Rhand voelde de lucht boven hem trillen alsof er een reuzenzweep klapte. Mart en Perijn, nog niet eens halverwege, bleven staan alsof ze tegen een muur waren opgelopen, kaatsten terug en belandden languit op de grond.
‘Goed,’ zei Aginor. ‘Een gepaste plek voor jullie. Als je leert ons heel nederig te vereren, zou ik jullie in leven kunnen laten.’
Haastig krabbelde Rhand overeind. Misschien kon hij de Verzakers niet bevechten — geen enkel gewoon mens kon dat — maar hij wilde ze geen tel laten geloven dat hij zich voor hen in het stof wierp. Hij probeerde Egwene op te helpen, maar ze sloeg zijn handen weg en deed het alleen, waarbij ze kwaad haar kleed afborstelde. Mart en Perijn duwden zich eveneens onvast overeind.
‘Jullie zullen het leren,’ zei Aginor, ‘als je wilt leven. Nu ik gevonden heb wat ik nodig heb,’ zijn ogen schoten naar de stenen toegangsboog, ‘kan ik me de tijd veroorloven jullie iets bij te brengen.’
‘Dit mag niet zijn!’ De Groene Man schreed onder de bomen vandaan met een stem als bliksem die een oeroude eik treft. ‘Jullie horen hier niet!’
Aginor gunde hem een korte verachtelijke blik. ‘Ga heen! Jouw tijd is geëindigd; allen van je ras, ook jij, behoren aan de schoot der aarde. Leef het leven dat je nog rest en wees blij dat je onze aandacht niet waard bent.’
‘Dit is mijn plaats,’ zei de Groene Man, ‘en hier zul je geen enkel levend wezen kwaad doen.’
Balthamel gooide Nynaeve als een vod opzij en ze viel neer als een verfrommelde lap met starende ogen, slap, alsof al haar botten waren gesmolten. Een leren hand rees op en de Groene Man brulde toen rook opsteeg van de ranken waaruit hij bestond. De wind tussen de bomen nam zijn pijn over.
Aginor keerde zich weer tot Rhand en de anderen, alsof de Groene Man had afgedaan, maar na een lange, stevige pas omvatten de armen van bladeren Balthamel, tilden hem hoog op en drukten hem plat tegen een borstkas van dikke klimplanten. Het zwarte masker lachte in de hazelnootbruine ogen, die donker waren van woede. Als slangen wrongen Balthamels armen zich los en zijn leren handen grepen het hoofd van de Groene Man alsof hij dat los wilde wringen. Vlammen schoten omhoog waar die handen iets raakten, ranken verschrompelden en bladeren dwarrelden neer. De Groene Man brulde toen een dikke donkere rook tussen de ranken van zijn lijf opwalmde. Het gebrul ging door en door, alsof hijzelf opsteeg uit zijn mond, tegelijk met de rook die tussen zijn lippen wegwolkte.
Opeens schokte Balthamel in de greep van de Groene Man. De handen van de Verzaker probeerden hem weg te duwen in plaats van hem te omklemmen. Een leren hand schoot ver opzij... en een kleine klimplant barstte door het zwarte leer. Zwammen kringelden om zijn arm, zoals ze rond de bomen in de diepe schaduwen van het woud groeien. Ze ontsproten uit het niets, kwamen tot volle groei en breidden zich uit om alles te bedekken. Balthamel sloeg wild om zich heen en een scheut stinkkruid reet zijn leren hoofd open, mossen groeven hun wortels naar binnen en maakten kleine barstjes in het leer van zijn gezicht, netels braken de ogen van zijn masker, doodskleedzwammen kerfden zijn mond open.
De Groene Man wierp de Verzaker neer. Balthamel kronkelde en schokte toen alles wat op duistere plaatsen groeit, alles met sporen, alles wat houdt van broeierig duister, opzwol en groeide, kleding en leer en vlees verscheurde tot rafels. Was dat vlees dat ze zagen in dat korte ogenblik van groene razernij? Ten slotte bleef er slechts een hoop over die niet verschilde van de hopen in de beschaduwde diepten van het groene woud. Deze hoop bewoog evenmin als die andere.
Krakend als een tak die onder een al te zwaar gewicht knapt, stortte de Groene Man neer. Zijn halve hoofd was zwart verkoold. Slierten rook stegen als grijze klimplanten uit hem op. Verbrande bladeren vielen van zijn arm toen hij pijnlijk zijn beroete hand uitstrekte om teder een eikel te omvatten.
De aarde rommelde toen een eikenloof tussen zijn vingers opschoot. Het hoofd van de Groene Man viel neer, maar de scheut rekte en reikte naar de zon. Wortels schoten uit en verdikten zich, groeven zich in en stegen weer op, verdikten nog meer toen ze omlaag zonken. De stam groeide en reikte hemelwaarts, de schors werd grijs en gegroefd en oeroud. Takken spreidden en strekten zich, dik als armen, dik als lijven; ze klommen en liefkoosden de hemel, vol groene bladeren, vol eikels. Het sterke weefsel van wortels keerde in zijn groei de grond als een ploeg; de reeds geweldige stam huiverde, groeide verder, rondde zich als een levende toren. Stilte daalde neer. En een vijfhonderd jaar oude eik bedekte de plek waar de Groene Man had gelegen, markeerde het graf van een legende. Nynaeve lag boven op de knoestige wortels, die zich aan haar lichaam hadden aangepast en haar een bed hadden verschaft om op te rusten. De wind zuchtte door de takken van de eik en leek een vaarwel te fluisteren.
Zelfs Aginor leek verbijsterd. Toen keek hij op en zijn diepliggende ogen brandden van haat. ‘Genoeg! Dit heeft lang genoeg geduurd, ik maak er een eind aan!’
‘Ja, Verzaker,’ zei Moiraine, haar stem zo koud als ijs van een strenge winter. ‘De tijd is voorbij!’
De Aes Sedai hief haar hand en de grond verdween onder Aginors voeten. Vlammen brulden uit de afgrond op en zwiepten kolkend en woedend rond. Van alle kanten huilde de wind naderbij, die een kolkende stroom van bladeren in het vuur zoog, dat scheen te verharden tot een roodgevlamde, gelige gelei van pure hitte. Te midden van dit alles stond Aginor, zijn voeten rustten alleen op lucht. De Verzaker keek verbaasd, maar glimlachte toen en deed een stap naar voren. Het was een langzame stap, alsof het vuur hem op die plek trachtte vast te houden, maar hij zette de stap, toen nog een.
‘Vlucht!’ beval Moiraine. Haar gezicht was wit van inspanning. ‘Vlucht allemaal!’ Aginor stapte door de lucht naar de rand van het vuur.
Rhand was zich ervan bewust dat de anderen bewogen. Mart en Perijn sprongen ergens rechts van hem weg. Loials lange benen droegen hem naar de bomen, maar Rhand lette eigenlijk alleen op Egwene. Ze stond stokstijf, met een bleek gezicht en gesloten ogen. Het was geen angst die haar vasthield, besefte hij. Ze probeerde met haar nietige, ongeoefende geleiding de Ene Kracht op de Verzaker te richten.
Ruw greep hij haar arm beet en draaide haar om, zodat ze hem aan kon kijken. ‘Vlucht!’ schreeuwde hij haar toe. Haar ogen gingen open en staarden hem kwaad aan, omdat hij tussenbeide kwam. Ze brandden van haat voor Aginor en vrees voor de Verzaker. ‘Vlucht,’ zei hij en gaf haar zo’n harde duw dat ze naar de bomen toe struikelde.
‘Vlucht!’ Na een tweede duw rende ze weg.
Aginor richtte zijn verschrompelde gezicht echter naar hem en naar de weghollende Egwene achter hem. De Verzaker liep door de vlammen alsof de inspanning van de Aes Sedai hem totaal niet deerde. Naar Egwene.
‘Haar niet!’ schreeuwde Rhand. ‘Het Licht verbrande je, haar niet!’ Hij raapte een steen op en gooide hem met de bedoeling Aginors aandacht te trekken. Halverwege het gezicht van de Verzaker veranderde de steen in een handvol stof.
Hij aarzelde slechts even, lang genoeg om Egwene tussen de bomen te zien verdwijnen. Nog steeds omringden de vlammen Aginor. Stukken van zijn mantel smeulden, maar hij liep door alsof hij alle tijd van de wereld had en hij naderde de rand van het vuur. Rhand draaide zich om en rende weg. Achter zich hoorde hij hoe Moiraine begon te krijsen.
51
Tegen de Schaduw
Rhand rende de helling op. Angst schonk zijn benen voldoende kracht om met grote sprongen de afstand af te leggen. Hij drong door bloeiende bosjes en verwarde rozenstruiken heen, verspreidde bloemblaadjes en maalde er niet om dat doorns zijn kleren of zelfs zijn huid openscheurden. Moiraine gilde niet meer. Het leek net alsof het krijsen eeuwig had geduurd, elke kreet nog folterender dan de vorige, maar hij wist dat het alles bij elkaar niet meer dan enkele ogenblikken had geduurd. Enkele ogenblikken voordat Aginor achter hem aan zou komen. Hij wist dat Aginor hém zou volgen. Op het laatste moment had hij die zekerheid in de holle ogen van de Verzaker gezien, voordat doodsangst zijn voeten aanspoorde weg te rennen.