Выбрать главу

De zwarte ruiter werd gevolgd door gestalten uit een nachtmerrie, met hoorns en snuiten en snavels. Trolloks in een dubbele rij, in de maat; de laarzen en hoeven raakten allemaal op hetzelfde moment de grond, alsof ze aan één enkele geest gehoorzaamden. Rhand tel de er twintig toen ze voorbijdraafden... Hij vroeg zich af wat voor soort man zijn rug keerde naar zoveel Trolloks. Of zelfs naar één Trollok wat hem betrof.

De dravende colonne verdween naar het westen. Het bonzende gestamp verwaaide in het duister, maar Rhand bleef waar hij was. Hij bewoog geen spier behalve om adem te halen. Iets zei hem zeker te zijn, volkomen zeker te zijn dat ze weg waren voor hij bewoog. Uiteindelijk haalde hij diep adem en begon zich op te richten.

Deze keer maakte het paard helemaal geen geluid. In griezelige stilte keerde de zwarte ruiter terug. Zijn schaduwros leek om de paar stappen stil te staan terwijl het langzaam de weg afreed. De wind gierde hoger en klaaglijk door de bomen; de mantel van de ruiter hing zo stil als de dood. Telkens als het paard stilstond, zwaaide dat omkapte hoofd van rechts naar links terwijl de ruiter speurend het woud afzocht. Precies tegenover Rhand bleef het paard weer staan. Het schaduwgat van de kap richtte zich op de plek waar hij over zijn vader lag.

Rhands hand klemde zich onwillekeurig vaster om het gevest. Hij voelde de blik, net als die ochtend, en huiverde weer van die haat, al kon hij die blik nier zien. Die in het zwart gehulde man haatte iedereen en alles, alles wat leefde. Ondanks de koude wind stond het zweet in dikke druppels op Rhands voorhoofd.

Toen liep het paard verder, een paar geluidloze slappen en stond weer stil, tot het voor Rhand alleen nog maar een amper herkenbare vlek in de verte op de weg was geworden. Het kon van alles zijn, maar hij verloor het geen moment uit het oog. Want als dat zou gebeuren, zou hij de zwarre ruiter pas weer zien opdoemen als dat stille paard boven op hem stond.

Onverwachts draafde de schaduw terug en ging hem stil galopperend voorbij. De ruiter keek recht voor zich uit toen hij zich in de nacht naar het westen spoedde, naar de Mistbergen, naar de boerderij.

Rhand zakte opzij, snakte naar lucht en veegde met zijn mouw het koude zweet van zijn gezicht. Het maakte hem niet meer uit waarom de Trolloks waren gekomen. Als hij het nooit zou horen, was dat ook best, zolang er maar een eind aan kwam.

Met een rilling vermande hij zich en keek snel hoe het met zijn vader was. Tham lag nog te mompelen, maar zo zachtjes dat Rhand geen woorden kon horen. Hij probeerde hem wat te laten drinken, maar het water liep weg over zijn vaders kin. Tham hoestte en verslikte zich in de paar druppels die in zijn mond kwamen en begon toen weer te mompelen alsof er niets was gebeurd.

Rhand liet nog wat water op de doek op Thams voorhoofd druppelen, schoof de waterzak terug op de baar en worstelde zich weer tussen de dissels.

Het leek wel alsof hij een volle nacht had geslapen, maar zijn vernieuwde kracht duurde met lang. Vrees onderdrukte in het begin zijn vermoeidheid, maar hoewel de vrees bleef, kwam de vermoeidheid heel snel terug. Het duurde niet lang of hij liep weer te strompelen. Hij probeerde zijn honger en zere spieren te negeren en richtte al zijn aandacht op het plaatsen van de ene voet voor de andere zonder te struikelen.

In gedachten stelde hij zich Emondsveld voor, de luiken opengeslagen en de huizen een en al licht voor de Winternacht, mensen die elkaar groetten terwijl ze overal heen liepen voor hun gebruikelijke bezoeken, vedels die de straten vulden met liedjes als Jaems zotheid en Reiger op de vleugel. Haral Lohan zou te veel brandewijn hebben gedronken en aan het zingen zijn geslagen: De wind in de gerst, met een stem als een brulkikker – dat deed hij altijd tot het zijn vrouw lukte hem stil te krijgen. Cen Buin zou willen bewijzen nog steeds als de beste te kunnen dansen en Mart zou iets uitspoken wat net een tikkeltje anders zou aflopen als hij had gedacht en iedereen zou weten dat het zijn schuld was, zelfs al kon niemand dat bewijzen. Rhand kon bijna glimlachen bij de gedachte aan hoe het zou zijn.

Na een poosje begon Tham weer te praten.

‘Avendesora. Men zegt dat hij geen zaad vormt, maar zij brachten een loot naar Cairhien. Een koninklijk, wonderbaarlijk geschenk voor de koning.’ Zijn stern klonk boos, maar was amper luid genoeg voor Rhand om te verstaan, ledereen die Tham kon horen, zou ook horen hoe de baar over de grond schraapte. Rhand liep door en luisterde maar half. ‘Zij sluiten nooit vrede. Nooit. Maar ze brachten een loot, als teken van vrede. Vijfhonderd jaren groeide hij. Vijfhonderd jaren vrede met hen die geen vrede met vreemdelingen sluiten. Waarom hakte hij hem om? Waarom? Bloed was de prijs voor Avendoraldera. Bloed was de prijs voor Lamans trots.’ Zijn gemompel stierf weer weg.

Vermoeid vroeg Rhand zich af wat voor koortsdroom Tham nu weer had. Avendesora. De levensboom werd verondersteld allerlei wonderbaarlijke eigenschappen te hebben, maar geen enkel verhaal vermeldde een loot en ook geen ‘zij’. Er was er maar één en die was van de Groene Man.

Diezelfde ochtend zou hij zich een dwaas hebben gevoeld als hij had lopen peinzen over de Groene Man en de Levensboom. Het waren maar verhalen. Of niet? Trolloks waren tot vanochtend ook alleen maar verhalen geweest.

Misschien waren alle verhalen even echt als het nieuws van kramers en kooplui, waren alle verhalen van de speelman en alle verhalen die ’s avonds hij het haardvuur werden verteld werkelijkheid. Misschien zou hij de Groene Man nog ontmoeten, of een Ogierreus, of een wilde zwartgesluierde Aielman.

Tham lag weer te praten, besefte hij, soms mompelend, soms hard genoeg om hem te kunnen verstaan. Van tijd tot tijd zweeg hij horrend, maar ging dan weer verder alsof hij nooit was gestopt.

‘... veldslagen zijn altijd heet, zelfs in de sneeuw. Heet zweet. Heet bloed. Alleen de dood is koud. Helling van de berg... enige plek waar het niet naar de dood stonk. Wilde aan de stank ontsnappen... wat ik zag... hoorde een boreling huilen. Hun vrouwen vechten met de mannen mee, soms, maar waarom ze haar hadden meegenomen, weet ik... baarde daar in eenzaamheid, voor ze stierf aan haar wonden... legde haar mantel over het kind, maar de wind... de mantel weggeblazen... kind blauw van de kou... had ook dood moeten zijn... lag daar te huilen. Huilen in de sneeuw. Ik kon geen kind achterlaten... zelf geen kinderen... wist altijd al dat je kinderen wilde, ik wist dat je hem in je hart zou sluiten, Kari. Ja, meisje, Rhand is een goede naam. Een goede naam.’

Plotseling verloren Rhands benen het beetje kracht dat ze nog hadden. Wankelend viel hij op zijn knieën. Tham kreunde door de schok en de dekenriem sneed in Rhands schouders, maar hij merkte het niet. Als een Trollok op dat moment op hem af was gesprongen, zou hij hem slechts hebben aangestaard. Hij keek over zijn schouder naar Tham, die weer in woordeloos gemummel was vervallen. Koortsdromen, dacht hij dof. Koorts bracht altijd boze dromen en dit was ook zonder koorts al een nacht vol nachtmerries.

‘U bent mijn vader’ zei hij hardop en hij strekte zijn arm om Tham aan te raken. ‘En ik ben...’ De koorts was erger. Veel erger.

Grimmig hees hij zich overeind. Tham mompelde iets, maar Rhand wilde niet langer luisteren. Hij gooide zijn hele gewicht in het in elkaar geknutselde trektuig en probeerde zich volledig te richten op het nemen van de ene loodzware stap na de andere, op het bereiken van de veiligheid van Emondsveld. Maar het bleef maar in zijn hoofd heen en weer galmen. Hij is mijn vader. Het was maar een koortsdroom. Hij is mijn vader. Het was maar een koortsdroom. Licht! Wie ben ik?

7

Uit het woud