Выбрать главу

‘Egwene! Egwene, waar ben je?’ Een knap meisje keek met grote ogen op van de plaats waar ze onder de brede takken was neergeknield, met bloemen en bruine eikenbladeren in het haar. Ze was slank en jong, en bang. Ja, zij is het. Natuurlijk. ‘Egwene, het Licht zij dank dat je in orde bent.’

Er waren twee andere vrouwen bij haar, een met gekwelde ogen en een lange vlecht, nog steeds getooid met enkele witte morgensterren. De ander lag op haar rug. Haar hoofd rustte op opgevouwen mantels, haar eigen hemelsblauwe mantel verborg half haar gescheurde gewaad. Hij zag verkoolde stukken en rafels in de rijke stof en haar gezicht was bleek, maar haar ogen stonden wijd open. .Moiraine, Ja, de Aes Sedai. En de Wijsheid, Nynaeve. De drie vrouwen keken hem gespannen en met grote ogen aan.

‘Het is toch goed met je, hè, Egwene? Hij heeft je geen kwaad gedaan.’ Hij kon nu lopen zonder te struikelen. Haar te zien gaf hem het gevoel alsof hij ondanks alle kneuzingen danste, en het was fijn om met gekruiste benen naast hen te gaan zitten.

‘Ik heb hem zelfs niet eens meer gezien, nadat je mij...’ Haar ogen rustten onzeker op zijn gezicht. ‘Hoe staat het met jou, Rhand?’

‘Prima.’ Hij lachte. Hij raakte haar wang aan en vroeg zich af of hij het zich verbeeldde dat ze zich een beetje terugtrok. ‘Een beetje rust en ik ben zo goed als nieuw. Nynaeve? Moiraine Sedai?’ De namen voelden nieuw aan.

De ogen van de Wijsheid waren oud, eeuwenoud in haar jonge gezicht, maar ze schudde haar hoofd. ‘Een beetje pijnlijk,’ zei ze, terwijl ze hem bleef aankijken. ‘Moiraine is de enige... de enige van ons die echt gewond raakte.’

‘Eigenlijk is mijn trots nog het meest verwond,’ zei de Aes Sedai, geërgerd aan haar manteldeken plukkend. Ze zag eruit of ze heel lang ziek was geweest of zich enorm ingespannen had, maar ondanks de donkere kringen stonden haar ogen scherp en vol macht. ‘Aginor was verrast en kwaad dat ik hem zo lang wist tegen te houden, maar gelukkig had hij geen tijd meer voor mij. Ik hen zelf verbaasd dat ik hem zo lang kon tegenhouden. In de Eeuw der Legenden kwam Aginor in kracht vlak na de Verwantslachter en Ishamael.’

‘De Duistere en alle Verzakers,’ haalde Egwene met zwakke bevende stem aan, ‘zijn gekerkerd in Shayol Ghul, gekerkerd door de Schepper...’ Ze haalde bevend adem.

‘Aginor en Balthamel moeten dicht bij het oppervlak zijn geketend.’ Moiraine zei het alsof ze het al een keer had uitgelegd en geen geduld had dit nogmaals te doen. ‘De zegels van de kerker van de Duistere werden zo zwak dat ze ontsnapten. Laten we dankbaar zijn dat er niet meer Verzakers zijn ontsnapt. Als dat zo was geweest, zouden we ze hebben gezien.’

‘Het maakt niet meer uit,’ zei Rhand. ‘Aginor en Balthamel zijn dood, net als Shai’...’

‘De Duistere,’ onderbrak de Aes Sedai hem. Ziek of niet, haar stem klonk vastberaden en haar donkere ogen keken streng. ‘Het is beter dat we hem nog de Duistere noemen. Of tenminste Ba’alzamon.’ Hij haalde zijn schouders op. ‘Zoals u wilt. Maar hij is dood. De Duistere is dood. Ik heb hem gedood. Ik heb hem verzengd met...’

Alle andere herinneringen stroomden op dat moment in hem terug, waardoor hij met open mond bleef zitten staren. De Ene Kracht. Ik geleidde de Ene Kracht... Geen enkele man kan... Hij likte langs lippen die opeens droog aanvoelden. Een windvlaag wervelde gevallen en vallende bladeren in het rond, maar die was niet kouder dan zijn hart. De drie vrouwen keken hem aan. Zonder met hun ogen te knipperen. Hij stak zijn hand uit naar Egwene en deze keer was het geen verbeelding dat ze zich terugtrok. ‘Egwene?’ Ze wendde haar gezicht af en hij liet zijn hand vallen.

Opeens sloeg ze haar armen om hem heen en begroef haar gezicht tegen zijn borst. Het spijt me, Rhand. Het spijt me. Het kan me niet schelen. Echt, helemaal niet.’ Haar schouders schokten. Hij dacht dat ze huilde. Onhandig klopte hij zachtjes op haar haar en keek over haar hoofd naar de andere twee vrouwen.

‘Het Rad weeft wat het Rad wil,’ zei Nynaeve langzaam, ‘maar jij bent nog steeds Rhand Altor uit Emondsveld in Tweewater. Maar, het Licht sta me bij, het Licht helpe ons allen, je bent heel gevaarlijk, Rhand.’ Hij kromp ineen voor de ogen van de Wijsheid, die droef en treurig het verlies al hadden aanvaard.

‘Wat is er gebeurd?’ zei Moiraine. ‘Vertel me alles!’

En met haar dwingende ogen op hem gericht, deed hij dat. Hij wilde zich afwenden, wilde het korter maken, dingen weglaten, maar de ogen van de Aes Sedai trokken alles uit hem. Tranen stroomden over zijn gezicht toen hij bij Kari Altor kwam. Zijn moeder. Hij benadrukte dat. ‘Hij had mijn moeder. Mijn moeder!’ Er lag medeleven en pijn op Nynaeves gezicht, maar de ogen van de Aes Sedai dreven hem verder, naar het zwaard van Licht, naar het doorhakken van het zwarte koord en naar de vlammen die Ba’alzamon verteerden.

Egwenes armen klemden zich vaster om hem heen, alsof ze hem terug wilde trekken van wat er was gebeurd. ‘Maar ik was het niet,’ besloot hij. ‘Het Licht... dwong me door te gaan. Ik was het eigenlijk niet. Maakt dat geen verschil?’

‘Vanaf het begin had ik mijn vermoedens,’ zei Moiraine. ‘Maar vermoedens zijn geen bewijs. Nadat ik je mijn teken had gegeven, de munt die de band beklonk, had je eigenlijk van harte moeten instemmen met alles wat ik wilde, maar je stribbelde tegen, stelde vragen. Dat vertelde me iets, maar niet genoeg. Het bloed van Manerheren was altijd al koppig, en zelfs nog meer nadat Aemon was gedood en het hart van Eldrene was gebroken. En toen kwam Bela.’

‘Bela?’ vroeg hij. Niets doet er nog toe.

De Aes Sedai knikte. ‘Bij Wachtheuvel had Bela mijn hulp niet nodig om haar vermoeidheid te helen; iemand anders had het al gedaan. Ze had die nacht verder kunnen draven dan Mandarb. Ik had moeten bedenken wie er op haar rug zat. Met Trolloks op onze hielen, een Draghkar boven ons en ergens nog een Halfman, het Licht mag weten waar, moet je ontzettend bang zijn geweest dat Egwene achtergelaten zou worden. Je had iets nodig, harder nodig dan ooit. Je wilde het zo graag en je reikte dus naar het enige dat jou dat kon geven. Saidin.’

Hij huiverde. Hij voelde zich zo koud dat zijn vingers pijn deden.

‘Als ik het nooit meer doe, als ik het nooit meer aanraak, zal ik dan niet...’ Hij kon het niet zeggen. Gek worden. Het land en de mensen om hem heen aan de waanzin overleveren. Levend wegrotten en creperen.

‘Misschien,’ zei Moiraine. ‘Het zou veel gemakkelijker zijn als er iemand was die het jou kon leren, maar het zou gedaan kunnen worden. Met heel veel wilskracht en met de grootste inspanning.’

‘U kunt het me leren. U kunt toch zeker...’ Hij zweeg toen de Aes Sedai haar hoofd schudde.

‘Kan een kat een hond leren hoe hij in een boom moet klimmen, Rhand? Kan een vis een vogel leren zwemmen? Ik ken saidar, maar over saidin kan ik je niets leren. Zij die het kunnen, zijn al drieduizend jaar dood. Maar misschien is je koppigheid groot genoeg. Misschien is je wilskracht sterk genoeg.’

Egwene richtte zich op en veegde met de rug van haar hand haar rode ogen af. Ze keek of ze iets wilde zeggen, maar toen ze haar mond opendeed, kwam er niets uit. Gelukkig trekt ze zich niet terug. Ze kijkt me gelukkig aan zonder te schreeuwen.