Выбрать главу

Rhand knikte en pakte de theekan, maar hij wilde veel meer weten. Waarom zou Tham een zwaard gekocht hebben? Hij kon geen reden verzinnen. En waar had Tham het gekocht? Hoe ver hiervandaan?

Niemand vertrok ooit uit Tweewater, nou ja, maar heel weinig mensen. Hij had altijd wel ergens gedacht dat zijn vader daarginder was geweest – zijn moeder was van buiten gekomen – maar een zwaard... Hij had veel te vragen als ze eenmaal aan tafel zaten.

Het theewater borrelde en hij moest een doek om het hengsel wikkelen om de ketel van de haak te halen. De hitte drong er meteen doorheen. Toen hij zich van het vuur oprichtte, deed een zware bons de deur in het slot rammelen. Elke gedachte aan het zwaard en de hete ketel in zijn hand verdween ogenblikkelijk.

‘Een buurman,’ zei hij onzeker. ‘Baas Dotrict wil wat lenen...’ Maar naar de boerderij van Dotriet, hun meest nabije buur, was het een uur lopen, zelfs bij daglicht, en Orwen Dotriet mocht dan schaamteloos van alles en nog wat lenen, hij zou niet gauw zijn huis in hen donker verlaten.

Tham zette zachtjes de kommen met stamppot op tafel. Langzaam liep hij van de tatel weg. Beide handen lagen op het zwaardgevest, ik denk niet...’ begon hij en de deur barstte open. Stukken van het ijzeren slot vlogen de kamer door.

In de deuropening stond een gestalte, groter dan enige man die Rhand ooit had gezien, een gestalte in een zwarte maliënkolder die tot zijn knieën reikte, met pieken die bij polsen, ellebogen en schouders uitstaken. Eén hand omklemde een zwaar zeisachtig zwaard; de andere hand hield hij voor zijn ogen alsof hij ze wilde afschermen tegen het licht.

Rhand voelde een vreemd soort opluchting. Wie dit ook was, het was niet de ruiter met de zwarte mantel. Toen zag hij op het hoofd de gebogen ramshoorns die tegen de bovenkant van de deurpost schraapten, en waar mond en neus moesten zitten, zag hij een harige snoet. Hij nam dit alles in één rel op, gilde doodsbang en slingerde zonder verder na te denken de hete ketel naar het half menselijke hoofd.

Het schepsel brulde, half een kreet van pijn, half een dierlijk gegrauw, toen het kokende water tegen zijn gezicht spatte. Terwijl de ketel doel trof, flitste Thams zwaard. Het grauwen werd opeens gegorgel en de enorme gestalte viel achterover. Nog voor die helemaal op de grond lag, probeerde een tweede zich naar binnen te klauwen. Rhand ving een glimp op van een wanstaltige kop met spitse hoorns voor Tham weer toesloeg en de twee geweldige lijven de opening afsloten. Hij besefte dat zijn vader naar hem stond te schreeuwen.

‘Weg, jongen! Verberg je in het bos!’ De lijken in de deur bewogen toen weer anderen buiten ze probeerden weg te trekken. Tham zette zijn schouder onder de stevige tafel en liet hem grommend op de lijken kantelen. ‘Ik kan ze niet allemaal tegenhouden! Ga door de achterdeur! Ren! Ren! Ik kom je achterna!’

Al terwijl Rhand zich omdraaide, voelde hij zich diep beschaamd dat hij zo snel gehoorzaamde. Hij wilde blijven en zijn vader helpen, al kon hij niet bedenken hoe, maar angst kneep zijn keel dicht en zijn benen leken uit zichzelf te bewegen. Hij rende de kamer uit, naar achter – zo hard had hij nog nooit gerend. Gekraak en geschreeuw achtervolgden hem.

Hij had zijn handen al op de stang van de achterdeur toen zijn oog viel op het ijzeren slot dat nog nooit eerder was gebruikt. Maar juist deze avond had Tham dat wel gedaan. Hij liet de stang voor wat die was en sprong naar het zijraam, gooide de haak omhoog en duwde de luiken open. De nacht had de schemering volledig overwonnen. De volle maan en voortijlende wolken veroorzaakten vlekkerige schaduwen die elkaar op het erf achternazaten.

Schaduwen, dacht hij. Alleen schaduwen. De achterdeur kraakte alsof iets of iemand hem open trachtte te duwen. Zijn mond voelde kurkdroog. De deur schudde daverend in zijn posten en dat gaf hem snelheid; hij gleed het raam uit en hurkte neer tegen de zijkant van het huis. Binnen versplinterde het hout als een donderslag.

Hij dwong zichzelf omhoog te kruipen, dwong zichzelf om met één oog naar binnen te loeren in het uiterste hoekje van het venster. In het donker kon hij niet veel onderscheiden, maar hij zag meer dan hij wilde. De deur hing scheef en schaduwgestalten bewogen behoedzaam de achterkamer in, zacht pratend en grommend. Rhand verstond er niets van; de taal klonk rauw, ongeschikt voor een menselijke tong. Bijlen en speren en piekachtige dingen glansden dof in het schaarse maanlicht. Laarzen schuifelden over de vloer en hij hoorde ook het ritmische geklak van hoeven.

Hij probeerde wat speeksel in zijn mond te krijgen. Hij haalde bevend diep adem en schreeuwde zo hard hij kon: ‘Ze komen van de achterkant!’ De woorden kwamen er schor uit, maar ze kwamen gelukkig wel.

Hij was er niet zeker van geweest. ‘Ik ben buiten! Ren, vader!’ Bij het laatste woord snelde hij van de boerderij weg.

Grauwend geschreeuw in de onbekende taal barstte los in de achterkamer. Glas rinkelde hard en scherp, en iets zwaars plofte neer op de grond achter hem. Hij vermoedde dat er een door het glas was gesprongen in plaats van zich door de opening te wringen, maar hij keek niet om om te zien of hij gelijk had. Als een door honden opgejaagde vos schoot hij in de richting van het bos, liet zich op zijn buik vallen en kronkelde toen terug naar de schuur met zijn grote, diepe schaduwen. Er viel iets over zijn schouders en hij sloeg om zich heen, niet wetend of hij moest vechten of vluchten, totdat hij besefte dat hij worstelde met de nieuwe schoffelsteel die Tham aan het snijden was.

Stommeling! Hij lag even stil en probeerde zijn hijgen te beheersen. Kopin-dwaas, stommeling! Ten slotte kroop hij langs de achterkant van de schuur verder en sleepte de steel met zich mee. Het had weinig te betekenen, maar het was beter dan niets. Voorzichtig keek hij om de hoek naar het erf en het huis.

Van de griezel die hem was nagesprongen, viel niets te bekennen. Die kon overal zijn. Zeker op jacht naar hem. Kroop misschien zelfs op dit ogenblik naar hem toe.

Verschrikt geblaat klonk op in de schaapskooi links van hein. De kudde daverde rond alsof ze een uitweg zocht. Schaduwen schoten achter de verlichte voorramen van het huis langs en het gekletter van staal op staal galmde door het donker. Opeens barstte een venster in een hagel van glasscherven en houtsplinters uiteen toen Tham erdoorheen sprong, het zwaard stevig in zijn hand. Hij kwam op zijn voeten terecht, maar rende niet weg; in plaats daarvan snelde hij naar de achterkant van het huis en negeerde de monsters die achter hem aan klauwden door het kapotte venster en de deur.

Rhand stond ongelovig te staren. Waarom probeerde zijn vader niet weg te komen? Toen begreep hij het. Tham had hem het laatst vanachter het huis horen roepen. ‘Vader!’ schreeuwde hij. ‘Ik ben hier!’

Al rennend maakte Tham een scherpe draai. Hij rende niet naar Rhand toe, maar schuin van hem weg. ‘Weg, jongen!’ schreeuwde hij en gebaarde met zijn zwaard alsof hij iemand tegenover zich had. ‘Verberg je!’ Een tiental monsterachtige wezens kwam achter hem aan, en rauwe kreten en schril gehuil huiverden door de nachtlucht.

Rhand trok zich terug in de schaduw achter de schuur. Daar kon hij vanuit het huis niet worden gezien, voor het geval een van die schepsels nog binnen was. Hij was veilig, op dit moment tenminste. Maar Tham niet. Tham probeerde die monsters van hem weg te leiden.

Zijn handen klemden zich om de schoffelsteel en hij moest zijn tanden op elkaar klemmen om niet in lachen uit te harsten. Een schoffelsteel. Een van die schepsels bevechten met een schoffelsteel was wel iets anders dan een schermutseling met een vechtstok met Perijn. Maar hij kon Tham niet in de steek laten, niet met die monsters achter hem aan.

‘Beweeg je alsof je een konijn besluipt’ fluisterde hij zichzelf toe, ‘dan zullen ze je nooit horen of zien.’ De griezelige kreten weerkaatsten in de duisternis en hij probeerde te slikken. ‘Meer als een hongerig wolvenpak.’ Stilletjes glipte hij weg van de schuur in de richting van het woud waarbij hij de steel zo stevig vastgreep dat zijn handen pijn deden.