Выбрать главу

Met een gevoelloze hand tastte hij naar zijn zwaard. Vaag hoorde hij Mart vloeken. Perijn had zijn bijl in de hand en zijn hoofd schoot heen en weer om het gevaar te vinden.

‘Schaapherders,’ mopperde Lan. Onbezorgd liep de zwaardhand de heuveltop op en bij zijn derde stap verdween hij.

Rhand zette net zulke grote angstogen op als Mart en Perijn en toen schoten ze alledrie naar de plek waar de zwaardhand was verdwenen. Rhand kwam glijdend tot stilstand en deed nog een stap naar voren toen Mart tegen hem aanbotste. Egwene keek op van de ketel die ze net op de kleine kookpot zette. Nynaeve sloot juist het deurtje van een van de twee aangestoken lantaarns. Ze waren er allemaal.

Moiraine zat met gekruiste benen op de grond, Lan lag languit, steunend op zijn elleboog en Loial pakte net een boek uit zijn rugzak. Behoedzaam keek Rhand om. De helling lag er nog hetzelfde bij, de bomen in de schaduw, de meren erachter, die in de duisternis vervaagden. Hij was bang terug te lopen, bang dat ze allemaal weer zouden verdwijnen en dat hij ze dan misschien niet zou terugvinden. Perijn schoof voorzichtig langs hem heen en slaakte een opgeluchte zucht.

Moiraine zag het drietal daar met open monden staan. Perijn keek beschaamd en liet zijn bijl terugglijden in de stevige riemlus, alsof hij dacht dat niemand het zou opmerken. Een glimlach gleed over haar lippen. ‘Het is heel eenvoudig,’ zei ze, ‘een verbuiging, zodat elk op ons gericht oog langs ons heen kijkt. We kunnen het niet hebben dat ogen daarbuiten ons zien. De Verwording is geen plek om in het duister rond te zwerven.’

‘Moiraine Sedai zegt dat ik het misschien ook kan.’ Egwenes ogen glansden.

‘Ze zegt dat ik op dit moment al genoeg van de Ene Kracht kan hanteren.’

‘Niet zonder oefening, kind,’ waarschuwde Moiraine. ‘De eenvoudigste toepassingen van de Ene Kracht kunnen gevaarlijk zijn voor de ongeoefenden en de mensen om hen heen.’ Perijn snoof en Egwene keek zo bedremmeld dat Rhand zich afvroeg of ze haar talenten al eens had gebruikt.

Nynaeve zette de lantaarn neer. Samen met het kleine vlammetje van de kookpot gaven de twee lantaarns vrij veel licht. ‘Als je naar Tar Valon gaat, Egwene,’ zei ze behoedzaam, ‘ga ik misschien wel met je mee.’ De blik naar Moiraine was vreemd verdedigend. ‘Het zal goed voor haar zijn tussen vreemden een bekend gezicht te zien. Ze heeft iemand nodig die haar raad geeft, naast de Aes Sedai.’

‘Misschien is dat wel het beste, Wijsheid,’ zei Moiraine gewoon. Egwene lachte en klapte in haar handen. ‘O, dat is écht geweldig. En jij, Rhand? Jij komt toch ook, hè?’ Rhand wilde juist aan de andere kant van de kookpot gaan zitten, verstarde even en liet zich toen langzaam zakken. Hij dacht dat haar ogen nooit groter of stralender waren geweest. Het leken net meren, waarin hij zichzelf kon verliezen. Rode vlekjes verschenen op haar wangen en haar glimlach werd kleiner. ‘Perijn, Mart, jullie komen toch ook, niet? Dan zijn we allemaal samen.’ Mart gaf een grom die van alles kon betekenen en Perijn haalde alleen zijn schouders op, maar zij legde het als instemming uit. ‘Zie je wel, Rhand. We zullen allemaal bij elkaar zijn.’

Licht, een man kan in die ogen verdrinken en daarmee heel gelukkig zijn. Verlegen schraapte hij zijn keel. ‘Hebben ze schapen in Tar Valon? Dat is het enige dat ik kan. Schapen hoeden en tobak kweken.’

‘Ik veronderstel,’ zei Moiraine, ‘dat ik wel iets voor jullie in Tar Valon kan vinden. Voor jullie allemaal. Niet het hoeden van schapen misschien, maar wel iets wat je interessant zult vinden.’

‘Zie je wel,’ zei Egwene, alsof het nu allemaal geregeld was. ‘Ik weet het. Ik ga je mijn zwaardhand maken als ik een Aes Sedai ben. Dat vind je toch fijn, hè, mijn zwaardhand te zijn, niet dan? Mijn zwaardhand?’ Het klonk zelfverzekerd, maar hij zag de vraag in haar ogen. Ze wilde een antwoord, had een antwoord nodig,

‘Ik zou graag je zwaardhand willen zijn,’ zei hij. Zij is niet voor jou bestemd, en jij niet voor haar. Waarom moest Min mij dat zeggen?

De duisternis kwam loodzwaar op hen neer en iedereen was moe. Loial was de eerste die ging liggen en zich klaarmaakte om te gaan slapen en de anderen volgden al snel. Niemand gebruikte een deken, alleen een kussen. Moiraine had iets in de olie van de lampen gedaan wat de stank van de Verwording verdreef, maar de hitte werd er niet minder door. De maan gaf een weifelend, waterig licht, maar de nacht bood zo weinig koelte dat de zon hoog aan de hemel had kunnen staan.

Rhand kon onmogelijk in slaap komen, zelfs al lag de Aes Sedai nog geen stap verder en werden zijn dromen afgeschermd. Het was de zware lucht die hem wakker hield. Perijns gesnurk kon niet op tegen het zachte gerommel van Loial, maar het hield de anderen niet uit hun slaap. De zwaardhand was nog wakker; hij hield even verderop met zijn zwaard over de knieën de wacht en staarde in de nacht. Tot Rhands verbazing lag Nynaeve evenmin te slapen.

De Wijsheid bleef een lange tijd stil naar Lan kijken en schonk toen een kom thee in, die ze hem aanreikte. Toen hij dankbaar mompelend zijn hand uitstak, liet ze die niet meteen los. ‘Ik had kunnen weten dat je een koning was,’ zei ze zacht. Haar ogen waren strak op het gezicht van de zwaardhand gericht, maar haar stem beefde licht. Lan keek haar even aandachtig aan. Rhand merkte verbaasd dat het gezicht van de zwaardhand echt zachter stond. ‘Ik ben geen koning, Nynaeve. Gewoon een man. Een man met minder bezittingen dan een eenvoudig pachter.’

Nynaeves stem klonk fermer. ‘Sommige vrouwen vragen niet om land of goud. Alleen om de man.’

‘En de man die haar zou vragen zo weinig te delen, zou haar niet waardig zijn. Je bent een opmerkelijke vrouw, zo mooi als de zonsopgang en zo vurig als een strijder. Je bent een leeuwin. Wijsheid.’

‘Een Wijsheid huwt zelden.’ Ze wachtte even, haalde diep adem, alsof ze zichzelf moed insprak. ‘Maar als ik naar Tar Valon ga, zou het kunnen zijn dat ik iets anders word en geen Wijsheid meer ben.’

‘Aes Sedai huwen even zelden als Wijsheden. Weinig mannen kunnen leven met een vrouw die zoveel macht bezit dat hij door haar uitstraling overschaduwd wordt, of ze dat nu wil of niet.’

‘Sommige mannen zijn sterk genoeg. Ik ken er een.’ Als er nog enige twijfel mocht bestaan, maakte haar blik wel duidelijk wie ze bedoelde.

‘Het enige dat ik bezit, zijn een zwaard en een strijd die ik niet kan winnen, maar waar ik me ook nooit aan kan onttrekken.’

‘Ik heb je gezegd dat mij dat niet kan schelen. Licht, je hebt mij al meer laten zeggen dan gepast is. Wil je mij beschamen totdat ik je het ronduit vraag?’

‘Ik zal je nooit beschamen.’ De tedere toon in Lans stem, bijna een streling, klonk Rhand vreemd in de oren, maar de ogen van Nynaeve begonnen te stralen. ‘Ik zal de man haten die jou verkiest, omdat ik hem niet ben, en van hem houden als hij jou laat lachen. Geen enkele vrouw verdient de zekerheid van het weduwzwart als haar bruidsschat, jij het minst van al.’ Hij zette de onaangeraakte kom op de grond en stond op. ‘Ik moet naar de paarden kijken.’

Nynaeve bleef geknield zitten toen hij weg was.

Wel of geen slaap, Rhand sloot de ogen. Hij dacht niet dat de Wijsheid het prettig zou vinden als ze merkte dat hij haar zag huilen.

49

De Duistere roert zich

Met een schok werd Rhand wakker. De bleke zon prikte op zijn oogleden toen die moeizaam boven de boomtoppen van de Verwording uit kroop. Zelfs in de vroege ochtend lag de hitte al als een zware deken over het bederf. Hij bleef met zijn hoofd op de dekenrol naar de lucht liggen staren. Die was tenminste nog blauw. Zelfs hier was die gelukkig nog onaangetast.

Hij besefte verrast dat hij had geslapen. Heel even leek de vage herinnering aan het afgeluisterde gesprek een stukje van een droom, maar toen zag hij de roodomrande ogen van Nynaeve. Ze had duidelijk niet of slecht geslapen. Lans gezicht stond harder dan ooit, alsof hij een masker had opgezet en niet van plan was dat ooit nog af te zetten.