Выбрать главу

Hij wilde net de teugels van de vos aanhalen om zich om te draaien en de wormen te bevechten, alles liever dan wat er voor hem lag, toen de aard van het landschap veranderde. Tussen de ene heuvel helling en de volgende, tussen de twee toppen, was de Verwording verdwenen.

Groene bladeren hingen aan vredige, brede takken. Wilde bloemen vormden een tapijt van heldere plekken in grasvelden die bewogen in een zoete lentebries. Vlinders dartelden van bloem naar bloem, bijen zoemden en vogels zongen trillend hun lied.

Met open mond galoppeerde hij verder, tot hij opeens besefte dat Moiraine, Lan en Loial, net als de anderen, stilstonden. Traag trok hij de teugels aan, zijn gezicht star en verbijsterd. Egwenes ogen leken uit hun kassen te rollen en Nynaeve keek rond met open mond.

‘We zijn in veiligheid,’ zei Moiraine. ‘Dit is waar de Groene Man verblijft en hier is het Oog van de Wereld. Niets van de Verwording kan hier binnendringen.’

‘Ik dacht dat het aan de andere kant van de bergen lag,’ stamelde Rhand. Nog steeds kon hij aan de noordelijke kim de bergtoppen en de hoge passen zien. ‘U zei dat het altijd achter de passen lag.’

‘Deze plaats,’ zei een diepe stem van tussen de bomen, ‘is altijd waar hij is. Alles wat verandert, is waar degenen zijn die hem nodig hebben.’

Een gedaante stapte onder het gebladerte vandaan, een menselijke gestalte, evenveel groter dan Loial als de Ogier groter was dan Rhand. Een mannengestalte van geweven ranken en bladeren, groen en groeiend. Haar als gras dat tot op zijn schouders hing, ogen als grote hazelnoten en nagels als eikels. Groene bladeren vormden zijn tuniek en broek, een gave bast zijn laarzen. Vlinders fladderden om hem heen, landden licht op vingers, schouders en gezicht. Slechts één ding ontsierde de groene, bloeiende volmaaktheid. Een diepe kloof liep langs wang en slaap over zijn kruin en daarin waren de ranken bruin en verwelkt.

‘De Groene Man,’ fluisterde Egwene en het gezicht met het litteken glimlachte. Heel even leken de vogels luider te fluiten.

‘Natuurlijk ben ik dat. Wie zou hier anders zijn?’ De hazelnootogen bleven op Loial rusten. ‘Het is goed je hier te zien, kleine broeder. In de dagen van weleer hebben velen van jullie mij bezocht, maar slechts weinigen in de dagen van nu.’

Loial liet zich van zijn grote paard glijden en maakte een vormelijke buiging. ‘U bewijst me eer, Boombroeder. Tsingu ma choshih, T’ingshen.’

Glimlachend legde de Groene Man een arm om Loials schouder. Naast de Ogier leek hij een man met een jongen. ‘Er bestaat geen eerbetoon, kleine broeder. We zullen samen de Boomzangen zingen, en ons de Grote Bomen en de stedding herinneren en het Smachten tot staan brengen.’

Hij keek naar de anderen, die net bezig waren af te stijgen en zijn ogen bleven op Perijn rusten. ‘Een Wolfsbroeder! Voorwaar, betreden de oude tijden opnieuw de wereld?’

Rhand staarde naar Perijn. De smidsgezel trok zijn paard zo dat het tussen hem en de Groene Man stond en begon gebukt het tuig na te kijken. Rhand wist zeker dat hij zo aan de onderzoekende blik van de Groene Man wilde ontsnappen. Opeens sprak de Groene Man Rhand aan.

‘Vreemde kleding draag je, Kind van de Draak. Is het Rad al zo ver gedraaid? Keert het Volk van de Draak terug naar het Eerste Covenant? Maar je draagt een zwaard?! Dat is ongekend, voor nu en toen.’

Rhand zocht speeksel voor zijn kurkdroge mond voor hij wat kon zeggen, ik weet niet waar u het over hebt. Wat bedoelt u?’

De Groene Man voelde aan het bruine litteken op zijn hoofd. Heel even leek hij in de war. ‘Dat... dat kan ik niet zeggen. Mijn herinneringen zijn vaak zwevende flarden en veel van wat rest, is als door rupsen bezochte bladeren. Toch weet ik zeker... Nee, het is weer weg. Maar u bent hier welkom. U, Moiraine Sedai, bent meer dan een verrassing. Toen deze plek werd gemaakt, werd hij zo gemaakt dat niemand hem een tweede keer kon vinden. Hoe bent u hier gekomen?’

‘Nood,’ antwoordde Moiraine. ‘Mijn nood, de nood van de wereld. Voornamelijk de nood van de wereld. We zijn gekomen voor het Oog van de Wereld.’

De Groene Man zuchtte, een zuchtende wind in takken vol bladeren. ‘Dan is het weergekomen. Die herinnering blijft immer dezelfde. De Duistere roert zich. Ik heb het gevreesd. Elke wenteling van jaren streeft de Verwording harder om binnen te dringen en deze wenteling is de strijd om haar buiten te sluiten zwaarder geweest dan ooit. Kom, ik breng u erheen.’

50

Ontmoetingen bij het Oog

Samen met de andere Emondsvelders volgde Rhand, met de vos aan de hand, de Groene Man. In hun ogen viel te lezen dat ze niet konden besluiten of ze naar de Groene Man of naar het bos wilden kijken. Door alle speelmanverhalen waren de Groene Man en de Levensboom natuurlijk rond elke haard in Tweewater legendarisch en niet alleen bij de kinderen bekend. Maar na de Verwording waren de bomen en bloemen een wonder van alledaagsheid, ook al had de winter elders de wereld nog steeds in zijn greep.

Perijn hield zich een beetje achteraf. Toen Rhand omkeek, zag de smidsgezel met zijn krulhaar eruit of hij absoluut niets meer van de Groene Man wilde horen. Dat kon hij begrijpen. Kind van de Draak.

Behoedzaam keek hij naar de Groene Man, die met Moiraine en Lan voor hen uitliep in een wolk van gele en rode vlinders. Wat bedoelde hij.’ Nee, ik wil het niet weten.

Ondanks dat waren zijn stappen veel lichter en leken zijn benen te veren. Innerlijk voelde hij zich nog niet op zijn gemak, maar de angst was zo ijl dat die leek verdwenen. Hij vond dat hij niet op meer mocht hopen, niet met de Verwording een halve span achter zich, zelfs als Moiraine gelijk had dat de Verwording deze plek absoluut niet kon binnendringen. De duizenden brandende speldenprikken in zijn botten waren weg. Hij wist bijna zeker dat het was gestopt toen hij het domein van de Groene Man binnenkwam. Hij heeft ze gedoofd, dacht hij, de Groene Man, en deze plek.

Egwene en Nynaeve voelden het ook, de stille vrede, de kalme schoonheid. Dat kon hij aan ze zien. Op hun gezicht lag een kleine, stille glimlach en ze streelden bloemen met hun vingers. Zo nu en dan bleven ze staan om te ruiken en diep adem te halen.

Toen de Groene Man dat zag, zei hij: ‘Bloemen zijn versiering. Dat geldt voor planten en voor mensen. Zolang je er maar niet te veel plukt, zal geen enkele plant het erg vinden.’ Zelf plukte hij ze ook, een bloem hier, een bloem daar, nooit meer dan twee van dezelfde plant. Weldra droegen Egwene en Nynaeve in hun haar kransen van roze roosjes, geelklokjes en witte morgensterren. De vlecht van de Wijsheid leek tot haar middel een roze en witte tuin. Ook Moiraine droeg een dunne krans morgensterren op haar hoofd, zo knap gevlochten dat de bloemen nog steeds leken te groeien.

Rhand was er niet zeker van óf ze niet doorgroeiden. Tijdens het lopen, al pratend met Moiraine, hield de Groene Man zijn bostuin bij en verzorgde alles wat verzorging nodig had zonder er echt bij na te denken. Zijn hazelnootogen vielen op een kromme twijg van een klimroos die door een appelbloesemtak lelijk werd weggedrukt. Al pratend bleef hij staan en zijn hand streek over de knik. Rhand kon zijn ogen niet geloven, maar de doorns leken zich echt opzij te buigen om die groene vingers niet te prikken. Toen de statige gestalte van de Groene Man verder schreed, stak de tak weer recht en fier zijn rode bloemblaadjes tussen het wit van de appelbloesems. Hij bukte zich en omvatte met een enorme hand een klein zaadje dat tussen enkele kiezelstenen lag en toen hij zich oprichtte, had een kleine zaailing wortel geschoten in een klein spleetje met goede aarde tussen de stenen.

‘Alle dingen moeten op hun eigen plaats groeien, volgens het Patroon,’ legde hij omkijkend uit, alsof hij zich verontschuldigde, ‘en de wenteling van het Rad verdragen, maar de Schepper zal het niet erg vinden als ik hier en daar een handje help.’

Rhand leidde Rood voorzichtig om de zaailing heen en paste goed op dat de hoeven het plantje niet vertrapten. Het leek onjuist om uit luiheid iets te vernietigen wat de Groene Man had gemaakt. Egwene glimlachte hem toe, een van haar vertrouwelijke glimlachjes, en raakte zijn arm aan. Ze zag er zo mooi uit, met haar loshangende haren vol bloemen, dat hij haar glimlach beantwoordde tot ze blozend haar ogen neersloeg. Ik zal je beschermen, dacht hij. Wat er verder nog staat te gebeuren, ik zal zorgen dat je veilig bent. Ik zweer het.