Half en half had hij verwacht dat ze zich een weg naar buiten moesten strijden, zoals ze zich ook een weg naar binnen hadden gevochten, maar de Verwording was kalm en stil als de dood. Geen enkele tak beefde alsof die hen wilde treffen; niets krijste of huilde, niet dichtbij en niet veraf. De Verwording leek ineen te krimpen, niet toe te slaan. Het leek alsof het land een geweldige slag was toegebracht en wachtte op de volgende. Zelfs de zon was minder rood.
Toen ze het snoer van meren voorbijtrokken, was de zon net over haar hoogste punt heen. Lan hield een ruime afstand aan tussen de ruiters en de meren en keek er zelfs niet naar, maar Rhand dacht dat de zeven torens groter leken dan op de heenrit. Hij wist zeker dat de gekartelde spitsen hoger boven de grond uitstaken, met daarboven – bijna zichtbaar – ongeschonden torens die glansden in de zon, met de Gouden Kraanvogel op vaandels die wapperden in de wind. Hij knipperde met zijn ogen en staarde, maar de torens weigerden geheel te verdwijnen. Hij bleef ze uit zijn ooghoeken zien tot de Verwording de meren opnieuw verborg.
Voor zonsondergang koos de zwaardhand een kampplaats uit en Moiraine liet Nynaeve en Egwene helpen bij het plaatsen van de ban. De Aes Sedai fluisterde wat in het oor van de andere vrouwen voor ze begon. Nynaeve aarzelde, maar toen Moiraine de ogen sloot, deden ze het alle drie tegelijk.
Rhand zag Mart en Perijn kijken en vroeg zich af waarom zij verbaasd waren. Iedere vrouw is een Aes Sedai, dacht hij somber. Het Licht sta me bij, ik ook. Ontmoedigd hield hij zijn mond.
‘Waarom is het zo anders?’ vroeg Perijn toen Egwene en de Wijsheid Moiraine weer op haar draagbaar hielpen. ‘Het voelt aan...’ Hij trok zijn stevige schouders op, alsof hij het juiste woord niet kon vinden.
‘We hebben de Duistere een machtige slag toegebracht’ antwoordde Moiraine, die het zich zuchtend gemakkelijk maakte. ‘De Schaduw zal een lange tijd van herstel nodig hebben.’
‘Hoe?’ wilde Mart weten. ‘Wat hebben we gedaan?’
‘Slaap maar,’ zei Moiraine. ‘We zijn de Verwording nog niet uit.’
De volgende ochtend was er volgens Rhand niets veranderd. De Verwording werd tijdens hun rit naar het zuiden steeds minder afschrikwekkend. Verwrongen bomen gingen geleidelijk over in rechte. De verstikkende hitte nam af. Rottend groen veranderde in licht aangetast groen en uiteindelijk zag hij helemaal geen aangetaste bladeren meer. Het bos rondom hen werd roodbruin en takken liepen in een nieuwe gezonde groei uit. Het struikgewas ontkiemde, klimplanten overgroeiden de rotsen met groen en nieuwe wilde bloemen verspreidden zich over gras dat even dik en groen was als waar de Groene Man had gelopen. Het was of de lente, die zo lang door de winter was tegengehouden, nu snel de verloren tijd in wilde halen.
Hij was niet de enige die met open mond rondstaarde. ‘Een machtige slag,’ mompelde Moiraine, die er niets meer over wilde zeggen. Klimrozen groeiden rond de stenen paal die de grens aangaf. Mannen kwamen de wachttorens uit om hen te begroeten. Er klonk iets verbijsterds in hun lachen door en hun ogen glansden verbaasd, alsof ze niet konden geloven dat er jong gras onder hun met staal beschermde voeten veerde.
‘Het Licht heeft de Schaduw overwonnen!’
‘Een geweldige triomf in Tarwins Kloof! We hebben bericht gekregen! Een overwinning!’
‘Het Licht zegent ons weer!’
‘Koning Easar is sterk in het Licht,’ gaf Lan telkens als antwoord op hun geroep.
De wachters wilden Moiraine verzorgen of anders ten minste begeleiders meesturen, maar ze wees alles af. Zelfs plat op haar rug op een draagbaar was de persoonlijkheid van de Aes Sedai zo sterk dat de geharnaste mannen zich buigend terugtrokken en haar wensen inwilligden. Hun gelach volgde Rhand en de anderen nog lang toen ze verder trokken.
Laat in de middag kwamen ze in Fal Dara en troffen de stad met de grimmige muren uitbundig feestvierend aan. Rhand betwijfelde of er een klok was te vinden die niet luidde, van de kleinste zilveren harnasschellen tot de grote bronzen gongen achter de torentransen. De poorten stonden wijd open en mannen holden lachend en zingend door de straten met bloemen in hun knotten en de openingen van hun wapenrusting. De burgers van de stad waren nog niet terug uit Fal Moran, maar de soldaten waren net uit Tarwins Kloof teruggekeerd en hun vreugde was groot genoeg om de straten te vullen.
‘Overwinning in de Kloof! We hebben gewonnen!’
‘Een wonder in de Kloof! De Eeuw der Legenden is teruggekeerd!’
‘Lente!’ lachte een grijze oude soldaat toen hij een slinger van morgensterren om Rhands nek legde. Zijn eigen haarknot zat onder de witte bloemen. ‘Het Licht zegent ons wederom met een nieuwe lente!’
Toen men hoorde dat ze naar de grote toren van de veste wilden rijden, werden ze omringd door een kring van mannen in staal en bloemen die voor hen uit renden om een weg door de feestvierende menigte te banen.
Het gezicht van Ingtar was het eerste dat Rhand niet zag glimlachen.
‘Ik was te laat’ vertelde Ingtar aan Lan met een bittere grimmigheid. ‘Een uur te laat om het te zien. Vrede!’ Zijn tanden knarsten hoorbaar, maar toen ontspande zijn gezicht zich. ‘Vergeef me. Smart doet me mijn plichten vergeten. Welkom, Bouwer. Welkom aan jullie allen. Het is goed u allen veilig uit de Verwording te zien terugkomen. Ik zal de heelster naar de kamers van Moiraine Sedai sturen en heer Agelmar laten weten...’
‘Breng me naar heer Agelmar,’ beval Moiraine. ‘Breng ons allen.’ Ingtar wilde al tegensputteren, maar haar ogen spraken een krachtiger taal, zodat hij diep boog.
Agelmar was in zijn werkkamer, met zijn zwaarden en wapenrusting weer aan hun rekken, en ook zijn gezicht vertoonde geen enkele glimlach. Zijn bezorgde frons werd nog dieper toen hij zag hoe Moiraine door dienaren het vertrek werd binnengedragen. Vrouwen in zwart en goud jammerden zenuwachtig dat de Aes Sedai hierheen wilde en geen kans had gekregen zich te verfrissen of naar de heelster te gaan.
Loial droeg de gouden kist. De scherven van het zegel zaten nog in de gordeltas van Moiraine. De banier van Lews Therin Verwantslachter was in een deken gerold en op Aldiebs zadel achtergelaten. De knecht die de witte merrie zou stallen, had strikte orders gekregen de dekenrol onaangeraakt in de vertrekken te leggen die de Aes Sedai waren toegewezen.
‘Vrede!’ mompelde de heer van Fal Dara. ‘Bent u gewond, Moiraine Sedai? Ingtar! Waarom heb je de Aes Sedai niet naar bed laten brengen en de heelster laten komen?’
‘Rustig, heer Agelmar,’ zei Moiraine. ‘Ingtar heeft gedaan wat ik hem opdroeg. Ik ben niet zo zwak als iedereen hier lijkt te denken.’ Ze gebaarde naar twee vrouwen om haar in een stoel te helpen. Eventjes wrongen die hun handen met de uitroep dat ze te zwak was, dat ze in een warm bed hoorde te liggen, dat de heelster diende te komen en dat een warm bad... Moiraine trok haar wenkbrauwen op en toen zwegen de vrouwen abrupt en haastten zich haar in een stoel te helpen. Zodra ze zat, wuifde ze de vrouwen geërgerd opzij, ‘ik wil met u spreken, heer Agelmar.’
Agelmar knikte en Ingtar gebaarde de dienaren de kamer uit. De heer van Fal Dara keek verwachtingsvol naar de achterblijvers; vooral, dacht Rhand, naar Loial en de gouden kist.
‘We hebben gehoord,’ begon Moiraine zodra de deur achter Ingtar was gesloten, ‘dat u een grote overwinning hebt behaald in Tarwins Kloof.’
‘Ja,’ zei Agelmar langzaam en zijn bezorgde frons keerde terug. ‘Ja, Aes Sedai, en nee. De Schimmen en hun Trolloks werden tot de laatste vernietigd, maar wij hebben amper gevochten. Mijn mannen noemen het een wonder. De aarde heeft hen verzwolgen; het gebergte heeft hen begraven. Slechts enkele Draghkar bleven over en die waren zo bang dat ze zo snel mogelijk naar het noorden wegvlogen.’