Выбрать главу

Toen de smid wegliep, keek Rhand, nog steeds geknield, naar het dorp. Nu keek hij pas echt. Baas Lohan had gelijk, dacht hij, en hij merkte verwonderd op dat hij niet verbaasd was over alles wat hij zag. Mensen groeven nog steeds in de puinhopen van hun huizen; hij was er nog maar kort, maar zag nu al sommige mensen doelbewust aan de slag gaan. Hij kon de groeiende vastberadenheid bijna voelen. Maar nog steeds had hij vragen. Ze hadden de Trolloks gezien, maar hadden ze ook de ruiter in de zwarte mantel gezien? Hadden ze zijn haat gevoeld?

Nynaeve en Egwene kwamen Koldars huis uit en hij sprong overeind. Of liever, hij probeerde overeind te springen; het was meer een struikelpas waardoor hij bijna plat voorover in het zand viel.

De Wijsheid liet zich op haar knieën naast de draagbaar vallen zonder Rhand ook maar een blik te gunnen. Haar gezicht en kleren waren zelfs nog smeriger dan die van Egwene en ze had dezelfde donkere kringen om haar ogen, maar ook haar handen waren schoon.

Ze voelde aan Thams gezicht en schoof met een duim een van zijn oogleden omhoog. Met een diepe frons trok ze de deken omlaag en schoof het verband opzij om naar de wond te kijken. Voor Rhand kon zien wat eronder zat, had ze het weer teruggeschoven. Zuchtend trok ze de deken en mantel op tot zijn kin, met een teder gebaar, alsof ze een kind instopte voor het slapengaan.

‘Nee, hier kan ik niets aan doen,’ zei ze. Ze moest met haar handen op haar knieën steunen om weer overeind te komen. ‘Het spijt me. Rhand.’

Een ogenblik lang bleef hij niet-begrijpend staan, maar toen ze terug naar het huis liep, wankelde hij achter haar aan en trok haar terug, zodat ze elkaar aankeken. ‘Hij ligt op sterven,’ riep hij.

‘Ik weet het,’ zei ze simpel en hij zakte ineen door de nuchterheid in haar stem.

‘U moet iets doen. U moet! U bent de Wijsheid.’

Haar gezicht vertrok vol smart, maar dat duurde maar kort en toen was ze weer vastberaden, met diep ingevallen vermoeide ogen, haar stem gevoelloos en ferm. ‘Ja, dat ben ik. Ik weet wat ik met mijn kruiden kan doen en ik weet wanneer het te laat is. Denk je niet dat ik iets zou doen als ik het kon? Maar ik kan het niet. Ik kan het niet, Rhand. En er zijn anderen die me nodig hebben. Mensen die ik wél kan helpen.’

‘Ik heb hem hier gebracht. Zo snel ik maar kon,’ mompelde hij. Hoewel het dorp was verwoest, had hij de Wijsheid gehad om zich aan vast te klampen. Nu zelfs dat niet meer kon, voelde hij zich leeg.

‘Ik weet dat je dat deed,’ zei ze zachtjes. Ze streek even langs zijn wang. ‘Het is niet jouw schuld. Jij hebt het beste gedaan wat iemand kon doen. Het spijt me, Rhand, maar ik moet voor anderen zorgen. Ik ben bang dat onze problemen nu pas beginnen.’

Verloren keek hij haar na tot de deur van het huis achter haar dichtviel. Hij kon aan niets meer denken, behalve dat ze niet kwam helpen.

Opeens moest hij een stap achteruir doen toen Egwene op hem afsprong en haar armen om hem heen sloeg. Haar omarming was zo stevig dat hij op een andere dag pijnlijk zou hebben gegromd, maar nu staarde hij slechts zwijgend naar de deur waarachter elke hoop was verdwenen.

‘Het spijt me zo, Rhand,’ zei ze tegen zijn borst. ‘Licht, ik wou dat ik iets kon doen.’

Verdoofd legde hij zijn armen om haar heen. ‘Ik weet het. Ik... ik moet iets doen, Egwene. Ik weet niet wat, maar ik kan hem niet...’ Zijn stem begaf het en ze omhelsde hem nog steviger.

‘Egwene!’ Nynaeves roep uit het huis deed Egwene opschrikken. ‘Egwene, ik heb je nodig! Maar was eerst je handen weer!’

Ze bevrijdde zich uit Rhands armen. ‘Ze heeft mijn hulp nodig, Rhand.’

‘Egwene!’

Hij meende een snik te horen toen ze zich van hem afwendde. Toen was ze weg en stond hij alleen bij de baar. Hij keek even op Tham neer en voelde een lege hulpeloosheid. Opeens verstrakte zijn gezicht. ‘De dorpsmeester zal iets weten,’ zei hij en hij tilde de dissels weer op. ‘De dorpsmeester weet wel iets.’ Bran Alveren wist altijd wat er gedaan moest worden. Vermoeid maar koppig ging hij op weg naar Herberg De Wijnbron.

Een Durraner-hengst liep hem voorbij; de tuigriemen waren vastgebonden rond de enkels van een grote gestalte die met een smerige deken was bedekt. Harige armen sleepten door het zand en een hoek van de deken was omhooggeschoven en liet een geitenhoorn zien. Tweewater was geen plaats voor verhalen die afschuwelijk echt werden. Als Trolloks ergens thuishoorden, dan was het in de buitenwereld, in streken waar ze Aes Sedai hadden en valse Draken, en het Licht mocht weten wat er nog meer uit de speelmanverhalen tot leven was gekomen. Maar niet in Tweewater. Niet in Emondsveld.

Toen hij over de Brink liep, riepen mensen hem aan, sommigen uit de puinhopen van hun huizen, en vroegen of ze konden helpen. Hij hoorde hun stemmen slechts als gemompel op de achtergrond, zelfs als ze al pratend een stukje met hem opliepen. Zonder echt na te denken, wist hij woorden uil te brengen: dat hij geen hulp nodig had, dat alles in orde was. Als ze met bezorgde blikken van hem wegliepen, soms met de opmerking dat ze Nynaeve naar hem toe zouden sturen, hoorde hij dat evenmin. Het enige dat hij in zijn hoofd toeliet, was het idee dat zich in hem had vastgezet: Bran Alveren kon iets doen om Tham te helpen. Wat dat mocht zijn, daar stond hij liever niet bij stil. Maar de dorpsmeesrer zou in staat zijn om iets te doen, om iets te verzinnen.

De herberg was bijna helemaal ontsnapt aan de verwoesting die het halve dorp had getroffen. Een paar schroeiplekken ontsierden de muren, maar de rode dakpannen glinsterden net zo helder in het zonlicht als anders. Het enige wat er echter over was van de marskramerwagen, waren de roetzwarte ijzeren wielhoepels die tegen de verkoolde bak op de grond leunden. De grote ronde beugels die de huif omhooggehouden hadden, stonden in verschillende hoeken omhoog.

Thom Merrilin zat in kleermakerszit op het oude muurtje en knipte zorgvuldig met een klem schaartje de verschroeide randjes van de lapjes op zijn mantel. Hij legde mantel en schaar neer toen Rhand eraan kwam. Zonder te vragen of Rhand hulp nodig had of wilde, sprong hij omlaag en pakte de achterkant van de haar op.

‘Naar binnen? Natuurlijk, natuurlijk. Maak je geen zorgen, jongeman. Jullie Wijsheid zal voor hem zorgen. Ik heb haar vannacht aan het werk gezien, en ze heeft een zekere hand en is zeer bedreven. Het had veel erger kunnen zijn. Enkelen zijn vannacht gestorven. Niet zoveel, maar één is al te veel naar mijn zin. Ouwe Fajin is gewoon verdwenen en dat is nog het ergste. Trolloks eten van alles. Je zou het Licht moeten danken dat je vader er nog is, en nog in leven, zodat de Wijsheid hem kan genezen.’

Rhand verdrong de gedachte – Hij is mijn rader! – en de stem van Thom, tot deze slechts een vaag geluid was dat niet harder klonk dan het gebrom van een vlieg. Hij kon geen medeleven meer verdragen, kon niet meer tegen de pogingen hem op te beuren. Niet nu. Niet tot Bran Alveren hem had verteld hoe Tham geholpen kon worden.

Plotseling zag hij iets op de herbergdeur staan, een krabbel, een gebogen lijn die met een stuk kool was gekrast, een traan van houtskool met de punt omlaag. Er was zoveel gebeurd dat het hem met eens meer verbaasde dat de Drakentand op de deur van De Wijnbron was getekend. Waarom iemand de herbergier of zijn gezin van kwaad wilde berichten of de herberg wilde vervloeken, snapte hij niet, maar de nacht had hem van één ding overtuigd. Alles was mogelijk. Echt alles.

Na een duw van de speelman tilde hij de klink op en ging naar binnen.

De gelagkamer was leeg, op Bran Alveren na; het was er koud, want niemand had tijd gehad om een vuur aan te leggen. De dorpsmeester zat aan een van de tafeltjes en doopte met een geconcentreerde frons op zijn gezicht zijn pen in een inktpotje, het grijze hoofd over een vel perkament gebogen. Met zijn nachthemd haastig in zijn broek gestopt en opbollend rond zijn indrukwekkende buik, krabde hij verstrooid zijn blote voet met de nagels van de andere voet. Zijn voeten waren vuil, alsof hij ondanks de kou vele malen buiten was geweest zonder zich om laarzen te bekommeren. ‘Waar kom je voor?’ vroeg hij zonder op te kijken. ‘Schiet een beetje op. Ik moet twintig dingen tegelijk doen en het meeste had al gedaan moeten zijn. Ik heb dus weinig geduld en nog minder tijd. Nou? Laat horen!’