Egwene ging naar de Wijsheid toe en hurkte met een bezorgd gezicht naast haar neer. Hij kon niet opvangen wat ze zeiden. Egwene was aan het woord en de Wijsheid gebaarde dat ze weg moest gaan. Egwene bleef echter en boog haar hoofd nog meer naar Nynaeve toe en korte tijd spraken de twee vrouwen zo mogelijk nog zachter, waarbij Nynaeve voortdurend haar hoofd bleef schudden. De Wijsheid rondde het af met een lach, omarmde Egwene en stelde haar zo te zien gerust. Maar toen Egwene opstond, keek ze de zwaardhand woedend aan. Lan leek het niet te merken; hij keek absoluut Nynaeves kant niet op.
Rhand schudde zijn hoofd, raapte zijn spullen bij elkaar en waste snel zijn gezicht en handen met het beetje water dat ze daarvoor van Lan mochten gebruiken, waarbij hij stevig met een natte vinger over zijn tanden wreef. Hij vroeg zich af of vrouwen op de een of andere manier de gedachten van mannen konden lezen. Het idee maakte hem onrustig. Alle vrouwen zijn Aes Sedai. Hij zei tegen zichzelf dat de Verwording vat op hem kreeg, spoelde zijn mond en haastte zich om de vos op te zadelen.
Het maakte hem nog steeds van streek dat de kampplaats verdween voor hij de paarden bereikte, maar tegen de tijd dat het tuig was vastgesnoerd, was alles op de heuvel opeens weer zichtbaar. Iedereen haastte zich.
De zeven torens waren in het ochtendlicht duidelijk zichtbaar; de verre gebroken stompen zagen eruit als geweldige ruwe heuvels die nog vaag hun vroegere grootsheid toonden. De honderd meren toonden een glad, roerloos blauw. Deze morgen werd het oppervlak door niets verbroken. Toen hij naar de meren en de verwoeste torens keek, kon hij bijna de verziekte dingen vergeten die rond de heuvel groeiden. Terwijl hij zijn aandacht richtte op de voorbereiding van hun vertrek, leek Lan een blik op de torens niet te vermijden, net zomin als hij Nynaeve opzettelijk vermeed, maar op de een of andere manier lukte hem dat toch.
Nadat de rieten manden op het pakpaard waren vastgemaakt, alle afval en sporen waren verdwenen en iedereen was opgestegen, bleef de Aes Sedai met gesloten ogen midden op de heuveltop staan. Ze leek zelfs niet te ademen. Er gebeurde niets, voor zover Rhand kon zien, behalve dat Nynaeve en Egwene ondanks de hitte rilden en stevig over hun armen wreven. Egwenes handen stopten opeens met wrijven en ze deed haar mond open terwijl ze naar de Wijsheid staarde. Voor ze iets kon zeggen, hield Nynaeve ook op met wrijven en keek haar scherp aan. De twee vrouwen keken elkaar aan, toen knikte Egwene en lachte, en even later deed Nynaeve hetzelfde, hoewel haar glimlach broos was.
Rhand haalde zijn vingers door zijn haar, dat al vochtiger was door het zweet dan door het water dat hij over zijn hoofd had gespat. Hij wist zeker dat er iets in die stille uitwisseling was geweest wat hij had moeten begrijpen, maar die gedachte verdween voor hij hem kon grijpen.
‘Waar wachten we op?’ wilde Mart weten, die zijn opgerolde sjaal weer als een hoofdband droeg. Hij had zijn boog met aangelegde pijl dwars over de zadelknop liggen en de pijlkoker aan zijn riem was zover naar voren geschoven dat hij er gemakkelijk bij kon.
Moiraine deed haar ogen open en liep de heuvel af. ‘Het is aan mij de laatste sporen op te ruimen van wat ik hier gisteravond heb gedaan. De restanten zouden uit zichzelf over een dag wel zijn opgelost, maar ik wil geen gevaar lopen als ik dat nu kan voorkomen. We zijn te dichtbij en de Schaduw is hier te sterk. Lan?’
De zwaardhand wachtte slechts tot zij zich in het zadel van Aldieb had gezet, voor hij hen naar het noorden leidde, naar de Dhoembergen, die in de nabije verte boven alles uittorenden. In het licht van de zonsopgang rezen de toppen als zwarte levenloze puntige pieken omhoog. Ze vormden naar het oosten en westen, zo ver als het oog kon zien, een lange muur.
‘Komen we vandaag bij het Oog, Moiraine Sedai?’ vroeg Egwene. De Aes Sedai keek Loial van opzij aan. ‘Ik hoop van wel. Toen ik het eerder vond, lag het net aan de andere kant van de bergen, aan de voet van de hoge bergpassen.’
‘Hij zegt dat het zich verplaatst,’ zei Mart met een knikje naar Loial. ‘Wat als het niet is waar u het verwacht?’
‘Dan zullen we de jacht voortzetten tot we het vinden. De Groene Man voelt nood en er bestaat geen grotere nood dan die van ons. Onze nood is de hoop van de wereld.’
Toen de bergen dichterbij kwamen, naderde de ware Verwording eveneens. Waar eerst het blad zwart en gevlekt was, viel het gebladerte nu klef omlaag, uiteenvallend onder het gewicht van zijn eigen verrotting. De bomen zelf waren gemartelde, wanstaltige vormen. Kromme takken klauwden hemelwaarts alsof ze genade afsmeekten van een onbekende macht die weigerde te luisteren. Slijm droop als etter uit gebarsten en gespleten schors. De bomen leken te trillen als de paarden trappelend voorbijkwamen, alsof er geen vaste substantie in ze achtergebleven was.
‘Lijkt of ze ons willen grijpen,’ zei Mart zenuwachtig. Nynaeve keek hem vermoeid en honend aan en hij zei woest: ‘Nou, daar lijkt het toch op?’
‘Sommige bomen willen dat echt,’ zei de Aes Sedai. Toen ze omkeek, stonden haar ogen een moment harder dan die van Lan. ‘Maar ze willen geen stukje van wat ik ben en mijn aanwezigheid beschermt jullie.’
Mart lachte zenuwachtig, alsof hij dacht dat ze een grapje maakte. Rhand was er niet zo zeker van. Dit was uiteindelijk de Verwording. Maar bomen bewegen niet. Waarom zou een boom iemand grijpen, zelfs als hij het kon? We verbeelden ons van alles en ze probeert ons alleen waakzaam te houden.
Opeens keek hij strak naar links, het woud in. Die boom, op geen twintig passen afstand, had getrild en dat had hij zich zeker niet verbeeld. Hij kon niet zeggen wat voor boom het was of was geweest zo verwrongen en mismaakt was zijn vorm. Terwijl hij de boom in het oog hield, zwiepte die opeens naar achteren en weer naar voren, en sloeg toen fel omlaag naar de grond. Er krijste iets, schril en doordringend. De boom zwiepte weer recht, zijn takken gewikkeld rond een donkere massa die wrong, spoog en krijste.
Rhand slikte hevig en probeerde Rood weg te sturen, maar aan alle kanten stonden bomen te trillen. De ogen van de vos rolden wild en rondom was het wit te zien. Rhand merkte dat hij in een dicht opeengedrongen paardenkudde zat toen iedereen hetzelfde probeerde te doen als hij.
‘Blijf doorrijden,’ beval Lan en hij trok zijn zwaard. De zwaardhand droeg nu met staal beklede handschoenen en zijn grijsgroene maliëntuniek. ‘Blijf bij Moiraine Sedai.’ Hij trok Mandarb rond, niet naar de boom en zijn prooi, maar de andere kant op. Door zijn van kleur veranderende mantel leek hij al te zijn verzwolgen door de Verwording voordat de zwarte hengst uit het zicht was verdwenen.
‘Dichterbij,’ drong Moiraine aan. Ze hield haar witte merrie niet in, maar gebaarde de anderen haar te volgen. ‘Blijf zo dichtbij als je kan.’
Een gebrul steeg op uit de richting die de zwaardhand was ingeslagen. Het ranselde de lucht en de bomen trilden mee, en toen het afzwakte, scheen het overal te weergalmen. Weer klonk het gebrul, een en al woede en dood.
‘Lan,’ zei Nynaeve. ‘Hij...’
Het gruwelijke geluid bracht haar tot zwijgen, maar er klonk iets nieuws in door. Angst. Opeens was het weg.
‘Lan kan voor zichzelf zorgen,’ zei Moiraine. ‘Rij door, Wijsheid.’ Tussen de bomen verscheen de zwaardhand, zijn zwaard ver van zichzelf en zijn paard af houdend. Zwart bloed bevlekte de kling en er kwam rook vanaf. Zorgvuldig veegde Lan de kling schoon met een doek uit zijn zadeltas. Hij keek het metaal nauwkeurig na of hij iedere vlek had weggekregen. Toen hij de doek liet vallen, viel die uit elkaar voor hij de grond raakte en eenmaal op de grond gingen de laatste restjes in rook op.
Stilletjes sprong een geweldige massa uit de bomen op hen af. De zwaardhand draaide Mandarb, maar nog voor het strijdros vooruit kon springen, klaar om toe te slaan met zijn staalbeslagen hoeven, flitste Marts pijl weg en drong in het ene oog van een kop die voornamelijk uit een bek met tanden leek te bestaan. Schoppend en krijsend viel het ding neer, slechts één sprong van hen af.