Выбрать главу

Een lag er bijna vlak onder hem.

Hij probeerde geen geluid te maken, toen hij zich op de muur hees waar hij een hand kon uitstrekken naar de vage vorm. Zijn vingers raakten krullende wol, toen iets nats; het schaap bewoog niet. Snakkend naar adem duwde hij zich terug over het muurtje. Bijna liet hij het zwaard vallen toen hij buiten de schaapskooi neerplofte. Ze doden uit plezier. Bevend veegde hij zijn vochtige handen aan de aarde af.

Nijdig maakte hij zichzelf wijs dat er niets was veranderd. De Trolloks hadden hun slachtpartij gehad en waren weg. Terwijl hij zich dat voorhield, kroop hij verder over het boerenerf. Hij bleef zo laag mogelijk en probeerde alle kanten tegelijk in de gaten te houden. Hij had nooit gedacht dat hij nog eens jaloers zou zijn op een regenworm.

Hij bleef aan de voorkant van het huis, plat tegen de muur en onder het kapotte raam liggen luisteren. Het doffe bonzen van het bloed in zijn oren was het luidste wat hij hoorde. Langzaam richtte hij zich op en tuurde naar binnen.

De stamppotpan stond omgekeerd in de as van de haard. Versplinterd hout lag verspreid in de kamer; geen enkel meubelstuk was heel gebleven. Zelfs de tafel lag in een vreemde hoek, twee poten waren nog slechts versplinterde stompjes. Iedere kast stond open, iedere la was eruit getrokken en kapotgeslagen, veel deuren hingen nog slechts aan een enkel scharnier. De inhoud van de kasten lag verspreid tussen de wrakstukken en over alles lag een witte laag. Blijkbaar meel en zout, afgaande op de opengescheurde zakken die hij de haard waren neergesmeten. Vier verwrongen lichamen vormden een hoop tussen de resten van de meubels. Trolloks.

Rhand herkende er een aan zijn ramshoorns. De anderen leken er veel op, hoe verschillend ze ook waren, een afgrijselijke mengeling van menselijke gezichten, mismaakt door snuiten, hoorns, veren en bont. Hun bijna menselijke handen maakten het alleen maar erger. Twee droegen laarzen, de anderen hadden hoeven. Hij staarde strak naar het schouwspel tot zijn ogen begonnen te steken. Geen enkele Trollok bewoog. Ze moesten dood zijn. En Tham lag te wachten.

Hij rende door de voordeur naar binnen en bleef kokhalzend van de stank staan. De stank van een stal die al vele maanden niet was uitgemest, was volgens hem nog niet zo erg als deze stank. Gore vegen besmeurden de muren. Hij probeerde alleen door zijn mond te ademen en pookte gehaast rond in de rommel op de vloer. In een van de kasten had een waterzak gelegen.

Een schrapend geluid achter hem verkilde hem tot op het bot en hij tolde rond, zodat hij bijna over de restanten van de tafel viel. Hij hield zich overeind en kreunde achter zijn tanden, die zouden klapperen als hij ze niet zo hard en pijnlijk op elkaar had geklemd.

Een Trollok richtte zich op. Een wolvensnuit stak naar voren onder diep verzonken oogkassen. Vlakke, gevoelloze en maar al te menselijke ogen. De behaarde, spitse oren bewogen onophoudelijk. Hij stapte op spitse geitenhoeven over een van zijn dode maten heen.

Eenzelfde zwarte maliënkolder als de anderen droegen, raspte tegen een leren broek en een van de geweldige zeisvormigc zwaarden zwaaide aan zijn zij.

Hij mompelde iets, keligen scherp, en zei toen: ‘Anderen gaan, Narg blijft. Narg slim.’ De woorden waren vervormd en moeilijk te begrijpen, nu ze uit een mond kwamen die nooit voor menselijke spraak was bedoeld. De toon was verzoenend, dacht Rhand, maar hij kon zijn ogen niet van de gevlekte tanden afhouden, lang en scherp, die bij ieder woord te voorschijn flitsten. ‘Narg weet soms iemand komt terug. Narg wacht. Jij zwaard niet nodig. Leg zwaard neer.’

Tor de Trollok dit zei, had Rhand niet beseft dat hij Thams zwaard met trillende handen voor zich hield en de punt op het enorme monster gericht had. De Trollok torende met kop en schouders boven hem uit. met een borstkas en armen waarbij baas Lohan niets was.

‘Narg niet pijn.’ Hij deed gebarend een stap dichterbij. ‘Jij legt zwaard neer.’ Het zwarte haar op de rug van zijn handen was dik als bont.

‘Blijf staan,’ zei Rhand, wensend dat zijn stem zekerder klonk. ‘Waarom hebben jullie dit gedaan? Waarom?’

Vlja daeg roghda’ De grauw veranderde snel in een getande glimlach. ‘Leg zwaard neer. Narg niet pijn. Myrddraal wil jou praten.’

Iets wat op gevoel leek gleed over het misvormde gezicht. Vrees. ‘Anderen komen terug, jij praat Myrddraal.’ Hij deed nog een stap en een grote hand legde zich op het gevest van zijn eigen zwaard. ‘Jij legt zwaard neer.’

Rhand likte zijn lippen af. Myrddraal! De ergste uit de verhalen liep vannacht rond. Vergeleken met een Schim was een Trollok niets. Hij moest weg zien te komen. Maar als de Trollok dat enorme zwaard trok, zou hij geen enkele kans maken. Hij dwong zijn lippen tot een beverige glimlach. ‘Dat is goed.’ Hij klemde het zwaard nog steviger vast en liet beide handen zakken. ‘Ik zal praten.’

De wolfsgrijns werd een grauw en de Trollok sprong op hem af. Rhand had niet gedacht dat iets wat zo groot was zo snel kon bewegen. Wanhopig bracht hij het zwaard omhoog. Het monsterachtige lijf klapte op hem neer en sloeg hem tegen de muur. In die ene stoot werd alle lucht uit zijn longen geperst. Hij hapte naar adem terwijl ze samen op de grond vielen, de Trollok boven op hem. Verwoed kronkelde hij onder het verpletterende gewicht, terwijl hij probeerde de blikkerende kaken en massieve handen re ontwijken die hem trachtten vast te grijpen.

Opeens schokte de Trollok en lag stil. Bont en blauw, half gestikt door het gevaarte boven op hem, kon Rhand slechts ongelovig blijven liggen. Hij kwam echter snel weer bij zinnen en wrong zich onder het enorme lichaam vandaan. Het bebloede blad van Thams zwaard stak midden uit de rug van de Trollok. Hij had het dus toch op tijd omhooggekregen. Bloed zat ook op Rhands handen en zorgde voor een donkere veeg op zijn hemd. Zijn maag draaide zich om en hij moest lang slikken om niet te hoeven overgeven. Hij beefde nog net zo erg als hij had gedaan toen hij zo bang was, maar nu was het van opluchting dat hij nog in leven was.

Anderen komen terug, had de Trollok gezegd. De andere Trolloks zouden naar de boerderij terugkeren. En een Myrddraal, een Schim.

Volgens de verhalen waren Schimmen twintig voet lang, hadden ze ogen van vuur en bereden ze de schaduwen als paarden. Als een Schim zich afwendde, verdween hij en geen muur kon hem dan tegenhouden. Hij moest doen waarvoor hij was gekomen en snel vertrekken.

Kreunend van inspanning rolde hij het lichaam van de Trollok om, zodat hij zijn zwaard kon pakken en rende haastig weg toen de open ogen hem plotseling aankeken. Het duurde even voor hij besefte dat ze hem door een doodsvlies heen aanstaarden.

Hij veegde zijn handen af aan een besmeurd vod – die ochtend was het nog een van Thams hemden geweest – en trok het heft los. Hij maakte het zwaard schoon en liet het vod met tegenzin op de vloer vallen. Voor netheid was geen tijd, bedacht hij met een lachje dat hij onderdrukte door zijn tanden stevig op elkaar te klemmen. Hij wist nog niet hoe ze het huis ooit weer zo schoon konden krijgen dat ze er weer in konden wonen. De afschuwelijke stank was waarschijnlijk meteen in de balken getrokken. Maar hij had geen tijd om daarover na te denken. Geen tijd voor netheid. Misschien nergens tijd voor.

Hij wist zeker dat hij een aantal dingen vergat die ze nodig zouden hebben, maar Tham lag te wachten en de Trolloks zouden terugkomen. Hij verzamelde wat hij in alle haast kon bedenken. Dekens uit de slaapkamers boven en schone doeken om Thams wond te verbinden. Hun mantels en jassen. De waterzak die hij altijd bij het schapenhoeden meenam. Een schoon hemd. Hij wist niet wanneer hij zich kon verkleden, maar hij wilde de eersre de beste kans aangrijpen om een ander hemd aan te trekken. De kleine zakjes wilgenschors en hun andere geneesmiddelen lagen in een donkere, modderige hoop die hij niet durfde aan te raken.

De emmer water die Tham had binnengezet, stond nog steeds bij de schouw en was als door een wonder nog vol en schoon. Hij vulde de waterzak, spoelde haastig in het restje zijn handen af en keek snel even rond of hij nog wat had vergeten. Hij vond zijn boog tussen de rommel, keurig op het dikste stuk doormidden gebroken. Hij beefde toen hij de stukken liet vallen. Hij moest het maar doen met wat hij al verzameld had, besloot hij. Vlug stapelde hij alles voor de deur op.