Er stak maar weinig onkruid boven de grond uit, maar toch groeide er meer onkruid dan iets anders. De kool was nauwelijks opgekomen, van de bonen of erwten was amper een scheutje te zien en de bieten waren nog helemaal niet te bekennen. Natuurlijk was nog niet alles geplant, slechts een gedeelte, in de hoop dat de kou tijdig zou wijken, zodat er toch nog geoogst kon worden voor de kelder leeg zou zijn. Het schoffelen kostte weinig tijd, wat hem in vorige jaren prima zou zijn uitgekomen, maar nu vroeg hij zich af wat ze moesten doen als er dit jaar helemaal niets opkwam. Geen prettige gedachte. En het brandhout moest ook nog gehakt worden.
Voor Rhand leek het of het jaren geleden was dat er géén brandhout gehakt moest worden. Maar klagen maakte het huis niet warm, dus haalde hij de bijl, zette de boog en de pijlkoker rechtop tegen de achterkant van het hakblok en ging aan het werk. Dennenhout voor een snelle hete vlam en eikenhout voor het lange doorbranden. Het duurde niet lang of hij had het warm genoeg gekregen om zijn jas uit te doen. Toen de stapel brandhout hoog genoeg was, stapelde hij het hout tegen de zijmuur van het huis op, naast de andere stapels die er al stonden. De meeste stapels kwamen bijna tot de dakrand. Tegen de tijd van Beltije waren de houtstapels gewoonlijk niet erg hoog meer, maar niet dit jaar. Hak en gooi, hak en gooi; hij ging helemaal op in het ritme van de bijl en het opstapelen van het hout. Thams hand op zijn schouder bracht hem weer bij zinnen en heel even knipperde hij verrast met zijn ogen.
Een grijze schemer was gevallen terwijl hij werkte en de lucht zou snel verduisteren tot het zwart van de nacht. De volle maan stond al aardig hoog boven de boomkruinen en glansde bleek en bultig alsof ze op hun hoofd zou vallen. Zonder dat hij het had gemerkt, was ook de wind killer geworden en joegen rafelige wolkenslierten langs de donker wordende hemel.
‘Laten we ons opfrissen, kerel, en zien dat er wat te eten valt. Ik heb al water naar binnen gebracht voor een lekker warm bad voor we gaan slapen.’
‘Alles wat heet is, lijkt me geweldig,’ zei Rhand, die zijn mantel opraapte en om zijn schouders hing. Nu hij klaar was met zijn werk leek zijn met zweet doordrenkte hemd te bevriezen door de wind die hij vergeten was in het vuur van het hakken. Hij onderdrukte een geeuw en verzamelde rillend zijn andere spullen. ‘Slapen lijkt me ook heerlijk. Ik zou door het hele feest heen kunnen slapen.’
‘Zullen we daar eens een wedje over doen?’ Tham glimlachte en Rhand moest wel teruggrijnzen. Hij zou Beltije niet willen missen, al had hij een week niet geslapen. Niemand zou dat willen.
Tham had buitensporig veel kaarsen aangestoken en in de grote stenen haard knetterden de vlammen, zodat er in de grote kamer een warme gezellige sfeer hing. Naast de open haard viel de brede eiken tafel het meest op in de kamer.
De tafel was lang genoeg voor wel tien mensen, al waren er na de dood van Rhands moeder maar zelden zoveel geweest. Langs de muur stonden een paar ladenkastjes en kisten, waarvan de meeste door Tham zelf gemaakt waren, en rond de tafel stonden stoelen met hoge rugleuningen. De beklede stoel die Tham zijn leesstoel noemde, stond schuin voor het haardvuur. Rhand las liever languit op het kleed voor de haard. De plank met boeken was kleiner dan de boekenplank in De Wijnbron, maar boeken waren moeilijk te krijgen. Weinig marskramers hadden er meer dan een handvol bij zich en die moesten dan nog verdeeld worden tussen de mensen die ze wilden kopen.
De kamer was niet zo goed geboend en opgeruimd als een kamer die een boerin regelmatig schoonmaakte. Op de tafel stond Thams pijpenrek met De reizen van Jakn Kimstapper ernaast en op het kussen van zijn leesstoel lag nog een ander in hout gebonden boek. Op de bank bij de haard lag nog wat paardentuig te wachten om hersteld te worden en enkele hemden vormden een stapeltje verstelgoed op een van de stoelen. Het was er misschien niet zo netjes, maar het was er schoon en er werd duidelijk geleefd, wat de kamer net zo warm en genoeglijk maakte als het haardvuur. Hierbinnen kon je gemakkelijk de kilte buiten vergeten. Hier bestonden geen valse Draken, oorlogen of Aes Sedai. Geen mannen in zwarte mantels. De geur uit de pan met stamppot boven het vuur was overal te ruiken en bezorgde Rhand een enorme trek.
Zijn vader roerde met een lange houten lepel in de pan en proefde. ‘Nog even.’
Rhand waste snel zijn gezicht en handen; er stond een kruik op de wasbak bij de deur. Hij had liever een heet bad genomen om het zweet weg te wassen en de kilte uit zijn botten te weken, maar dat kon pas als de grote ketel in de achterkamer heet genoeg was.
Tham tastte in een kastje en pakte een sleutel op die zo lang was als zijn hand. Toen Rhand vragend keek, zei hij: ‘Veiligheid voor alles. Misschien verbeeld ik me dingen en misschien voel ik me door het weer zo onbehaaglijk, maar...’ Hij zuchtte en speelde met de sleutel. ‘Ik kijk even naar de achterdeur,’ zei hij en hij verdween naar achter.
Rhand kon zich niet herinneren dat er ooit een deur werd afgesloten. In Tweewater sloot niemand ooit een deur. Dat hoefde niet. Tot nu toe niet in ieder geval.
Boven, in Thams slaapkamer, hoorde hij iets over de vloer schrapen, alsof er iets werd versleept. Rhand fronste. Tenzij Tham plotseling had besloten de meubels te verplaatsen, kon het alleen de oude kist zijn die onder zijn bed stond. Weer iets wat volgens hem nooit eerder was gebeurd.
Hij vulde een keteltje met water voor thee, hing het aan een haak boven het vuur en dekte de tafel. Hij had de kommen en lepels zelf gesneden. De luiken voor waren nog niet dicht en van tijd tot tijd tuurde hij naar buiten. Het was al helemaal donker geworden en hij zag alleen maar de schaduwen van de maan. De zwarte ruiter kon zich daarbuiten gemakkelijk schuilhouden, maar hij probeerde er niet aan te denken.
Toen Tham weer terugkwam, viel Rhands mond open van verbazing. Tham had een dikke riem aangegord die schuin hing door het gewicht van een zwaard met een bronzen reiger op de zwarte schede en een tweede reiger op het lange gevest. De enige mannen die Rhand ooit met een zwaard had gezien, waren de wachten van de kooplui.
En Lan natuurlijk. Dat zijn eigen vader er een had, was in de verste verte nooit bij hem opgekomen. Afgezien van de reigers leek het zwaard veel op Lans zwaard.
‘Waar komt dat vandaan?’ vroeg hij. ‘Hebt u het gekocht van een marskramer? Hoeveel heeft het gekost?’
Langzaam trok Tham het wapen; het licht van de vlammen speelde over het glanzende staal. Het leek absoluut niet op de eenvoudige ruwe klingen zoals Rhand in de handen van de koopmanswachten had gezien. Het wapen was niet versierd met edelstenen of goud, maar zag er volgens hem toch geweldig uit. Het blad, heel lichtjes gebogen en met maar één scherpe kant, vertoonde nog een in het staal gegraveerde reiger. Korte weerstangen, zo bewerkt dat ze op vlechtwerk leken, flankeerden het gevest. Het wapen leek bijna breekbaar vergeleken met de zwaarden van de wapenknechten, die meestal tweesnijdend waren en dik genoeg om een boom om te hakken.‘Ik heb het een hele tijd geleden gekocht,’ zei Tham, ‘heel ver hiervandaan. En ik heb er absoluut te veel voor betaald; twee koperstukken is te veel voor zoiets. Je moeder vond het niet goed. Ze was atijd al verstandiger dan ik. Ik was toen jong en in die tijd leek het me het geld waard. Ze heeft altijd gewild dat ik het weg zou doen en vaak heb ik gedacht dat ze gelijk had en dat ik het gewoon weg moest geven.’
De erin weerkaatsende vlammen leken het blad in brand te steken. Rhand schrok op. Hij had vaak gedagdroomd over een eigen zwaard. ‘Weggeven? Hoe kunt u zo’n zwaard weggeven?’
Tham snoof. ‘Je hebt er niet veel aan bij het schapenhoeden, of wel soms? Je kunt er ook geen veld mee ploegen of ermee oogsten.’ Hij bleef lang naar het zwaard staren, alsof hij zich afvroeg wat hij met zo’n ding moest.
Ten slotte slaakte hij een diepe zucht. ‘Maar als het niet alleen een nare droom blijkt te zijn en als het ongeluk ons treft, zullen we de komende dagen misschien blij zijn dat ik het toch maar in die oude kist heb bewaard.’ Hij liet het zwaard soepel terugglijden in de schede en veegde met een grimas zijn hand aan zijn buis af. ‘De stamppot moet nu klaar zijn. Ik schep wel op terwijl jij de thee inschenkt.’