Выбрать главу

Als laatste groef hij nog een stormlantaarn uit de rommel op de vloer op. Er zat nog olie in. Hij stak de lantaarn met een van de kaarsen aan, deed de luiken dicht, hoofdzakelijk vanwege de wind maar meer nog om geen aandacht te trekken, en haastte zich naar buiten met de lantaarn in de ene en het zwaard in de andere hand. Hij vroeg zich af wat hij in de schuur zou aantreffen. De schaapskooi gaf hem niet veel hoop. Maar hij had de kar nodig om Tham naar Emondsveld te krijgen en voor de kar had hij Bela nodig. Die noodzaak gaf hem toch enige hoop.

De schuurdeuren stonden open. Een ervan bewoog met piepende scharnieren in de wind. Binnen zag het eruit als altijd, in het begin tenminste. Toen vielen zijn ogen op de lege stallingen waarvan de deuren van hun scharnieren waren gerukt. Bela en de koe waren weg.

Vlug liep hij naar achter. De wagen lag op zijn kant; de helft van de spaken waren uit de wielen gebroken. De ene boom was slechts een stompje van een voet lang.

De wanhoop die hij had weten te onderdrukken, sloeg nu toe. Hij wist niet zeker of hij Tham helemaal naar het dorp kon dragen, zelfs als zijn vader het zou kunnen verdragen. Tham zou sneller door die pijn kunnen sterven dan vanwege zijn koorts. Maar het was zijn enige kans. Hier had hij alles gedaan wat hij kon doen. Toen hij zich omdraaide om weg te gaan, vielen zijn ogen op de afgehakte wagenboom die op de met stro bezaaide vloer lag. Opeens glimlachte hij.

Hij zette de lantaarn op de grond, legde het zwaard ernaast en rukte vervolgens verwoed aan de kar, die weer op zijn wielen terugviel onder het gekraak van nog meer brekende spaken. Vervolgens zette hij zijn schouder onder de kar om hem naar de andere kant te laten kantelen. De onbeschadigde disselboom stak recht naar voren. Hij pakte het zwaard op en hakte op het gladgeschaafde hout in. Tot zijn blijde verbazing vlogen de splinters onder zijn slagen naar alle kanten. Hij hakte er even snel doorheen als met een goede bijl. Toen de boom op de grond viel, keek hij verwonderd naar het zwaardblad. Zelfs de scherpst gewette bijl zou bot geworden zijn van dat gehak in het harde, oude hout, maar het zwaard leek nog even vlijmscherp als alrijd. Hij voelde met zijn duim aan de snede en stak die toen haastig in zijn mond. Het blad was nog vlijmscherp.

Maar hij had geen rijd zich erover re verhazen. Hij blies de lantaarn uit – het had geen zin de schuur ook nog te laten afbranden – raapte de bomen op en rende rerug naar zijn stapel spullen bij het huis.

Alles tezamen vormde het een onhandige bundel. Niet zo zwaar, maar moeilijk re hanteren en in evenwicht te houden. De bomen wipten en verschoven in zijn armen toen hij over de omgeploegde akker struikelde. Eenmaal terug in het bos was het zelfs nog erger, omdat ze in de takken haakten en hem telkens uit zijn evenwicht brachten. Het zou gemakkelijker zijn geweest ze over de grond te slepen, maar dat zou een duidelijk spoor hebben achtergelaten. Hij was van plan zo lang mogelijk re wachten voor hij gedwongen was daartoe over te gaan.

Tham lag nog precies waar hij hem had achtergelaten en leek te slapen. Hij hoopte dat hij sliep. Plots was hij bang, liet zijn last vallen en hield een hand tegen zijn vaders gezicht. Tham haalde nog adem, maar de koorts was erger geworden.

Door de aanraking kwam Tham bij, maar hij werd slechts wazig wakker.

‘Ben jij dat, jongen?’ zuchtte hij. ‘Bezorgd over je. Dromen over voorbije dagen. Nachtmerries.’ Zacht mompelend zakte hij weer weg.

‘Maak je niet bezorgd,’ zei Rhand. Hij legde Thams jas en mantel over hem heen om hem te beschutten tegen de wind. ‘Ik breng je naar Nynaeve zo snel ik maar kan.’ Hij praatte door om zichzelf en Tham gerust te stellen en trok zijn bebloede hemd uit. In zijn haast het uit te trekken, merkte hij maar amper iets van de kou en trok snel een schoon wambuis aan. Toen hij zijn oude hemd weggooide, voelde hij zich alsof hij net een bad had genomen. ‘We zijn binnen de korrste keren veilig in het dorp en de Wijsheid zorgt dat alles in orde komt. ‘Je zult het zien. Alles komt echt in orde.’

Die gedachte vormde een lichtpunt toen hij zijn jas aantrok en zich bukte om Thams wond te verzorgen. Ze zouden veilig zijn als ze eenmaal het dorp bereikten en Nynaeve Tham zou genezen. Hij hoefde hem alleen maar daar te krijgen.

6

Het Westwoud

In het maanlicht kon Rhand niet goed zien wat hij deed, maar Thams wond leek slechts een lichte snee dwars over zijn ribben te zijn, niet groter dan zijn handpalm. Hij schudde ongelovig het hoofd. Hij had zijn vader grotere verwondingen zien verbijten, waarbij hij niet eens ophield met werken en zo’n wond alleen maar uitwaste. Haastig keek hij Tham van top tot teen na, op zoek naar iets wat de koorts kon verklaren, maar hij vond alleen die ene snee.

Al was die snee klein, hij was ernstig genoeg. De huid eromheen voelde zwaar ontstoken aan en heter dan de resr van Thams lichaam en die was al zo heet dat Rhand zijn kaken op elkaar klemde. Zo’n verterende koorts kon dodelijk zijn, of van iemand een schim van zijn vroegere ik maken. Hij goot water uit de leren zak over een doek en legde die over Thams voorhoofd.

Hij probeerde heel voorzichtig de gapende snee op zijn vaders ribben schoon te maken en te verbinden, maar zacht gekreun onderbrak steeds Thams onduidelijke gemompel. Kale boomtakken rezen dreigend rond hen op en bewogen onheilspellend in de wind. De Trolloks zouden het toch zeker wel opgeven als ze Tham en hem niet konden vinden en de boerderij verlaten aantroffen. Hij probeerde het zichzelf wijs te maken, maar de moedwillige en zinloze verwoestingen in het huis gaven hem weinig hoop. Geloven dat ze het zouden opgeven voordat ze alles en iedereen hadden gedood, was gevaarlijk, het was een dwaasheid die hij niet mocht begaan...

Trolloks! Licht van boven, Trolloks! Schepsels uit een verhaal van een speelman, schepsels die in de nacht de deur kwamen inslaan. En een Schim! Het Licht verlichte me, een Schim’.

Opeens besefte hij dat hij de losse uiteinden van het verband bewegingloos vasthield. Roerloos als een konijn dat de schaduw van een havik ziet, dacht hij honend. Kwaad schudde hij zijn hoofd en maakte het verband rond Thams borst vast.

Weten wat hem te doen stond, en dat ook doen, maakte hem niet minder bevreesd. Als de Trolloks terugkwamen, zouden ze zeker het bos rond de boerderij gaan afzoeken naar sporen van de ontsnapte mensen. Het lijk van de Trollok die hij had gedood, zou hun vertellen dat die mensen niet ver weg konden zijn. Wie wist wat een Schim zou of kon doen? Bovendien stond de opmerking van zijn vader over het gehoor van Trolloks hem nog bij alsof Tham het net had verteld. Hij moest zich bedwingen om zijn hand niet op Thams mond te leggen om zijn gekreun en gemompel te onderdrukken. Sommigen gaan op de geuren af. Wat kan ik daartegen doent Niets. Hij kon geen tijd verspillen door zich het hoofd te breken over problemen waaraan hij toch niets kon doen.

‘U moet u stil houden,’ fluisterde hij in zijn vaders oor. ‘De Trolloks zullen terugkomen.’

Tham sprak haastig en hees: ‘Je bent nog steeds knap, Kari. Nog steeds zo knap als een meisje.’

Rhand maakte een grimas. Zijn moeder was nu vijftien jaar dood. Als Tham geloofde dat ze nog leefde, was de koorts zelfs nog erger dan Rhand dacht. Hoe kon hij voorkomen dat zijn vader praatte, nu stilte een kwestie van leven of dood was?

‘Moeder wil dat u stil bent,’ fluisterde Rhand. Hij slikte om het verstikkende gevoel in zijn keel kwijt te raken. Hij herinnerde zich nog haar zachte handen. ‘Kari wil dat u stil bent. Hier. Drink.’

Tham slikte het water gulzig door, maar na enkele slokken wendde hij het hoofd af en begon weer zachtjes te mompelen, te zacht om door Rhand te worden verstaan. Hij hoopte dat het ook te zacht was om door jagende Trolloks gehoord te worden.