Выбрать главу

‘De anderen?’ vroeg hij.

‘Lan nam ze mee de grot in,’ zei Nynaeve. ‘Het Oog is verdwenen, maar er bevindt zich iets in het midden van de poel, een kristallen zuil en treden om erbij te komen. Mart en Perijn wilden eerst jou gaan zoeken – Loial ook – maar Moiraine zei...’ Ze wierp een bezorgde blik op de Aes Sedai. Moiraine beantwoordde haar blik kalm. ‘Ze zei dat wij jou niet moesten storen, terwijl je...’

Zijn keel kneep zich samen tot hij amper kon ademhalen. Zullen ze nu een andere kant op kijken, zoals Egwene deed. Zullen ze gillen en wegrennen alsof ik een Schim ben? Moiraine praatte verder alsof ze niet merkte hoe het bloed uit zijn gezicht wegtrok.

‘Het Oog bevatte een enorme hoeveelheid van de Ene Kracht. Zelfs in de Eeuw der Legenden konden slechts weinigen zoveel zonder hulpmiddelen geleiden, wilden ze niet vernietigd worden. De meesten.’

‘Hebt u het ze verteld?’ vroeg hij schor. ‘Als iedereen het weet...’

‘Alleen Lan,’ stelde Moiraine hem gerust. ‘Hij moet het weten. En Nynaeve en Egwene, om wat ze zijn en wat ze zullen worden. De anderen hoeven het nog niet te weten.’

‘Waarom niet?’ De schorre stem uit zijn keel maakte zijn woorden hardvochtig. ‘Jullie gaan me stillen, nietwaar? Doen Aes Sedai dat niet met mannen die de Kracht kunnen geleiden? Hen veranderen, zodat ze het niet meer kunnen? Hen veilig maken? Thom zei dat mannen die gestild zijn, sterven, omdat ze niet langer willen leven. Waarom zegt u niet dat ik naar Tar Valon zal worden gebracht om gestild te worden?’

‘Je bent ta’veren,’ antwoordde Moiraine. ‘Mogelijk is het Patroon nog niet met je klaar.’

Rhand veerde op. ‘In de dromen zei Ba’alzamon dat Tar Valon en de Amyrlin Zetel zouden proberen me te gebruiken. Hij noemde namen en ik herinner me ze weer. Raolin Duistervaan en Guaire Amalasan. Jurian Steenboog. Davian. Logain.’ De laatste naam kwam het moeilijkst. Nynaeve werd bleek en Egwene snakte naar adem, maar kwaad ratelde hij door. ‘Elk van hen was een valse Draak. Probeer het niet te ontkennen. Nou, ik laat me niet gebruiken. Ik ben geen stuk gereedschap dat je bij het afval kunt gooien als het versleten is.’

‘Een stuk gereedschap dat voor een zeker doel gemaakt is, verliest bij gebruik niet aan waarde,’ Moiraines stem klonk even bijtend als die van Rhand, ‘maar een man die de Vader van de Leugen gelooft, verliest zijn eigen waarde. Jij zegt dat je niet gebruikt wilt worden, maar dan laat je de Duistere je pad bepalen zoals een jager zijn hond op een konijn afstuurt.’

Hij balde zijn vuisten en draaide zijn hoofd weg. Het leek te veel op de dingen die Ba’alzamon had gezegd. ‘Ik ben niemands hond. Horen jullie me? Van niemand!’

Onder de boog verschenen Loial en de anderen en Rhand krabbelde overeind, terwijl hij Moiraine aankeek.

‘Ze zullen het niet weten,’ zei de Aes Sedai, ‘tot het Patroon daarvoor zorgt.’

Toen waren zijn vrienden te dichtbij. Lan liep voorop, keek even hard als altijd, maar de uitputting zwakte het wat af. Hij had een verband van Nynaeve om zijn slapen en hij liep met een stijve rug. Achter hem torste Loial een grote gouden kist, prachtig bewerkt en met zilver afgezet. Alleen een Ogier kon die zonder hulp optillen. Perijn had zijn armen om een dikke, witte rol stof geslagen en Mart droeg op zijn vlakke handen dingen die op scherven uit een pottenbakkerij leken.

‘Dus je bent toch nog in leven,’ lachte Mart. Zijn gezicht betrok en hij knikte in Moiraines richting. ‘Ze wilde niet dat we jou gingen zoeken. Zei dat we moesten uitzoeken wat het Oog verborg. Ik zou toch zijn gaan zoeken, maar Nynaeve en Egwene steunden haar en ze gooiden me bijna de poort weer door.’

‘Je bent er gelukkig,’ zei Perijn, ‘en niet al te erg in elkaar geslagen, als ik je goed bekijk.’ Zijn ogen gloeiden niet, maar de irissen waren nu volkomen geel. ‘Dat is het voornaamste. Jij bent er en we hebben gedaan waar we voor kwamen. Wat dat ook was. Moiraine Sedai zegt dat het gedaan is en dat we weg kunnen. Naar huis, Rhand. Het Licht verbrande me, maar ik wil naar huis.’

‘Goed om je in leven te zien, schaapherder,’ zei Lan bruusk, ik zie dat je je zwaard niet kwijt bent. Mogelijk leer je het nu gebruiken.’

Rhand voelde opeens een golf van genegenheid voor de zwaardhand. Lan wist het, maar oppervlakkig gezien was er niets veranderd. Hij bedacht dat er misschien verder – voor Lan – ook niets was veranderd.

‘Ik moet zeggen,’ zei Loial, die de kist neerzette, ‘dat rondtrekken met ta’veren nog interessanter is geweest dan ik had verwacht.’ Zijn oren bewogen hevig. ‘Als het nog iets interessanter wordt, ga ik meteen naar stedding Shangtai terug, biecht alles eerlijk op aan Ouder Haman en laat mijn boeken nooit meer in de steek.’ Opeens grijnsde de Ogier en zijn open mond spleet zijn gezicht in tweeën. ‘Goed je weer te zien, Rhand Altor. De zwaardhand is de enige van deze drie die nog iets om boeken geeft en hij wil niet praten. Wat is er met je gebeurd? We renden allemaal weg en verborgen ons in het bos tot Moiraine Sedai Lan erop uitstuurde om ons te zoeken, maar ze vond het niet goed dat wij je gingen zoeken. Waarom ben je zo lang weg geweest, Rhand?’

‘Ik rende en rende,’ zei hij traag, ‘tot ik van een heuvel omlaag viel en met mijn hoofd tegen een rots sloeg. Ik denk dat ik bij het vallen elke rots daar geraakt heb.’ Dat zou zijn verwondingen verklaren.

Hij probeerde naar de Aes Sedai te kijken en ook naar Nynaeve en Egwene, maar aan hun gezichten was niets te zien. ‘Toen ik bijkwam, was ik verdwaald, maar uiteindelijk kwam ik hier bij toeval terug. Ik denk dat Aginor dood is, verbrand. Ik heb wat as gezien en stukken van zijn mantel.’

De leugens klonken hem hol in de oren. Hij kon niet begrijpen waarom ze niet in hoongelach uitbarstten en de waarheid wilden weten, maar zijn vrienden knikten, aanvaardden zijn uitleg en uitten meelevende geluiden toen ze zich rond de Aes Sedai verzamelden om haar te laten zien wat ze hadden gevonden.

‘Help me overeind,’ zei Moiraine. Nynaeve en Egwene hielpen haar te gaan zitten, maar moesten haar ook daarbij ondersteunen.

‘Hoe konden deze dingen in het Oog zijn?’ vroeg Mart, ‘zonder net als de rots vernietigd te worden?’

‘Ze werden daar niet gebracht om te vergaan,’ zei de Aes Sedai kortaf en beantwoordde andere vragen slechts met een zwijgende frons toen ze de aardewerken scherven, zwart, wit en glanzend, van Mart aanpakte.

Het leek Rhand maar rommel, maar ze schoof ze vaardig op de grond tegen elkaar en vormde zo een volmaakte cirkel ter grootte van een mannenhand. Het oeroude teken van de Aes Sedai, de Vlam van Tar Valon verenigd met de Drakentand, zwart naast wit. Moiraine keek er maar heel even naar, uit haar gezicht viel niets op te maken. Toen haalde ze haar mes uit haar riem en gaf het aan Lan terwijl ze naar de ronde schijf knikte.

De zwaardhand zocht de grootste scherf uit, hief toen het mes hoog op en stak met al zijn kracht toe. Een vonk spatte weg, het brokstuk sprong door de kracht van de steek omhoog en het lemmet brak met een scherp geluid doormidden. Hij bekeek de stomp die nog aan de greep zat en gooide hem toen weg. ‘Het beste staal van Tyr,’ zei hij droog.

Mart raapte de scherf op, gromde en liet hem toen iedereen zien. Er zat geen enkel krasje op.

‘Cuendillar,’ zei Moiraine. ‘Hartsteen. Niemand is in staat geweest het na de Eeuw der Legenden na te maken en zelfs toen werd het alleen voor de allerbelangrijkste zaken gemaakt. Eenmaal gemaakt, kan niets het breken. Zelfs niet de Ene Kracht, geleid door de grootste Aes Sedai die ooit hebben geleefd en geholpen door de krachtigste sa’angreaal die ooit werd gemaakt. Elke kracht die op hartsteen wordt uitgeoefend, maakt het alleen maar sterker.’

‘Maar hoe...’ Mart gebaarde met de scherf in zijn hand naar de andere brokken op de grond.

‘Dit was een van de zeven zegels op de kerker van de Duistere,’ zei Moiraine. Mart liet het stuk vallen alsof het witheet was geworden. Heel even leken Perijns ogen weer te gloeien. De Aes Sedai begon kalm de stukken te verzamelen.