Выбрать главу

Snel ging hij door met wat gedaan moest worden. Hij wikkelde drie dekens om en tussen de afgehakte disselbomen en knutselde zo een draagbaar in elkaar. Hij zou het ene eind dragen terwijl het andere eind over de grond zou slepen. Van de laatste deken sneed hij met zijn jachtmes een lange reep af en knoopte toen beide uiteinden aan de punten van de bomen vast.

Zo zacht mogelijk tilde hij Tham op de baar. Hij kromp bij elke kreun ineen. Zijn vader had altijd onverwoestbaar geleken. Niets kon hem pijn doen, niets kon hem tegenhouden of afremmen. Dal zijn vader in deze toestand verkeerde, beroofde Rhand zowat van zijn laatste bijeengeschraapte moed. Maar hij moest doorgaan. Dat was alles wat hem gaande hield. Hij móést.

Toen Tham eindelijk op de draagbaar lag, aarzelde Rhand en gespte toen de zwaardgordel rond zijn vaders middel los. Toen hij die zelf omdeed, voelde dat vreemd; hijzelf voelde zich vreemd. Riem, schede en zwaard wogen samen slechts een paar pond, maar toen hij het zwaard in de schede liet glijden, leek het hem als een zwaar gewicht omlaag te trekken.

Boos vermaande hij zichzelf. Dit was tijd noch plaats voor dwaze dromen. Het was enkel een groot mes. Hoe vaak had hij niet in zijn dagdromerij een zwaard gedragen en avonturen heleefd? Als hij er een Trollok mee had kunnen doden, kon hij anderen toch zeker ook van zich afslaan? Hij wist echter maar al te goed dat het gebeuren in de boerderij puur geluk was geweest. In zijn dagdroomavonturen was het nooit voorgekomen dat zijn tanden klapperden, of dat hij midden in de nacht voor zijn leven rende, of dat zijn vader op het randje van de dood verkeerde.

Snel stopte hij Tham in met de laatste deken en legde de waterzak en de andere kleren naast zijn vader op de baar. Hij haalde diep adem, knielde tussen de bomen neer en schoof de reep deken over zijn hoofd en onder zijn armen door. Toen hij de disselbomen vastgreep en recht ging staan, lag het grootste gewicht op zijn schouders. Het leek niet zo erg veel. Hij probeerde een gelijkmatige tred te vinden en ging op weg naar Emondsveld terwijl de baar achter hem aan sleepte.

Hij had al besloten dat hij de Steengroeveweg tot aan het dorp zou volgen. Het gevaar was op de weg zelf zeker grorer, maar als hij door het nachtelijke bos zou gaan rondzwerven, was het uitgesloten dat Tham tijdig hulp zou krijgen.

In de duisternis liep hij voor hij het wist al bijna meteen de Steengroeveweg op. Toen hij besefte waar hij was, leek een vuist zijn keel dicht te knijpen. Haastig draaide hij de draagbaar om en sleepte hem terug tussen de bomen, waar bij bleef staan om op adem te komen en het bonzen van zijn hart te laten verminderen. Nog nahijgend ging hij naar het oosten, richting Emondsveld.

Tussen de bomen lopen was lastiger dan Tham over de weg mee te nemen en de nacht maakte het er zeker niet makkelijker op, maar over de weg zelf lopen zou waanzin zijn. Het idee was het dorp te bereiken zonder nog meer Trolloks tegen te komen, zonder er ook maar één te zien, als het aan hem lag. Hij moest aannemen dat de Trolloks nog naar hen op jacht waren en vroeg of laat zouden beseffen dat hun prooi op weg was naar het dorp – en dat de Steenroeveweg de meest voor de hand liggende weg was om daar te komen. Eigenlijk bevond hij zich veel dichter bij de weg dan hem lief was. De nacht en de schaduwen onder de bomen leken akelig open als je je erachter wilde verschuilen voor de spiedende ogen van iemand op het pad.

Het maanlicht druppelde door de kale takken, maar niet genoeg om te onthullen wat er op de grond onder zijn voeten lag. Wortels dreigden hem bij iedere stap te laten uitglijden, oude doormakken grepen zijn benen vast. Onverwachte kuilen of zandhopen lieten hem iedere keer bijna vallen als zijn voet slechts lucht ontmoette waar hij op stevige bosgrond rekende, of struikelen als zijn tenen de grond raakten terwijl hij een stap naar voren deed. Thams gemompel ging telkens over in een scherp gekreun als een van de dissels te hard over een wortel of steen bonkte.

Hij tuurde het donker in tot zijn ogen brandden en hij luisterde zoals hij nog nooit eerder had geluisterd. Iedere tak die langs een andere schraapte, ieder geruis van dennennaalden deed hem met gespitste oren stilstaan. Hij durfde nauwelijks adem te halen uit vrees dat hij een waarschuwend geluid niet zou opvangen. Pas wanneer hij ervan overruigd was dat het de wind was geweest, trok hij verder.

Traag sloop de vermoeidheid zijn armen en benen in en het werd erger door een nachtwind die lachte om zijn mantel en jas. Het gewicht van de baar, zo licht in het begin, probeerde hem nu omlaag te trekken. Hij struikelde niet alleen meer door oneffenheden. De bijna voortdurende worsteling om niet te vallen, kostte hem evenveel moeite als het slepen van de baar zelf. Hij was die ochtend al voor zonsopgang bezig geweest en ook zonder het uitstapje naar Emondsveld had hij al bijna een volle werkdag achter de rug. Op een gewone avond zou hij nu liggen rusten voor het haardvuur, zou hij liggen lezen in een boek van Thams kleine boekenplank voor het naar bed gaan. De scherpe kou drong door tot in zijn botten en zijn maag herinnerde hem eraan dat hij behalve de honingkoeken van vrouw Alveren niets meer had gegeren.

Hij liep in zichzelf te mopperen, boos dat hij niet wat eten van de boerderij had meegenomen. Een paar minuten meer zou niet veel verschil hebben gemaakt. Een paar minuten om wat brood en kaas te pakken. De Trolloks zouden echt niet in die tijd teruggekomen zijn. Of alleen het brood. Maar vrouw Alveren zou erop staan een dampende maaltijd voor hem neer te zetten als ze eenmaal de herberg hadden bereikt. Een dampend bord met dikke lamsstoofpot waarschijnlijk. En wat van dat brood dat ze gebakken had. En heel veel hete thee.

‘Ze kwamen als een vloedgolf over de Drakenmuur,’ zei Tham opeens met een harde, boze stem, ‘en wasten het land in bloed. Hoeveel stierven er voor Lamans Zonde?’

Rhand viel van verbazing bijna om. Vermoeid liet hij de baar op de grond zakken en bevrijdde zich van de draagriem, die een brandende groef in zijn schouders achterliet. Hij schudde zijn kramp los en knielde naast Tham neer. Hij tastte naar de waterzak, tuurde tussen de bomen door en probeerde vergeefs in het flauwe maanlicht de weg af te kijken, die slechts twintig stappen verder lag. Daar bewogen zich slechts schaduwen. Slechts schaduwen.

‘Er is geen vloedgolf van Trolloks, vader. Nu niet tenminste. We zullen gauw veilig in Emondsveld zijn. Drink wat water.’

Tham schoof de waterzak opzij met een arm die alle kracht leek te hebben herwonnen. Hij greep Rhand bij zijn kraag vast en trok hem zo dicht tegen zich aan dat hij de hitte van zijn vaders koorts tegen zijn wang voelde. ‘Ze noemden hen wilden,’ zei Tham doordringend. ‘De dwazen zeiden dat ze als stof weggevaagd konden worden. Hoeveel veldslagen gingen verloren, hoeveel steden gingen in vlammen op voor ze de waarheid onder ogen zagen? Voor de naties zich voor de strijd aaneensloten?’ Zijn greep verslapte en droefheid vervulde zijn stem. ‘Het veld bij Mareth was bezaaid met doden en je hoorde niets dan krassende raven en zoemende vliegen. De stompe torens van Cairhien brandden als fakkels in de nacht. Helemaal tot aan de Glanzende Muren plunderden ze het land leeg en doodden ze voor ze teruggedreven werden. Helemaal tot aan...’

Rhand drukte zijn hand op zijn vaders mond. Daar was het geluid weer, een ritmisch bonzen dat van alle kanten tussen de bomen leek te komen, zwakker, dan weer sterker als de wind draaide. Fronsend zocht hij links en rechts de weg af en probeerde uit te vinden waar het vandaan kwam. Vanuit zijn ooghoeken zag hij een snelle beweging en op hetzelfde moment dook hij over Tham heen. Geschrokken voelde hij hoe hij het zwaardgevest stijf vasthield, maar de meeste aandacht richtte hij op de Steengroeveweg, alsof de weg het enige echte in de hele wereld was.

Weifelende schaduwen in het oosten vormden zich langzaam tot een paard en een ruiter die over de weg naderbij kwamen, gevolgd door grote logge vormen die voortdraafden om het dier bij te houden. Bleek maanlicht glinsterde op speerpunten en bijlbladen. Geen moment kwam het bij Rhand op dat het dorpelingen konden zijn die hem kwamen helpen. Hij wist wat ze waren. Hij kon het voelen als grind dat over zijn botten kraste, zelfs voor zij zo dichtbij waren dat hij in het maanlicht de kapmantel van de ruiter zag, een mantel die roerloos in de wind leek te hangen. Alle vormen leken zwart in de nacht en de paardenhoeven klonken hetzelfde als die van ieder ander paard, maar Rhand herkende dit paard uit duizenden.