Hij viel op zijn knieën; hij meende dat hij de tranen op zijn wangen hoorde sissen. ‘Nee!’ Hij greep pollen droog gras vast om enige greep op de werkelijkheid re behouden, maar het gras ging op in vlammen.
‘Alsjeblieft, neeeeeee!’
De wind wakkerde aan met zijn stem, huilde mee met zijn stem, brulde de pas door met zijn stem, zwiepte de vlammen op tot een muur van vuur die van hem wegflitste, in de richting van het Trollokleger, sneller dan een paard kon rennen. Vuur beet zich in de Trolloks vast en de bergen beefden van hun gehuil, een huilen dat vrijwel even luid was als de wind en zijn stem.
‘Het moet ophouden!’
Hij sloeg met zijn vuist op de grond en de aarde dreunde als een gong. Hij bezeerde zijn handen aan de rotsige bodem en de aarde beefde. Trillingen rolden door de grond van hem weg in steeds grotere golven, golven van aarde en rots die boven Trolloks en Schimmen oprezen en over hen heen braken, terwijl de bergen verbrijzelden onder hun hoeven. Een kokende massa vlees en grond vlamde door het Trollokleger. Wat nog overeind stond, was nog steeds een machtig leger, maar nu nog maar tweemaal zo groot als het menselijke leger, en het tolde rond in vrees en verwarring.
De wind en het gekrijs stierven weg. De aarde verstilde. Stof en rook kringelden door de pas en omringden hem.
‘Het Licht verblinde je, Ba’alzamon! Dit moet ophouden!’
HET IS NIET HIER.
De gedachte was niet van Rhand en deed zijn schedel trillen.
IK NEEM ER NIET AAN DEEL. SLECHTS DE UITVERKORENE KAN DOEN WAT GEDAAN MOET WORDEN, ZO HIJ WIL.
‘Waar?’ Hij wilde het niet zeggen, maar kon het niet laten. ‘Waar?’
De nevel die hem omringde, trok op en er ontstond een tien stap hoge koepel van heldere, zuivere lucht, ommuurd door dwarrelende rook en stof. Traptreden rezen voor hem op en strekten zich uit in de schemering die de zon verduisterde.
NIET HIER.
Door de mist, als van het uiterste eind der wereld, kwam de kreet: ‘Het Licht verlangt het!’ De grond donderde onder de roffelende hoeven toen het mensenleger zijn laatste aanval inzette.
Binnen de leegte kende zijn geest een ogenblik van paniek. De aanvallende ruiters konden hem in het stof niet zien; hun aanval zou recht over hem heen daveren. Het grootste deel van hem negeerde de bevende grond als iets onbenulligs. Doffe boosheid dreef zijn voeten voort, hij beklom de eerste trede. Het moet ophouden!
Duisternis omringde hem, de totale zwartheid van het totale niets. De treden waren er nog, hangend in het zwart, onder zijn voeten en voor hem. Toen hij omkeek, waren de onderste treden weg, vervaagd in het niets rond hem. Maar het koord was er nog; het strekte zich achter hem uit en verdween kronkelend in de verte. Het was niet zo dik als eerst, maar klopte nog steeds. Het liet kracht en leven in hem vloeien en het vulde hem met het Licht. Hij klom.
Het leek of hij eeuwig klom. Eeuwig en toch slechts kort. Er was geen tijd in het niets. Er bestond geen tijd meer. Hij klom, totdat er opeens een deur voor hem verscheen, met een ruw, splinterig en oud oppervlak, een deur die hij zich goed herinnerde. Hij raakte hem aan en het hout barstte in stukken. Terwijl ze nog vielen, stapte hij erdoorheen, versplinterde stukken vielen van zijn schouders.
Het vertrek was zoals hij het zich herinnerde: de vreemde gelaagde hemel achter het balkon, de gesmolten muren, de glanzende tafel en de verschrikkelijke haard met de brullende, hitteloze vlammen. Sommige gemartelde gezichten in de haardstenen verwrongen zich stil gillend, raakten zijn herinneringen alsof hij ze kende, maar hij hield de leegte dichtbij, liet zich volstromen met leegte. Hij was alleen. Toen hij naar de spiegel aan de muur keek, zag hij zijn gezicht even scherp alsof hij het was. Er is kalmte in de leegte.
‘Ja,’ zei Ba’alzamon voor de haard. ‘Ik dacht al dat de hebzucht van Aginor hem zou overweldigen. Maar het maakt uiteindelijk geen verschil. Een lange zoektocht, maar nu geëindigd. Jij bent hier en ik ken je.
Midden in het Licht zweefde de leegte en midden in de leegte dreef Rhand. Hij reikte naar zijn geboortegrond en voelde harde rots, onverzettelijk en droog, steen zonder mededogen, waar alleen de sterken konden overleven, alleen zij die even hard waren als de bergen.
‘Ik ben het vluchten moe.’ Hij kon niet geloven dat zijn stem zo kalm klonk. ‘Ik heb er genoeg van dat je mijn vrienden bedreigt, ik vlucht niet meer.’ Ba’alzamon had ook een koord, zag hij. Een zwart koord, vele malen dikker dan dat van hem, zo dik dat een mens er een dwerg naast leek, maar het koord leek een dwerg naast Ba’alzamon. Iedere schokgolf in die zwarte ader vrat licht.
‘Je denkt dat het iets uitmaakt, of je vlucht of blijft?’ De vlammen van Ba’alzamons mond lachten. De gezichten in de haard weenden om de vrolijkheid van hun meester. ‘Je bent vele malen van me weggevlucht en iedere keer heb ik je te pakken gekregen en gezorgd dat je je trots moest opvreten met je jammerlijke tranen als smaakmaker. Vele malen heb je tegen me gevochten, waarna je verslagen neerzakte en smeekte om genade. Worm, je hebt een keus, en alleen deze keus: kniel aan mijn voeten en dien mij, en ik zal je macht geven over tronen, of wees een speelpop van Tar Valon en krijs als je vermalen wordt tot het stof van de tijd.’
Rhand bewoog zich en wierp een blik door de deur, alsof hij een uitweg zocht. Laat de Duistere dat maar denken. Achter de deuropening lag nog steeds het zwart van het niets, gespleten door de glanzende draad uit zijn lichaam. En daarbuiten lag ook het dikkere koord van Ba’alzamon, zo zwart dat het tegen het duister afstak als een zwarte draad in sneeuw. De twee koorden klopten als slagaderen tegen elkaar in, het licht weerstond amper de golven van het zwart.
‘Ik kan andere mogelijkheden kiezen,’ zei Rhand. ‘Het Rad weeft het Patroon, niet jij. Uit iedere val die je voor mij hebt opgezet, ben ik ontsnapt. Ik ben ontsnapt aan je Schimmen en Trolloks, ontsnapt aan je Duistervrienden. Ik heb je hier opgespoord en je leger onder tussen vernietigd. Jij weeft het Patroon niet.’
Ba’alzamons ogen brulden als ovens. Zijn lippen bewogen niet, maar Rhand meende te horen dat hij Aginor vervloekte. Toen doofden de vuren en dat gewone menselijke gezicht glimlachte hem toe op een wijze die zelfs in de warmte van het Licht verkilde.
‘Andere legers zullen opstaan, dwaas. Er zullen legers optrekken waar je amper van kunt dromen. En jij hebt mij opgespoord? Slak onder een steen, jij hebt mij opgespoord? Ik begon het pad voor je te banen op de dag dat je werd geboren, een pad naar je graf of naar deze plek. Aiel mochten vluchten en één mocht het overleven voor de woorden die door de jaren heen zouden klinken. Jaim Kimstapper, een held,’ hij verdraaide het woord tot een hoon, ‘die ik als een zot heb beschilderd en naar de Ogier heb gezonden in de waan dat hij vrij van me was. De Zwarte Ajah, die als wormen over de wereld kronkelen om je te zoeken en te vinden. Ik trek aan de touwtjes en de Amyrlin Zetel danst en denkt dat zij de gebeurtenissen beheerst.’
De leegte beefde; haastig versterkte Rhand die weer. Hij weet het allemaal. Hij had het kunnen doen. Het kan zijn zoals hij het zegt. Het Licht verwarmde de leegte. Twijfel kreeg stem en werd gesmoord, tot alleen de kiem bleef. Hij vocht en wist niet of hij de kiem wilde begraven of laten groeien. De leegte bleef, werd kleiner dan voorheen en zweefde in kalmte.
Ba’alzamon leek er niets van te merken. ‘Het doet er weinig toe of ik je levend of dood bezit, behalve voor jou en voor de macht die je kunt bezitten. Jij zult me dienen of je ziel zal het doen. Maar ik heb liever dat je levend dan dood voor me neerknielt. Ik heb een enkele vuist Trolloks naar jouw dorp gestuurd, terwijl ik er ook duizend had kunnen sturen. Een enkele Duistervriend om je aan te vallen, waar een honderdtal jou in je slaap had kunnen verrassen. En jij, dwaas, je kent ze niet eens allemaal, noch degenen die komen, noch degenen die zijn geweest, noch degenen rondom je. Jij bent de mijne, bent altijd de mijne geweest, mijn hond aan mijn riem en ik heb je hierheen gebracht om voor je meester te knielen of om je te doden en je geest te laten knielen.’