Выбрать главу

‘Meester Alveren?’ zei Rhand. ‘Mijn vader.’

Het hoofd van de dorpsmeester schoot omhoog. ‘Rhand? Tham!’ Hij liet zijn pen vallen en gooide zijn stoel om toen hij opsprong. ‘Mogelijk heeft het Licht ons niet helemaal in de steek gelaten, ik was bang dat jullie allebei dood waren. Bela galoppeerde het dorp binnen roen de Trolloks allang waren vertrokken, helemaal onder het schuim en briesend, alsof ze helemaal vanaf jullie boerderij had gedraafd en ik dacht... Ach, daar hebben we nu geen rijd voor. We zullen hem boven in bed leggen.’ Hij greep de achterkant van de baar en duwde de speelman opzij. ‘Haal jij de Wijsheid, Thom Merrilin. En zeg tegen haar dat ik wil dat ze snel komt, en anders wil weren waarom ze niet komt! Maak het je gemakkelijk, Tham. We leggen je gauw in een goed, zacht bed. Vooruit, speelman, opschieten.’

Thom Merrilin verdween naar buiten voor Rhand iers kon zeggen. ‘Nynaeve kon niks doen. Ze zei dat ze hem niet kon helpen. Ik wist... Ik hoopte dat u iets kon bedenken.’

Meester Alveren keek war scherper naar Tham en schudde toen zijn hoofd. ‘We gaan het bekijken, jongen. We zullen wel zien.’ Maar de zekerheid was uit zijn stem verdwenen. ‘Laten we kijken of we hem in bed kunnen krijgen. Kan hij tenminste gemakkelijk liggen.’

Rhand liet zich naar de trap achter in de gelagkamer duwen. Hij probeerde uit alle macht vast te houden aan de zekerheid dat het met Tham in orde zou komen, maar hij besefte dat zijn hoop op weinig berustte en de plotselinge twijfel in de stem van de dorpsmeesrer had hem geschokt.

Op de eerste verdieping van de herberg lagen aan de voorkant zes gezellige kamers, van alle gemakken voorzien, met ramen die over de Brink uitkeken. Ze werden meestal gebruikt door marskramers, of door mensen uit Wachtheuvel of Devenrit; en de kooplieden die ieder jaar kwamen, waren vaak verrast dat het zulke comfortabele kamers waren. Drie ervan waren nu bezet en de dorpsmeester duwde Rhand haastig naar een lege kamer.

Snel werden de donzen sprei en dekens op het brede bed teruggeslagen. Tham werd op de dikke verenmarras gelegd en er werden met ganzendons gevulde kussens onder zijn hoofd geschoven. Hij maakte geen enkel geluid, afgezien van een hees hijgen toen hij werd verschoven. Hij kreunde niet eens, maar de dorpsmeester wuifde Rhands bezorgdheid weg en droeg hem op de haard aan te steken om de kilte uit de kamer te verjagen. Terwijl Rhand hout uit de houtkist in de haard legde en dat aanstak, trok Bran de gordijnen open, zodat het ochtendlicht binnenviel, waarna hij voorzichtig Thams gezicht begon te wassen. Tegen de tijd dat de speelman terugkwam, begon de gloed van het haardvuur de kamer te verwarmen.

‘Ze wil niet komen,’ verkondigde Thom Merrilin toen hij de kamer binnenstapte. Hij wierp een boze blik op Rhand, zijn borstelige witte wenkbrauwen diep omlaag getrokken. ‘Je hebt me niet gezegd dat ze hem al had gezien. Ze sloeg me bijna het hoofd af.’

‘Ik dacht... Ik weet niet of... misschien kon de dorpsmeester iets doen, kon hij haar uitleggen...’ Met gebalde vuisten wendde Rhand zich van de haard naar Bran. ‘Meester Alveren, wat kan ik doen?’ De mollige man schudde hulpeloos het hoofd. Hij legde opnieuw een vochtige doek op Thams voorhoofd en vermeed Rhands blikken. ‘Ik kan niet toekijken hoe hij sterft, meester Alveren. Ik moet iets doen.’

De speelman bewoog zijn lippen alsof hij iets wilde zeggen. Rhand wendde zich grerig naar hem toe. ‘Hebt u een idee? Ik wil alles proberen.’

‘Ik vroeg me net af,’ zei Thom, die zijn lange pijp met een duim aandrukte, ‘of de dorpsmeester weet wie de Drakentand op zijn deur heeft gekrast.’ Hij gluurde in de pijpenkop, keek naar Tham en stak toen met een zucht de onaangestoken pijp weer tussen zijn tanden, iemand lijkt hem niet aardig te vinden. Of mogelijk zijn het z’n gasten die ze niet aardig vinden.’

Rhand keek hem vol afkeer aan, keerde zich om en staarde in de vlammen. Zijn gedachten dansten net als de vlammen en net als de vlammen richtten ze zich slechts op één ding. Hij zou het niet opgeven. Hij kon daar niet staan toekijken hoe Tham zou sterven. Mijn vader, dacht hij heftig. Mijn vader. Als de koorts was geweken, kon dat ook opgelost worden. Maar eerst de koorts. Maar hoe?

Bran Alverens mond kneep samen toen hij naar Rhands rug staarde en de woeste blik die hij op de speelman afvuurde, zou een beer verjaagd hebben, maar Thom stond afwachtend te kijken alsof hij het niet zag.

‘Waarschijnlijk het werk van een van de Kongars of Kopins,’ zei de dorpsmeester ren slotte, ‘hoewel het Licht mag weten wie. Het is me nogal een stel en als er van iemand kwaad kan worden gesproken, of zelfs als dat niet kan, dan zullen ze het niet laten. Bij hen vergeleken heeft Gen Buin honing in zijn stem.’

‘Waren zij dat, in die volle kar, die net voor de dageraad binnenreden?’ vroeg de speelman. ‘Ze hadden nog geen glimp van een Trollok gezien en het enige dat ze wilden weten, was wanneer het feest zou beginnen. Alsof ze niet zagen dat het halve dorp in de as lag.’

Meester Alveren knikte grimmig. ‘Een tak van de familie. Maar ze lijken allemaal op elkaar. Die zot van een Darl Kopin bleef de halve nacht maar zaniken dat ik vrouwe Moiraine en baas Lan uit de herberg moest zetten, uit het dorp moest jagen. Alsof er zonder hen nog een dorp over zou zijn geweest.’

Rhand had maar half naar het gesprek geluisterd, maar over dat laatste wilde hij meer weten. ‘Wat deden ze?’

‘Nou, ze haalde zomaar een bolbliksem uit de heldere nachthemel,’ antwoordde meester Alveren, ‘en stuurde hem regelrecht op de Trolloks af. Je had de versplinterde bomen moeten zien. De Trolloks konden er niet tegen.’

‘Moiraine?’ vroeg Rhand ongelovig en de dorpsmeester knikte. ‘Vrouwe Moiraine. En baas Lan leek wel een wervelwind met dat zwaard van hem. Zijn zwaard? Die man is een wapen van zichzelf en hij was op tien plekken tegelijk, zo leek het tenminste. Drakenbloed, ik zou het zelf niet kunnen geloven als ik het niet met eigen ogen had gezien...’ Hij wreef met een hand over zijn kale kruin. ‘De Winternachtbezoeken zouden net beginnen, we hadden onze handen vol met geschenken en honingkoeken en ons hoofd vol wijn. Toen begonnen de honden te blaffen en plotseling schoten die twee de herberg uit, renden het dorp door en schreeuwen iets over Trolloks. Ik dacht dat ze te veel ophadden. Wat denk je... Trolloks? Maar voor iemand besefte wat er aan de hand was, waren die... die monsrers overal; ze sloegen mensen neer met hun zwaarden, staken huizen in brand, en huilden dat je bloed erbij bevroor.’ Hij gromde van afschuw. ‘We renden rond als een stel kippen zonder kop, tot Lan wat staal in ons merg goot.’

‘Je hoeft niet zo hard voor jezelf te zijn,’ zei Thom. ‘Je deed wat je kon. Niet iedere Trollok die daarbuiten ligt, werd door die twee gedood.’

‘Hmmm... ja, nou.’ Meester Alveren schudde zijn hoofd. ‘Je kunt het haast niet geloven. Een Aes Sedai in Emondsveld. En baas Lan is een zwaardhand.’

‘Een Aes Sedai?’ fluisterde Rhand. ‘Dat kan niet. Ik heb niet haar gepraat. Ze is geen... Ze kan geen...’

‘Dacht je dan dat ze naambordjes droegen?’ zei de dorpsmeester droog. ‘Of dat ze aes sedai op hun rug hebben geschilderd, met daarbij misschien gevaar, verdwijn?’ Opeens sloeg hij zich tegen het voorhoofd. ‘Aes Sedai! Ik ben een oude gek en ik heb ze niet op een rijtje. Er is wél een kans, Rhand, als je bereid bent die te grijpen. Ik kan je niet zeggen wat je moet doen en ik weet niet of ik de moed zou hebben als het mij betrof.’