleef stevig doorrijden en wachtte niet op een antwoord.

Span na span werd het bederf van de Verwording beter zichtbaar. De bomen vertoonden meer en meer bladeren, maar ze waren zwart en geel gevlekt en hadden vuurrode strepen als van een bloedvergiftiging. Ieder blad en elke klimplant leek gezwollen, klaar om bij een aanraking open te barsten. Bloemen hingen aan bomen en planten in een spottende nabootsing van de lente, ziekelijk bleek en pappig, wasachtige dingen die leken weg te rotten terwijl Rhand ernaar keek. Toen hij door zijn neus ademhaalde, moest hij bijna braken. De lucht smaakte als een hap bedorven vlees. De paardenhoeven veroorzaakten een zacht geblubber alsof er rotte dingen openbarstten.