‘Een kans?’ vroeg Rhand. ‘Ik grijp elke kans aan, als het helpt.’
‘Aes Sedai kunnen helen, Rhand. Drakenbloed, kerel, je kent de verhalen toch! Zij kunnen genezen waar kruiden falen. Speelman, jij had dat toch beter moeten weten dan ik. Verhalen van speelmannen barsten van Aes Sedai. Waarom heb je dat niet klip en klaar gezegd en mij maar wat laten aanmodderen?’
‘Ik ben hier een vreemdeling,’ zei Thom en hij keek verlangend naar zijn onaangestoken pijp, ‘en baas Kopin is niet de enige die niets met Aes Sedai te maken wil hebben. Het idee kon beter van jou komen.’
‘Een Aes Sedai,’ mompelde Rhand, en hij probeerde zich voor te stellen hoe de vrouw die naar hem had geglimlacht in de verhalen paste. Hulp van een Aes Sedai was volgens de verhalen soms nog erger dan helemaal geen hulp. Net als gif in een taart. En hun geschenken hadden altijd een verborgen angel, zoals in lokaas. Opeens leek de munt in zijn zak, de munt van Moiraine, te branden. Hij moest zichzelf ervan weerhouden de munt uit zijn zak te rukken en uit het venster te gooien.
‘Niemand wil bij Aes Sedai betrokken raken, kerel,’ zei de dorpsmeester langzaam. ‘Voor zover ik het kan bekijken, is het je enige kans, maar zo’n beslissing is met niks. Ik kan die niet voor je nemen, maar ik heb niets dan goeds gezien van vrouwe Moiraine... Moiraine Sedai, moet ik haar noemen, veronderstel ik. Soms...’ hij wierp een veelzeggende blik op Tham, ‘moet je wat durven riskeren.’
‘In zekere zin zijn sommige verhalen overdreven,’ voegde Thom eraan toe, alsof de woorden uit hem moesten worden getrokken. ‘Sómmige. Bovendien, jongen, wat voor keus heb je?’
‘Geen enkele,’ zuchtte Rhand. Tham had nog steeds geen spier bewogen; zijn ogen lagen diep weggezonken, alsof hij al een week ziek was. ‘Ik... ik ga haar zoeken.’
‘Aan de andere kant van de bruggen,’ zei de speelman, ‘waar ze bezig zijn met... met het opruimen van de dode Trolloks. Maar pas op. Aes Sedai doen wat ze doen om hun eigen reden, en het is niet altijd de reden die de mensen denken te kennen.’
Het laatste werd hem achterna geschreeuwd, want Rhand was de deur al uit. Hij moest het zwaard vasthouden om te voorkomen dat de schede hem zou laten struikelen; hij gunde zich de tijd niet het af te gespen. Hij sprong de treden af en rende de herberg uit, zijn vermoeidheid voor even vergetend. Een kans voor Tham, hoe klem ook, was genoeg om een slapeloze nacht een tijdlang te vergeten. Dat de kans kwam van een Aes Sedai of wat het hem zou kunnen kosten, daarover wilde hij nu niet denken. En dat hij nu tegenover een echte Aes Sedai kwam te staan... Hij haalde diep adem en probeerde sneller vooruit te komen.
De vreugdevuren lagen ver van de laatste huizen, langs de weg naar Wachtheuvel, naar het noorden, in de richting van het Westwoud. De wind voerde nog steeds vette zwarte rookwolken van het dorp weg, maar desondanks hing er een misselijk zoete stank in de lucht, alsof er vlees te lang aan het spit was geroosterd. Rhand kokhalsde van de stank en slikte heftig toen hij besefte waar die vandaan kwam.
Dat het zo met de Beltije-vuren moest aflopen... De mannen die het vuur brandende hielden, hadden doeken voor hun neus en mond, maar hun vertrokken gezichten maakten duidelijk dat de azijn in de doeken niet afdoende was. Zelfs al onderdrukte de azijn de stank, ze wisten toch dat die stank er was en ze wisten ook wat ze aan het doen waren.
Twee mannen maakten het tuig van een grote Durraner los van de enkels van een Trollok. Lan knielde bij het lijf neer en sloeg de deken terug, waardoor de schouders en de geitensnuit zichtbaar werden. Toen Rhand naar de zwaardhand liep, maakte deze een metalen schildje los van een bespijkerde schouder van het zwarte maliënhemd. Op het schildje stond een bloedrode emaillen drietand.
‘Ko’bal,’ deelde hij mee. Hij gooide het schildje op en greep het met een grom uit de lucht. ‘Daarmee zijn het er zeven, tot dusver.’
Moiraine, die met gekruiste benen iets verderop zat, schudde vermoeid haar hoofd. Een wandelstaf die van onder tot boven met ranken en bloemen was besneden, lag over haar knieën en haar gewaad toonde het gekreukelde uiterlijk van iets wat te lang is gedragen. ‘Zeven horden. Zeven! Zoveel hebben er sinds de Trollok-oorlogen nier meer samengewerkt. Het ene slechte nieuws na het andere. Ik ben bang, Lan. Ik dacht dat we een voorsprong hadden, maar mogelijk liggen we verder achter dan ooit.’
Rhand stond haar aan te kijken en kon niets zeggen. Een Aes Sedai.
Hij had geprobeerd zichzelf ervan te overtuigen dat ze er niet anders uit zou zien nu hij wist wie... wat hij zag. En tot zijn verrassing was dat ook zo. Ze was niet meer zo smetteloos netjes, niet nu haar haren alle kanten uitstaken en een vage roetveeg haar neus ontsierde, maar toch ook niet echt anders. Je zou een Aes Sedai toch zeker wel ergens aan kunnen herkennen? Aan de andere kant, als de buitenkant weerspiegelde wat binnenin zat, en als de verhalen waar waren, dan zou ze meer op een Trollok moeten lijken dan op een knappe vrouw wier waardigheid niet werd aangetast doordat ze op de grond zat. En ze kon Tham helpen. Wat het ook mocht kosten, dat was het allerbelangrijkste.
Hij haalde diep adem. ‘Vrouwe Moiraine... ik bedoel, Moiraine Sedai.’ Ze draaiden zich beiden om en keken hem aan en hij bevroor onder haar blik. Het was niet de kalme, glimlachende blik die hij zich van de Brink herinnerde. Haar gezicht zag er moe uit, maar haar ogen waren als die van een havik. Aes Sedai. Brekers van de wereld. Poppenspelers die aan de touwtjes trokken en tronen en machten lieten dansen in plannen die alleen de vrouwen van Tar Valon kenden.
‘Weer een beerje licht in de duisternis,’ mompelde de Aes Sedai. Ze verhief haar stem. ‘Hoe zit het met je dromen, Rhand Altor?’ Hij staarde haar aan. ‘Mijn dromen?’
‘Een nacht als deze kan een man boze dromen geven, Rhand. Als je nachtmerries hebt, moet je ze mij vertellen. Soms kan ik bij een boze droom helpen.’
‘Er is niets mis met mijn dromen... Mijn vader! Hij is gewond. Het is niet veel meer dan een schram, maar de koorts verteert hem. De Wijsheid wil niet helpen. Ze zegt dat ze dat niet kan. Maar volgens de verhalen...’
Ze trok een wenkbrauw op en hij haperde en slikte heftig. Lichts bestaat er een verhaal met een Aes Sedai waarin ze niét de boosdoener is? Hij keek naar de zwaardhand, maar Lan leek meer belang te stellen in de dode Trollok dan in alles wat Rhand nog zou kunnen zeggen. Onder haar scherpe blik ging hij haperend verder: ‘Ik... eh... men zegt dat Aes Sedai kunnen helen. Als u hem kunt helpen... iets, wat dan ook, voor hem kan doen... wat het ook mag kosten... ik bedoel...’ Hij haalde diep adem en maakte het in één ruk af. ‘Ik zal naar vermogen elke prijs betalen, als u hem helpt. Wat dan ook.’
‘Elke prijs,’ peinsde Moiraine half tegen zichzelf. ‘Over een prijs praten we later wel, Rhand, als we het al doen. Ik kan niets beloven. Jullie Wijsheid kent haar zaken. Ik zal doen wat ik kan, maar het ligt niet in mijn macht het wentelen van het Rad te stuiten.’
‘Voor iedereen komt vroeg of laat de dood,’ zei de zwaardhand grimmig, ‘tenzij ze de Duistere dienen en alleen dwazen zijn bereid die prijs te betalen.’
Moiraine glimlachte verstolen. ‘Niet zo somber, Lan. We hebben wel reden iets te vieren. Niet veel, maar er is een reden.’ Ze gebruikte haar staf om overeind te komen. ‘Breng me naar je vader, Rhand. Ik zal hem helpen voor zover dat in mijn macht ligt. Er zijn te veel mensen in dit dorp die mijn hulp geweigerd hebben. Ook zij kennen de verhalen,’ voegde ze er droogjes aan toe.
‘Hij is in de herberg,’ zei Rhand. ‘Deze kant op. En dank u. Dank u wel!’
Ze volgden, maar hij liep zo snel vooruit dat hij ongeduldig moest wachten tot ze weer bij hem waren, waarna hij opnieuw vooruit snelde en weer moest wachten.
‘Alstublieft, haast u,’ drong hij aan. Hij dacht alleen maar aan de mogelijke hulp voor Tham en besefte niet eens hoe roekeloos hij een Aes Sedai liep op te jagen. ‘De koorts verteert hem.’