Выбрать главу

‘Het maakt niet meer uit,’ zei Rhand. Zijn vrienden keken hem bevreemd aan en hij wilde dat hij zijn mond had gehouden.

‘Natuurlijk,’ antwoordde Moiraine. Maar ze stopte zorgvuldig alle stukken in haar gordeltas. ‘Breng me de kist.’ Loial zette hem vlak bij haar neer.

De vlakke kanten van goud en zilver leken een geheel te vormen, maar de vingers van de Aes Sedai gleden over het siersmeedwerk, drukten en met een plotselinge klik sprong de bovenkant omhoog, alsof er een springveer achter zat. Er lag een gebogen gouden hoorn in. Ondanks zijn glans leek hij in vergelijking met de kist simpel. De enige versiering was een band met ingelegde woorden van zilver op de rand van de beker. Moiraine tilde de hoorn eruit alsof ze een pasgeboren kind optilde. ‘Dit moet naar Illian gebracht worden,’ zei ze zachtjes.

‘Illian!’ gromde Perijn. ‘Dat ligt bijna bij de Zee der Stormen, van hier is het bijna tweemaal zo ver als naar Tweewater.’

‘Is het...’ Loial zweeg en hield zijn adem in. ‘Kan het...’

‘Kun je de Oude Taal lezen?’ vroeg Moiraine en toen hij knikte, overhandigde ze hem de hoorn.

De Ogier pakte hem even behoedzaam als zij had gedaan en volgde met een dikke vinger licht de woorden. Zijn ogen werden groter en groter en zijn oren stonden rechtovereind. ‘Tia mi aven Moridin isainde vadin,’ fluisterde hij. ‘Geen graf weerstaat mijn geschal.’

‘De Hoorn van Valere.’ Voor het eerst leek de zwaardhand echt geschokt. Er klonk ontzag door in zijn stem.

Tegelijk zei Nynaeve met een bevende stem: ‘Om de helden van vorige Eeuwen uit de dood terug te roepen en de Duistere te bestrijden.’

‘Drakenvuur!’ hijgde Mart.

Eerbiedig legde Loial de hoorn terug in zijn gouden bed.

‘Ik begin me het een en ander af te vragen,’ zei Moiraine. ‘Het Oog van de Wereld is gemaakt voor de grootste nood die de wereld ooit zou kennen, maar werd het gemaakt om te gebruiken zoals... wij dat deden of om deze voorwerpen te beschermen? Laat me vlug dat laatste zien.’

Na de eerste twee dingen kon Rhand zich voorstellen dat Perijn aarzelde. Lan en de Ogier namen de rol witte stof daarom van hem over en rolden hem samen uit. Een lange witte banier werd zichtbaar en bewoog in de wind. Rhand stond met open mond te staren. Het hele doek leek uit één stuk te bestaan, noch geweven, noch geverfd, noch beschilderd. Een beest in de vorm van een serpent, met scharlakenrode en gouden schubben, nam de volle lengte in beslag. Het had geschubde poten en vijf lange, gouden klauwen aan iedere voet, een grote kop met gouden manen en ogen als de zon. Door het wapperen van de banier leek het dier te bewegen, terwijl de schubben glinsterden als kostbare metalen en edelstenen. Het leek te leven en Rhand meende het bijna opstandig te horen bulderen.

‘Wat is het?’ vroeg hij.

Moiraine antwoordde langzaam: ‘De banier van de Heer van de Morgen, toen hij met de legers van het Licht optrok tegen de Schaduw. De banier van Lews Therin Telamon. De banier van de Draak.’ Loial liet bijna zijn eind vallen.

‘Bloed en as!’ zuchtte Mart zwak.

‘We nemen deze dingen mee wanneer we vertrekken,’ zei Moiraine. ‘Ze zijn hier niet bij toeval geplaatst en ik moet meer weten.’ Haar vingers voelden aan haar gordeltas met de scherven van het kapotte zegel. ‘Het is al te laat om nu te vertrekken. We zullen rust nemen en eten, maar we vertrekken vroeg. Overal om ons heen ligt de Verwording, veel sterker dan langs de Grens. Zonder de Groene Man kan deze plaats niet lang standhouden. Laat me zakken,’ droeg ze Nynaeve en Egwene op. ‘Ik moet rusten.’

Rhand werd zich bewust van wat hij de hele tijd al had gezien maar niet had opgemerkt. Dode, bruine bladeren vielen van de grote eik neer. Bij elke windvlaag ritselden dode bladeren in een dikke laag op de grond, bruin vermengd met bloemblaadjes die van duizenden bloemen waren gevallen. De Groene Man had de Verwording tegengehouden, maar de Verwording doodde al wat hij had gemaakt.

‘Het is gedaan, niet?’ vroeg hij Moiraine. ‘Het is afgelopen.’

De Aes Sedai wendde haar hoofd naar hem toe. Haar ogen leken even diep als het Oog van de Wereld. ‘Wij hebben gedaan waarvoor we zijn gekomen. Vanaf nu mag je je leven leiden zoals het Patroon het weeft. Eet en ga slapen, Rhand Altor. Slaap en droom van thuis.’

53

Het Rad wentelt

De dageraad toonde de verwoesting in de tuin van de Groene Man. De grond lag vol gevallen bladeren, op sommige plekken tot aan de knieën. Alle bloemen waren verdwenen, afgezien van een enkele die wanhopig aan de rand van de open plek standhield. Onder een eik groeit maar weinig, maar rond de dikke stam was een smalle kring van bloemen en gras zichtbaar, op het graf van de Groene Man. De eik had de helft van zijn bladeren weten te bewaren en dat was veel meer dan elke andere boom rond de open plek. Het leek of ergens nog een rest van de Groene Man vocht om ze vast te houden. De koele bries was gaan liggen en overgegaan in een toenemende klamme hitte; de vlinders waren verdwenen en de vogels maakten geen geluid. Het was een stille groep die zich klaarmaakte voor vertrek.

Rhand ging in het zadel van de vos zitten en had het gevoel dat hij iets had verloren. Het zou niet zo mogen zijn. Bloed en as, we hebben gewonnen!

‘Ik wou dat hij zijn andere plek had gevonden,’ zei Egwene toen ze op Bela ging zitten. Lan had voor Moiraine een draagbaar vervaardigd en deze vastgebonden tussen de ruige merrie en Aldieb. Nynaeve zou naast haar rijden en de witte merrie aan de teugels meevoeren. De Wijsheid keek telkens naar de grond als ze Lan naar zich zag kijken en vermeed zijn blikken; de zwaardhand keek telkens naar haar als ze haar ogen neersloeg, maar wilde niet met haar praten. Niemand hoefde te vragen wie Egwene bedoelde.

‘Het is niet juist,’ zei Loial en hij staarde naar de eik. De Ogier was de enige die nog niet was opgestegen. ‘Het is niet juist dat Boombroeder aan de Verwording ten prooi valt.’ Hij overhandigde de teugels van zijn grote ros aan Rhand. ‘Niet juist.’

Lan wilde wat zeggen toen de Ogier naar de grote eik liep. Op haar draagbaar hief Moiraine zwakjes haar hand en de zwaardhand zweeg.

Loial knielde voor de eik neer, sloot zijn ogen en spreidde zijn armen.

De toefjes op zijn oren stonden rechtovereind toen hij zijn gezicht naar de hemel hief. Toen zong hij.

Rhand kon niet zeggen of er woorden waren of dat het pure zang was. In die rommelende stem leek de aarde zelf te zingen en toch meende hij dat hij weer vogelzang, het zachte zuchten van de lentewind en fladderende vlindervleugels hoorde. Hij ging zo op in de zang dat hij dacht dat het slechts minuten duurde, maar toen Loial zijn armen liet zakken en zijn ogen opende, zag hij verbaasd dat de zon hoog boven de einder stond. Toen de Ogier zijn zang inzette, was de zon net boven de bomen uitgekomen. De bladeren die nog aan de eik zaten, leken groener en steviger vast te zitten dan eerst.

De bloemen eromheen stonden rechter, de morgensterren wit en fris, de liefdesklokjes vuurrood en vurig.

Terwijl hij het zweet van zijn brede gezicht veegde, stond Loial op en nam de teugels van Rhand over. Zijn lange wenkbrauwen hingen verlegen omlaag, alsof de anderen mogelijk konden denken dat hij opschepperig had gedaan. ‘Nog nooit heb ik zo krachtig gezongen. Ik had het niet kunnen doen als er niet nog iets van Boombroeder aanwezig was geweest. Mijn Boomzangen hebben niet zoveel kracht.’ Hij ging in het zadel zitten en er lag een voldane blik in zijn ogen toen hij naar de eik en de bloemen keek. ‘Deze kleine plek zal tenminste niet in de Verwording ondergaan. De Verwording zal Boombroeder niet krijgen.’

‘Je bent een goede man, Ogier,’ zei Lan.

Loial grijnsde. ‘Ik zal dat als eerbetuiging opvatten, maar ik weet niet wat Ouder Haman ervan zou zeggen.’

Ze reden in een enkele rij, Mart vlak achter de zwaardhand, waar hij zijn boog het beste kon gebruiken en Perijn in de achterhoede, met zijn bijl klaar op de zadelknop. Ze staken een heuvel over en in een oogwenk rees de Verwording rond hen op, verwrongen en rottend in giftige bonte tinten. Rhand keek om, maar de tuin van de Groene Man was nergens meer te zien. Hij zag alleen de Verwording zoals die zich ook voor hen uitstrekte. Toch dacht hij nog heel even de hoge boomtop van de eik te zien, slechts heel even, groen en weelderig, voor die vervaagde en verdween. Toen bestond voor hem nog slechts de Verwording.