Выбрать главу

Het begon al licht te worden toen Rhand nog steeds door het bos heen ploeterde. Hij merkte het eerst niet. Toen het hem eindelijk opviel, staarde hij verrast naar het opklarende duister. Hij kon zijn ogen nauwelijks geloven: had hij echt de hele nacht nodig gehad om van de boerderij naar Emondsveld te lopen? Natuurlijk was de Steengroeveweg overdag, met stenen en al, een enorm verschil met het nachtelijke bos. Aan de andere kant leek het dagen geleden dat hij de zwartgemantelde ruiter op het pad had gezien en wel weken geleden dat Tham en hij voor het avondeten naar binnen waren gegaan. Hij voelde niet meer hoe de dekenriem in zijn schouders sneed, want ze waren helemaal gevoelloos, net als zijn voeten. Zijn adem kwam in hortende stoten die zijn keel en longen in brand hadden gezet en de honger kneep zijn maag samen, wat een lichthoofdige misselijkheid veroorzaakte.

Tham was al enige tijd stil. Rhand wist niet zeker hoe lang geleden het ijlen was opgehouden, maar hij durfde nu niet te stoppen om naar Tham te kijken. Als hij stil bleef staan, zou hij zichzelf er nooit meer toe kunnen zetten verder te lopen. Hoe Thams toestand ook was, hij kon niets anders doen dan wat hij nu deed. Zijn enige hoop lag vóór hem, in het dorp. Doodmoe probeerde hij sneller vooruit te komen, maar zijn houten benen ploeterden slechts langzaam voort.

Hij merkte nauwelijks nog iets van de kou en de wind. Vaag ving hij de geur op van houtrook. Als hij de schoorstenen van het dorp kon ruiken, moest hij er bijna zijn. Er begon net iets van een vermoeide glimlach op zijn gezicht te dagen, toen het een frons werd. Er hing een zware rook in de lucht... te zwaar. Met deze winter zou in iedere haard van het dorp een vuur vlammen, maar zelfs dan was de rook te dik. In gedachten zag hij de Trolloks weer op de weg. Trolloks die uit het oosten kwamen, uit de richting van Emondsveld. Hij tuurde in de verte, probeerde de eerste huizen te zien, wilde om hulp schreeuwen zodra hij een glimp van iemand opving, al was het Cen Buin of een van de Kopins. Een klein stemmetje in zijn achterhoofd zei hem te hopen dat er nog iemand zou zijn die hulp kon bieden.

Opeens werd achter de laatste kale bomen een huis zichtbaar. Het kostte hem al zijn kracht om zijn benen verder te laten bewegen. Hoop sloeg om in bittere wanhoop en hij wankelde verder naar het dorp.

Waar gisteren nog huizen hadden gestaan, lagen nu in half Emondsveld verkoolde puinhopen. Beroete bakstenen schoorstenen staken op uit hopen zwarte balken. Dunne sliertjes rook stegen nog op uit de bouwvallen. Dorpelingen met smerige gezichten, sommigen nog in hun nachtkledij, pookten in de asresten rond, trokken er hier een pan uit en rommelden elders wezenloos met een stok rond in het puin. Het weinige wat uit de vlammen was gered, stond her en der verloren op de weg. Hoge spiegels, kisten en ladenkasten stonden in het stof tussen stoelen en tafels, bedolven onder beddengoed, keukengerei en kleine hoopjes kleren en persoonlijke eigendommen. De verwoesting leek willekeurig over het dorp verdeeld te zijn. Vijf huizen stonden onbeschadigd naast elkaar, terwijl ergens anders een eenzaam ongeschonden huis oprees tussen troosteloze bouwvallen. Aan de andere kant van de Wijnvloed knetterden de drie geweldige Beltije-vreugdevuren, verzorgd door een groepje mannen. Dikke wolken duistere rook bogen met de wind mee naar het noorden, bezaaid met zorgeloze vonken. Een van meester Alverens Durraners trok iets onherkenbaars over de grond naar de Wagenbrug, en de vlammen. Voor hij goed en wel onder de bomen vandaan was, snelde een beroete Haral Lohan op hem af, een houthakkersbijl in zijn dikke hand geklemd. Het met as besmeurde nachthemd van de gedrongen smid hing op zijn laarzen en achter een rafelige scheur was de felrode streep van een brandwond dwars over zijn borst zichtbaar. Hij liet zich op een knie naast de baar zakken. Thams ogen waren dicht en zijn ademhaling kwam traag en luid.

‘Trolloks, jongen?’ vroeg baas Lohan met een rokerig hese stem. ‘Hier ook. Hier ook. Tja, goed beschouwd hebben we misschien meer geluk gehad dan we verdienen. Hij heeft de Wijsheid nodig. Waar in het Licht is ze? Egwene!’

Egwene rende net voorbij met haar armen vol lakens die tot repen verband waren gescheurd en keek rond zonder in te houden. Haar ogen staarden naar iets in de verte; donkere kringen lieten ze nog groter lijken dan ze eigenlijk waren. Toen zag ze Rhand, bleef staan en haalde bevend adem. ‘O nee! Rhand! Toch niet je vader? Is hij...Kom, ik breng je naar Nynaeve.’

Rhand was te moe, te verbijsterd om iets te zeggen. Gedurende de nacht was Emondsveld een toevluchtsoord geweest waar Tham en hij veilig zouden zijn. Nu leek hij alleen maar wanhopig naar haar met roet bevlekte kleren te kunnen kijken. Vreemde bijzonderheden vielen hem op alsof die erg belangrijk waren. De knopen achter op haar rug zaten in de verkeerde knoopsgaten. En haar handen waren schoon. Hij vroeg zich af waarom haar handen schoon waren, terwijl vegen roet haar wangen tekenden.

Baas Lohan leek te begrijpen hoe hij eraan toe was. Hij legde zijn bijl dwars over de disselbomen, tilde de achterkant van de baar op en gaf Rhand een zachte duw om hem aan te sporen Egwene te volgen. Hij schuifelde achter haar aan alsof hij slaapwandelde. Even verbaasde hij zich erover dat baas Lohan wist dat die schepsels Trolloks waren, maar de gedachte was al weer weg. Als Tham ze kon herkennen, dan was er geen reden waarom Haral Lohan dat niet zou kunnen.

‘Alle verhalen zijn waar,’ mompelde hij.

‘Dat lijkt inderdaad zo, kerel,’ zei de smid. ‘Zo lijkt het inderdaad.’

Rhand hoorde hem maar half. Hij had alle aandacht nodig om de slanke gestalte van Egwene te volgen. Hij was weer voldoende tot zichzelf gekomen om te wensen dat ze voort zou maken, hoewel zij eigenlijk inhield zodat de twee mannen haar met hun last konden bijhouden. Ze leidde hen tot halverwege de Brink, naar het huis van Koldar. De randen van het dakriet waren zwart verkoold en er zaten roetvlekken op de gewitte muren. Op funderingsstenen, hopen as en verbrande balken na, waren de huizen aan weerskanten verdwenen. Een ervan was het huis geweest van Berin Tan, een broer van de molenaar. Het andere huis was van Abel Cauton geweest.

Marts vader. Zelfs de schoorstenen waren omgevallen.

‘Wacht hier’ zei Egwene en ze keek hen even aan alsof ze een antwoord verwachtte. Toen ze daar alleen maar bleven staan, mompelde ze iets binnensmonds en rende toen naar binnen.

‘Mart’ zei Rhand. ‘Is hij...’

‘Hij leeft,’ zei de smid. Hij zette zijn eind van de baar neer en strekte langzaam de rug. ‘Ik zag hem even geleden nog. Het is een wonder dat we allemaal nog in leven zijn. Zoals ze recht op het huis en de smederij afkwamen, zou je denken dat ik er goud en juwelen had verborgen. Alsbet heeft er een met de braadpan de schedel ingeslagen. Ze keek vanmorgen een keer naar de ashopen van ons huis en ging rond het dorp op jacht met de grootste hamer die ze uit de resten van de smidse kon opgraven, voor het geval er een zich nog ergens schuilhield. Ik zou haast medelijden krijgen met het kreng dat ze tegenkomt.’ Hij knikte even naar het huis van Koldar. ‘Vrouw Koldar en sommige anderen hebben een paar gewonden in hun huis opgenomen, de mensen die zelf geen huis meer hebben. Als de Wijsheid Tham heeft verzorgd, gaan we een bed voor hem zoeken. De herberg misschien. De dorpsmeesrer heeft het al aangeboden, maar Nynaeve zei dat het beter is voor de gewonden als er niet zoveel bij elkaar liggen.’

Rhand zakte door zijn knieën. Hij schudde de dekenriem van zich af en trok vermoeid de deken recht die over Tham lag. Die bewoog zich totaal niet, maakte zelfs geen geluid, zelfs niet toen Rhands gevoelloze handen hem aanstootten. Maar hij ademde tenminste nog. Mijn vader. Dat andere was enkel koortsgeijl. ‘Wat gebeurt er als ze terugkomen?’ vroeg hij dof.

‘Het Rad weeft wat het Rad wil,’ zei baas Lohan ongemakkelijk. ‘Als ze terugkomen... Nou ja, ze zijn nu weg. Dus vegen we de brokken bij elkaar en bouwen weer op wat vernield is.’ Hij zuchtte en zijn gezicht ontspande iets, terwijl hij met zijn vuist over zijn onderrug wreef. Voor het eerst besefte Rhand dat de zwaargebouwde man even moe was als hij, misschien nog wel vermoeider. De smid keek het dorp rond en schudde het hoofd. ‘Ik neem aan dat we vandaag niet veel aan Beltije zullen doen. Maar we overleven het wel. Hebben we altijd gedaan.’ Abrupt pakte hij zijn bijl op en zijn gezicht verhardde zich. ‘Er ligt werk op me te wachten. Maak je geen zorgen, kerel. De Wijsheid zal goed voor Tham zorgen en het Licht zal voor ons allen zorgen. En als het Licht dat niet doet, nou, dan zorgen we wel voor onszelf. Denk eraan, wij komen uit Tweewater.’