‘Ik wijs je af. Je hebt geen macht over mij. Noch levend, noch dood kniel ik voor je neer.’
‘Kijk,’ zei Ba’aizamon. ‘Kijk.’ Onwillig keek Rhand toch.
Daar stonden Egwene en Nynaeve, bleek en angstig, met bloemen in hun haar. En nog een vrouw, iets ouder dan de Wijsheid, mooi en met donkere ogen, gekleed in een kleed van Tweewater met kleurige bloemen rond de hals geborduurd.
‘Moeder?’ hijgde hij en ze glimlachte wanhopig. De glimlach van zijn moeder. ‘Nee! Mijn moeder is dood en de andere twee zijn veilig en ver weg. Ik wijs je af!’ Egwene en Nynaeve vervaagden, werden slierten mist en losten op, maar Kari Altor stond er nog steeds, haar ogen groot van angst.
‘Zij is tenminste de mijne,’ zei Ba’alzamon, ‘en doet wat ik wil.’
Rhand schudde het hoofd, ‘ik wijs je af.’ Hij moest de woorden eruit persen. ‘Ze is dood en in het Licht veilig voor jou.’
De lippen van zijn moeder beefden. Tranen druppelden langs haar wangen: elke druppel brandde als zuur op hem in. ‘De Heer van het Graf is sterker dan hij eens was, mijn zoon,’ zei ze. ‘Hij reikt verder. De Vader van de Leugen heeft een honingtong voor onbezorgde zielen. Mijn zoon. Mijn enige, lieve zoon. Ik zou je dit willen besparen, als ik dat kon, maar hij is nu mijn meester, zijn gril is de wet van mijn bestaan. Ik kan hem alleen maar gehoorzamen en sloven voor zijn gunst. Alleen jij kunt me bevrijden. Alsjeblieft, mijn zoon. Alsjeblieft, help me. Help me. Help me. ALSJEBLIEFT!’
De kreet werd uit haar weggerukt toen gezichtloze Schimmen, bleek en zonder ogen, haar insloten. Bloedeloze handen scheurden de kleren van haar lichaam, handen die tangen gebruikten en klemmen en dingen die staken en brandden en wreed haar naakte lichaam verwondden. Aan haar gillen kwam geen einde.
In Rhands schreeuw weerklonk de hare. De leegte kookte in zijn geest. Zijn zwaard lag in zijn hand. Niet het reigerzwaard, maar een zwaard van licht, een zwaard van het Licht. Op het moment dat hij het hief, schoot een vurige, witte bliksem uit de punt, alsof de kling zich uitstrekte. Die trof de meest nabije Schim en een verblindend, witheet licht vulde het vertrek, vlamde door de Halfmannen als een kaars door papier, brandde door hen heen en verblindde zijn ogen voor het tafereel. Uit het midden van de schittering hoorde hij gefluister. ‘Dank je, mijn zoon. Het Licht. Het gezegende Licht.’
De flits stierf weg en hij was alleen in het vertrek met Ba’alzamon. De ogen van Ba’alzamon brandden als de Doemkrocht, maar hij trok zich terug voor het zwaard, alsof het echt het Licht zelf was. ‘Dwaas! Je zult jezelf vernietigen! Je kunt het niet geleiden, nog niet! Niet tot ik het je geleerd heb.’
‘Het is voorbij,’ zei Rhand en hij hieuw met zijn zwaard in het zwarte koord van Ba’alzamon.
Ba’alzamon gilde toen het zwaard het koord trof, gilde tot de stenen muren trilden. Het eindeloze gehuil zwol aan toen het zwaard van het Licht het koord in tweeën sneed. De afgesneden einden sprongen uit elkaar, alsof ze onder spanning hadden gestaan. Het eind uit het niets schoot terug alsof het kromp; het andere eind zwiepte terug in Ba’alzamon en wierp hem tegen de haard. Er klonk stil gelach in het geluidloze gegil van de gemartelde gezichten. De muren sidderden en barstten; de vloer schokte en brokken steen uit het plafond sloegen op de vloer neer.
Toen alles om hem heen uiteenviel, wees Rhand met het zwaard naar Ba’alzamons hart. ‘Het is voorbij.’
Licht speerde uit het wapen, flonkerde als een regen van vonken, als druppels gesmolten wit metaal. Schreeuwend stak Ba’alzamon wild zijn armen op in een vergeefse poging zich te beschermen. Vlammen pijnigden zijn ogen en voegden zich bij andere vlammen toen steen in vuur ontstak, steen van de barstende muren, steen van de schokkende vloer, stukken steen die van het plafond vielen. Rhand voelde hoe de heldere draad die aan hem vastzat, dunner werd, tot slechts de gloed zelf overbleef, maar hij spande zich nog meer in, niet wetend wat hij deed, of hoe, maar alleen wetend dat het moest ophouden. Dit moest ophouden!
Vuur vulde het vertrek, een massieve vuurzee. Hij kon Ba’alzamon als een blad zien verschrompelen; hij hoorde hem huilen en voelde het krijsen langs zijn botten raspen. De vlam werd puur, wit licht, helderder dan de zon. Toen was het laatste sprankje koordlicht weg en viel Rhand neer in het eindeloze zwart en het wegstervende gehuil van Ba’alzamon.
Iets trof hem met een verpletterende kracht, veranderde hem in een bevend wezen dat trilde en krijste vanuit het vuur dat in hem woedde. De hongerige koude brandde en bleef branden.
52
Er is begin noch einde
Het eerste waarvan Rhand zich bewust werd, was de zon die uit een wolkeloze hemel in zijn starende ogen scheen. De zon leek met schokken en stoten te bewegen, dagen achtereen stil te staan en dan weer naar de verre einder te springen, waarbij de dag ten einde haperde. Licht. Dat zou iets moeten betekenen. Denken was iets nieuws. Ik kan denken, ik betekent: mij. Daarna kwam de pijn, de herinnering aan het woeden van de koorts, de kneuzingen van de wilde stuipen die hem als een slappe pop hadden rondgesmeten. En stank. Een vettige schroeigeur die zijn neusgaten en zijn hoofd vulde.
Met pijnlijke spieren rolde hij zich om en duwde zich op handen en knieën overeind. Niet-begrijpend staarde hij naar de vettige as waar hij in had gelegen. As die op alle rotsen van de heuveltop zat vastgekoekt. In die as lagen stukken donkergroene stof met roetzwarte randen, die aan het vuur waren ontsnapt.
Aginor.
Zijn maag kromp ineen en draaide zich om. Hij probeerde de zwarte as van zijn kleren te vegen en strompelde weg van de resten van de Verzaker. Zijn handen waren slap en konden weinig uitrichten. Hij probeerde beide handen te gebruiken en viel voorover. Hij keek recht een steile diepte in, een gladde rotswand die voor zijn ogen rondtolde, een afgrond die hem omlaag trok. Zijn hoofd duizelde en hij braakte langs de rotswand.
Bevend schoof hij op zijn buik naar achteren tot zijn ogen slechts harde rotssteen zagen, rolde toen weer terug op zijn rug en lag naar adem te happen. Moeizaam en onhandig trok hij zijn zwaard uit de schede. Van het rode lint dat eromheen had gezeten, waren slechts enkele verkoolde rafels over. Zijn handen beefden toen hij het nauwkeurig bekeek en hij had beide handen nodig. Het was een reigerzwaard. Reigerzwaard? Ja. Tham. Mijn vader. Maar het was slechts van staal. Het kostte hem drie bevende pogingen voor hij het wapen weer in de schede had. Het was iets anders geweest. Of er bestond nog een ander zwaard.
‘Mijn naam,’ zei hij na een poosje, ‘is Rhand Altor.’ Nog meer herinneringen botsten als loden ballen in zijn hoofd rond en hij kreunde. ‘De Duistere,’ fluisterde hij in zichzelf. ‘De Duistere is dood.’ Hij hoefde niet meer voorzichtig te zijn. ‘Shaitan is dood.’ De wereld leek te schudden. Hij rilde van stille vreugde tot de tranen uit zijn ogen stroomden. ‘Shai’tan is dood!’ Hij lachte de hemel toe. Andere herinneringen. ‘Egwene!’ Die naam betekende iets, was belangrijk. Het deed pijn om op te staan. Hij trilde als een wilg in een storm en liep struikelend langs de as van Aginor zonder ernaar te kijken. Niet meer belangrijk. Hij viel dat eerste stuk van de helling meer omlaag dan hij liep. Struikelend gleed hij van struik naar struik. Toen hij uiteindelijk op vlakkere grond stond, deden de kneuzingen tweemaal zoveel pijn, maar hij kon nog net genoeg kracht bijeenschrapen. Egwene. Hij begon onvast te hollen. Bladeren en bloemblaadjes regenden neer toen hij zich door het struikgewas worstelde. Moet haar vinden. Wie is het?
Zijn armen en benen leken meer als lange grashalmen heen en weer te wuiven dan te doen wat hij wilde. Struikelend botste hij tegen een boom aan en klapte zo hard tegen de stam dat hij kreunde. Bladeren dwarrelden neer op zijn hoofd toen hij zijn gezicht tegen de ruwe stam duwde en zijn armen eromheen sloeg om niet te vallen. Egwene. Hij duwde zich van de boom af en haastte zich verder. Bijna verloor hij zijn evenwicht, maar hij dwong zijn benen sneller te bewegen, om door te rennen, vallend bijna, zodat hij struikelend met grote passen omlaag sprong, steeds net één stap van een val af. Al bewegend luisterden zijn benen beter naar hem. Geleidelijk merkte hij dat hij nu rechtop aan het rennen was, met pompende armen, terwijl zijn lange benen hem met grote stappen de helling af droegen. Met een sprong kwam hij op de open plek, een markante plek nu de grote eik het graf van de Groene Man aanduidde. Daar was de witte stenen boog met het oeroude teken van de Aes Sedai en de geblakerde, gapende kuil waar vuur en wind vergeefs hadden geprobeerd Aginor te vangen.