Rhand staarde ernaar toen ze zich erlangs haastten. Het zat vol stijve haren als lange borstels en had te veel poten die in de vreemdste hoeken uit een lijf staken dat zo groot was als dat van een beer. Sommige poten, tenminste die op de rug, moesten voor lopen nutteloos zijn, maar de vingerlange klauwnagels aan de poten krasten in hun afgrijselijke doodsnood de aarde open.
‘Goed schot, schaapherder.’ Lans ogen hadden reeds vergeten wat er achter hem lag te creperen en zochten het woud af.
Moiraine schudde haar hoofd. ‘Het moest niet zo dicht in de buurt willen komen van iemand die de Ware Bron aanraakt.’
‘Agelmar zei dat de Verwording zich roert,’ zei Lan. ‘Mogelijk weet de Verwording ook dat er zich een Web in het Patroon vormt.’
‘Opschieten.’ Moiraine duwde haar hielen in de flanken van Aldieb. ‘We moeten zo snel mogelijk de hoge passen over.’
Maar nog voor ze was uitgesproken, sloeg de Verwording toe. Bomen zwiepten rond, reikten naar hen en maalden er niet om of Moiraine de Ware Bron aanraakte of niet.
Rhands zwaard lag in zijn hand; hij wist niet eens dat hij het had getrokken. Telkens sloeg hij toe en het reigerzwaard gleed door verdorven uitlopers. Hongerige takken trokken gewonde, wriemelende stompen terug – hij meende haast hun gegil te horen – maar ze kwamen steeds weer terug, kronkelend als slangen die zich om zijn armen, zijn middel en zijn nek probeerden te slingeren. Snauwend, met ontblote tanden, zocht hij de leegte en vond die in de rotsige, koppige aarde van Tweewater. ‘Manetheren!’ Hij schreeuwde naar de bomen tot zijn keel pijn deed. Het reigerstaal flitste in het krachteloze zonlicht. ‘Manetheren! Manetheren!’
Rechtop in zijn stijgbeugels schoot Mart pijl na pijl het woud in. Hij trof wanstaltige vormen die grauwden en met talloze tanden in de dodende schachten knauwden, die naar andere klauwende gestalten beten en zich over hen heen probeerden te vechten om bij de ruiters te komen. Ook Mart was uit het heden ontsnapt. ‘Carai an Caldazar!’ schreeuwde hij terwijl hij de geveerde schachten naar zijn wang trok en losliet. ‘Carai an Ellisande! Al Ellisande! Mordero daghain pas duente cuebiyar! Al Ellisande!
Perijn stond eveneens rechtop in zijn stijgbeugels, zwijgend en grimmig. Hij reed vooraan en zijn bijl hieuw een pad door hout en smerig vlees, wat er ook maar voor hem oprees. Zwiepende bomen en brullende dingen schrokken terug voor de forse bijldrager, vluchtten evenzeer voor zijn vlammende gouden ogen als voor zijn rondzoevende bijl. Hij dwong zijn paard verder, stap na vastberaden stap. Vuurbollen flitsten uit Moiraines handen en waar ze insloegen, werd een kronkelende boom een toorts of krijste een getande gestalte die met menselijke handen wrong en zijn eigen vlammende vlees met gruwelijke klauwen openreet tot hij stierf.
Telkens opnieuw voerde Lan Mandarb tussen de bomen door; zijn wapen en handschoenen dropen van bloed dat borrelde en dampte. Bij elke terugkomst zaten er meer scheuren in zijn wapenrusting en had hij meer bloedende sneden opgelopen; zijn strijdros struikelde en bloedde eveneens. Iedere keer nam de Aes Sedai tijd om haar handen op de wonden te leggen en als ze haar handen wegnam, bleef er slechts wat bloed op een gave huid achter.
‘Ik steek bakens aan voor de Halfmannen,’ riep ze verbitterd. ‘Rij door, rij door!’ Ze baanden zich maar uiterst langzaam een weg door het woud.
Als de bomen niet evenzeer naar de aanvallende vleesklompen hadden geslagen als naar de mensen, en als de wezens – geen twee waren er gelijk — niet tegen de bomen en tegen elkaar hadden gevochten om bij hen te komen, zouden ze hen volgens Rhand ongetwijfeld hebben overweldigd. Hij was er nog steeds niet zeker van dat het niet alsnog zou gebeuren. Toen steeg achter hen een fluitende schreeuw op. Ver en ijl sneed het gekrijs door het gebrul van de bewoners van de Verwording rondom hen.
Van het ene op het andere moment hield het grauwen op, alsof het met een mes was afgesneden. De aanvallende gestalten verstarden en de bomen bevroren. Even plotseling als de dingen met poten waren verschenen, losten ze op in het mismaakte woud. Weer klonk het schrille gekrijs, als de gebarsten fluit van een schaapherder, en het werd door een koor beantwoord. Een zestal dat in zichzelf zong, ver achter hen.
‘Wormen,’ zei Lan grimmig, wat Loial een kreun ontlokte. ‘Ze hebben ons enig uitstel gegeven, als we nu nog maar tijd hebben om dat te benutten.’ Zijn ogen schatten de afstand die hen van de bergen scheidde. ‘Maar weinig dingen in de Verwording durven het tegen een Worm op te nemen als ze het kunnen vermijden.’ Hij sloeg met zijn hielen in de flanken van Mandarb. ‘Rijden!’ De hele groep draafde achter hem aan door een Verwording die, afgezien van het gefluit achter hen, opeens echt dood leek te zijn.
‘Werden ze bang van wormen?’ vroeg Mart ongelovig. Hij schokte op en neer in zijn zadel en probeerde de boog weer op zijn rug te hangen.
‘Een Worm,’ de zwaardhand zei het heel anders dan Mart, ‘kan een Schim doden, als de Schim niet het geluk van de Duistere zelf heeft. We hebben een heel nest achter ons aan. Rij! Rij!’ De donkere bergpieken kwamen nu dichterbij. Nog een uur, schatte Rhand, met de snelheid die de zwaardhand nu aanhield.
‘Zullen de Wormen ons niet de bergen in volgen?’ vroeg Egwene hijgend, en Lan lachte scherp.
‘Doen ze niet. Wormen zijn bang voor wat er in de hoge passen leeft.’
Loial kreunde opnieuw.
Rhand wilde dat de Ogier daarmee ophield. Hij was zich er heel goed van bewust dat de Ogier meer over de Verwording wist dan ieder ander, Lan uitgezonderd. Het maakte niet uit dat die kennis ook uit boeken in de veilige stedding kwam. Maar waarom moet hij me er steeds maar aan herinneren dat er nog ergere dingen komen dan die we al zijn tegengekomen?
De Verwording schoot langs hen heen, rottende planten en gras spetterden onder de hoeven van de galopperende paarden. Bomen van het soort dat eerder had aangevallen, trilden nu zelfs niet als ze vlak onder de verwrongen takken door reden. De Dhoembergen rezen hoog op, zwart en naargeestig en bijna zo dichtbij dat het leek of hij ze kon aanraken. Het gefluit klonk nu scherp en helder en er waren zompige geluiden achter hen, luider dan wat er onder hun hoeven werd geplet. Veel te luid, alsof halfvergane bomen werden geplet door reusachtige lichamen die eroverheen gleden. Veel te dichtbij. Rhand keek om. Achter hem zwiepten bomen heen en weer en vielen om als grassprieten. Het land liep weer omhoog naar de bergen; het liep zo schuin dat hij wist dat ze klommen.
‘We halen het niet,’ kondigde Lan aan. Hij liet Mandarb even snel doordraven, maar opeens lag zijn zwaard weer in zijn hand. ‘Pas goed op jezelf in de hoge passen, Moiraine, dan kom je er wel doorheen.’
‘Nee, Lan!’ gilde Nynaeve.
‘Zwijg, meisje! Lan, zelfs jij kunt geen Wormnest tegenhouden. Ik sta het niet toe. Ik zal je bij het Oog nodig hebben.’
‘Pijlen!’ hijgde Mart buiten adem.
‘Wormen voelen ze niet eens,’ schreeuwde de zwaardhand. ‘Ze moeten in stukken gehakt worden. Voelen alleen maar honger. Soms angst.’
Terwijl hij zich met doodsverachting aan zijn zadelknop vasthield, haalde Rhand zijn schouders op en probeerde die te ontspannen. Zijn hele borstkas voelde zo stijf dat hij nauwelijks kon ademhalen en zijn huid stak van hete speldenprikken. De Verwording was overgegaan in de eerste heuvels. Hij kon het kronkelende pad zien dat ze moesten bestijgen als ze de bergen haalden. De hoge pas erachter leek door een bijl in de zwarte rots gekerfd. Licht, wat is er daarginds wat die dingen achter ons kan afschrikken? Licht sta me bij, ik ben nog nooit zo bang geweest. Ik wil niet verder rijden. Niet verder! Hij zocht de vlam en de leegte, hij bespotte zichzelf. Dwaas! Bange, laffe dwaas! Je kunt niet hier blijven en je kunt niet terug. Laat je Egwene hier in de steek? De leegte ontsnapte hem, vormde zich, verdeelde zich toen tot duizend lichtpunten die zich rangschikten en weer verspreidden. Iedere punt brandde in zijn botten, tot hij beefde van de pijn en dacht dat hij zou opensplijten. Licht sta me bij, ik kan niet meer. Licht help me!